beslissing van de meervoudige strafkamer, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 9 december 2025 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
[veroordeelde] ,
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 8 oktober 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 141.034,- ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.104039.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 10 november 2025.
De officier van justitie, veroordeelde en zijn raadsman, mr. F.H. Kappelhof, zijn verschenen.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zijn vordering aangepast en de rechtbank verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel en de terugbetalingsverplichting vast te stellen op 138.774,-.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
- een schriftelijk bescheid, te weten een aanvullende aangifte van [aangever] namens Amazon d.d. 11 oktober 2024, opgenomen op pagina 1515 e.v. van dossier Ceder, inhoudend:
Mede naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie stuur ik een nieuw aangepast Excel-bestand met daarin een extra tabblad genaamd Outstanding Items. Dat tabblad 'Outstanding Items bevat een lijst met alle frauduleuze producten; zijnde producten die zijn besteld door en geleverd aan de desbetreffende klant, waarvoor geld is teruggevraagd door, en terugbetaald aan, de desbetreffende klant, maar die uiteindelijk niet aan Amazon zijn teruggestuurd door die klant. Het betreft in totaal 720 producten besteld bij Amazon door accounts die zijn gelinkt aan [veroordeelde] , en laat zien dat het totale bedrag dat Amazon voor die producten heeft terugbetaald aan [veroordeelde] $ 152.288,23 bedraagt.
- een schriftelijk bescheid, te weten Excelbestand [bestandsnaam] , een bijlage bij dossier Ceder en enkel digitaal verstrekt door de officier van justitie aan de rechtbank en de verdediging, voor zover inhoudend onder het tabblad Outstanding Items goederen in rij 3 tot en met rij 722.
Overwegingen
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 9 december 2025 in de zaak met parketnummer 18.104039.23 onder feit 3 veroordeeld ter zake flessentrekkerij.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft genoten ter hoogte van $ 152.288,23 door middel van of uit de baten van dit door hem gepleegde strafbare feit. Uit de vordering van de benadeelde partij Amazon volgt dat het bedrag van $ 152.288,23, zoals genoemd in de aanvullende aangifte van Amazon, omgerekend 138.774,- bedraagt.
De raadsman heeft aangevoerd dat het te ontnemen bedrag waarvan de officier van justitie uitgaat, 138.774,-, niet aannemelijk is. Zo is onduidelijk welke bestellingen aan veroordeelde, medeveroordeelde [medeveroordeelde] of de verdachten uit het onderzoek Tuvalu kunnen worden toegeschreven.
Het is aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten ter hoogte van 37.940,-. Dit bedrag bestaat uit 6.980,- aan verkochte goederen aan [webshop] en uit een contant gestort geldbedrag van 30.960,- op de bankrekening van veroordeelde.
De rechtbank overweegt als volgt. Het door de officier van justitie gevorderde ontnemingsbedrag van 138.774,- ziet op feit 3, de door de rechtbank bewezen verklaarde flessentrekkerij. Zoals uit het vonnis van de rechtbank van 9 december 2025 blijkt ziet dit feit op bestellingen die rechtstreeks en enkel en alleen aan veroordeelde en de door hem gebruikte domeinnamen te koppelen zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat zij geen enkele aanleiding heeft om te twijfelen aan de inhoud van Excelbestand [bestandsnaam] . De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.
Bij de schatting van het voordeel houdt de rechtbank geen rekening met de door de verdediging opgevoerde kosten, nu de verdediging deze kosten op geen enkele manier heeft onderbouwd.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 138.774,- voordeel heeft genoten en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 138.774,-.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 138.774,- (zegge: honderdachtendertigduizend zevenhonderd vierenzeventig euro aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. T.M.L. Wolters, voorzitter, mr. H.H. Kielman en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 december 2025.