Rechtbank Noord-Nederland, voorlopige voorziening insolventierecht

ECLI:NL:RBNNE:2026:3038

Op 18 May 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van insolventierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is NL:TZ:2607342:R-RK, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:3038. De plaats van zitting was Assen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
NL:TZ:2607342:R-RK
Datum uitspraak:
18 May 2026
Datum publicatie:
23 July 2026
Verwijzingen:
Faillissementswet 287

Indicatie

Voorlopige voorziening ex art 287 lid 4 Fw afgewezen. Belang van verhuurder weegt zwaarder, huidige stand van zaken staat toelating Wsnp in de weg.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie

Zittingsplaats Assen

Rekestnummer: NL:TZ:2607342:R-RK

Uitspraak van 18 mei 2026

In de zaak van

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

verzoeker, hierna te noemen [verzoekster] ,

tegen

Stichting Woonservice Drenthe,

gevestigd en kantoorhoudende te Westerbork,

gemachtigde: Agin Pranger,

hierna te noemen Woonservice,

tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet (Fw).

1
De procedure

Op 23 maart 2026 heeft [verzoekster] een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (hierna: WSNP) ingediend tezamen met een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 van de Faillissementswet (Fw). De rechtbank heeft op 25 maart 2026 een tussenbeschikking afgegeven. Het verzoek is behandeld op de zitting van 4 mei 2026. Daarbij is [verzoekster] , hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Ter zitting is mevrouw [schuldhulpverlener namens schuldhulpverleningsbedrijf] en mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , haar beschermingsbewindvoerder namens Schuldenbewind Friesland wel verschenen. Namens Woonservice is mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] verschenen alsook haar gemachtigde mevrouw [naam 3] van Agin Pranger.

Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van Woonservice op 24 april 2026 en 4 mei 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank overlegd.

Daarnaast heeft de rechtbank op 30 april 2026 van [schuldhulpverleningsbedrijf] een tussentijds verslag ontvangen. Hieruit blijkt dat [verzoekster] sinds 14 juli 2025 onder beschermingsbewind staat en de huurbetalingen voor de maand april 2026 is voldaan.

2
Het verzoek

[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om Woonservice te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 26 maart 2026 totdat op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is beslist.

[verzoekster] voert hiertoe aan dat het minnelijk traject meer tijd nodig heeft en dat zonder vaste woon- en of verblijfplaats geen stabiele situatie is.

2
Het verweer

Woonservice stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoekster] dient te worden afgewezen.

Woonservice voert hiertoe aan dat er geen voortvarend traject is geweest nu er tot februari 2026 geen contact is geweest met de schuldhulpverlener of beschermingsbewindvoerder van [verzoekster] . Woonservice heeft geen vertrouwen in nu de situatie ongewijzigd is ten opzichte van juni 2025. Daarnaast is niks ingelost op de huurschuld en pas toen de ontruiming is aangezegd een overzicht van de huurschuld opgevraagd nadat Woonservice heeft gemaild. Er is volgens Woonservice niet gehandeld zoals verwacht mag worden. Woonservice voegt daaraan toe dat zij een onderzoek tot woonfraude hebben ingesteld nu diverse signalen melden dat [verzoekster] niet woonachtig is in de woning.

Overwegingen

3
De beoordeling

[verzoekster] heeft verzocht om een voorlopige voorziening treffen omdat Woonservice een ontruiming heeft aangezegd tegen 26 maart 2026. Vast is komen te staan dat voorafgaand aan dit verzoek op 11 juli 2025 een voorlopig moratorium is toegewezen welke definitief is uitgesproken op 28 augustus 2025 voor 6 maanden. Dat moratorium liep tot 28 februari 2026.

Uit het opschrift van het verzoek blijkt dat het gaat om een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw. Het gaat derhalve om een spoedeisende beslissing in het kader van de toelating tot de schuldsaneringsregeling, welke voorziening bedoeld is ter overbrugging van de periode tussen de indiening van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en de beslissing daarop. Als de rechtbank bij voorbaat blijkt van een evidente afwijzingsgrond die tot afwijzing leidt van het WSNP verzoek, volgt hieruit dat een voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw evenmin kan worden toegewezen.

Ter zitting is gebleken dat het eerdere moratorium gebruikt is voor het stabiliseren van de situatie van [verzoekster] en niet voor het beoogde doel, namelijk het opstarten van een minnelijke regeling. Uit verklaringen van de schuldhulpverlener en de beschermingsbewindvoerder blijkt dat [verzoekster] bewust niet is verschenen en dat zij de afgelopen periode veel moeite hebben gedaan om [verzoekster] haar situatie te stabiliseren. [verzoekster] zou informatie niet aanleveren en zou uitspattingen hebben wat uiteindelijk heeft geleid tot het blokkeren van de leefgeldrekening door de beschermingsbewindvoerder. De rechtbank maakt hieruit op dat de situatie van [verzoekster] niet stabiel is. Daarbij voegt de rechtbank toe dat bij de beoordeling van het moratorium al twijfels bestonden over de stabiliteit en het gedrag van [verzoekster] . De situatie is dus ongewijzigd wat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [verzoekster] , afgaande op de huidige stand van zaken, hoogstwaarschijnlijk niet zal worden toegelaten tot de WSNP. Dat brengt mee dat het onderhavige verzoek tot een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

Daarbij komt nog de discussie of [verzoekster] feitelijk woonachtig is in de woning aan de [adres] . Woonservice heeft in november 2025, tijdens de looptijd van het moratorium, een onderzoek gestart naar woonfraude. De reden voor dit onderzoek is dat [verzoekster] Woonservice heeft verzocht om schades in en aan de woning op te nemen. Tijdens de afgesproken data was [verzoekster] niet aanwezig in de woning en deed een voor Woonservice onbekende man de deur open. Ook daarbij kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de stabiliteit van de situatie van [verzoekster] . Tezamen met het feit dat [verzoekster] bewust niet is verschenen tijdens de zitting terwijl het om haar huisvesting gaat en zij dus wel bewust de kans heeft laten lopen om een verklaring te geven voor de feitelijke gang van zaken, maakt dat op grond van al het voorgaande het belang van Woonservice zwaarder moet wegen dan het belang van [verzoekster] .

Beslissing

4
De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287 lid 4 Fw af;

Dit is de beslissing van mr. H.J. Idzenga, rechter, in samenwerking met W.R. Bethlehem, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026  (Voetnoot 1)

Voetnoot

Voetnoot 1

Hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden bij het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.