[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 september 2025 en/of 2 oktober 2025 te [plaats ] en/of [plaats ] , althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, een geldbedrag en/of sieraden en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een of meer ander(en) toebehoorde(n), te weten
sieraden en/of een portemonnee en/of een contant geldbedrag ad 300,00 aan [slachtoffer 1] ( [adres] ) en/of
sieraden aan [slachtoffer 2] ( [adres] ),
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, te weten door
( telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie,
tegen voornoemde perso(o)n(en) te (laten) zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en/of dat sieraden en/of contant geld en/of andere waardevolle goederen verzekerd moesten worden en/of dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en/of dat voornoemde personen de voornoemde goederen klaar moesten leggen,
tegen voornoemde perso(o)n(en) te (laten) zeggen dat haar/hun dochter op het politiebureau zat om te tekenen voor de (zogenaamde) verzekering,
naar de woning van voornoemde personen te gaan en/of zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar, al dan niet met behulp van een (zogenaamd) dienstnummer en/of
sieraden en/of contante geldbedragen en/of een portemonnee en/of andere waardevolle goederen (zogenaamd) ter veiligstelling en/of om te wegen mee te nemen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 september 2025 en/of 2 oktober 2025 te [plaats ] en/of [plaats ] , althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander, wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] ( [adres] ) en/of [slachtoffer 2] ( [adres] ), heeft bewogen tot afgifte van sieraden en/of een contant geldbedrag en/of een portemonnee, althans enig goed, door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
( telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie,
tegen voornoemde perso(o)n(en) te (laten) zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en/of dat sieraden en/of contant geld en/of andere waardevolle goederen verzekerd
moesten worden en/of dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en/of dat voornoemde personen de voornoemde goederen klaar moesten leggen,
tegen voornoemde perso(o)n(en) te (laten) zeggen dat haar/hun dochter op het politiebureau zat om te tekenen voor de (zogenaamde) verzekering,
naar de woning van voornoemde personen te gaan en/of zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar, al dan niet met behulp van een (zogenaamd) dienstnummer en/of
sieraden en/of contante geldbedragen en/of een portemonnee en/of andere waardevolle goederen (zogenaamd) ter veiligstelling en/of om te wegen mee te nemen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen voor het primaire deel van de tenlastelegging en dat het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht, met vrijspraak van het primaire deel, het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 oktober 2025, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025268144 d.d. 13 februari 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 september 2025, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 oktober 2025, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 december 2025, opgenomen op pagina 128 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verdachte.
Overweging ten aanzien van een contant geldbedrag van 300,00
Verdachte heeft tijdens het verhoor bij de politie op 1 december 2025 ontkend dat hij een geldbedrag van 300,00 heeft meegenomen bij de oplichting van aangeefster [slachtoffer 1] aan de [adres] . De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] , waarin zij specifiek heeft verklaard dat zij zes briefjes van 50,00 heeft afgegeven, en zal de ontkennende verklaring van verdachte ten aanzien van dat punt terzijde schuiven. Dit betekent dat de rechtbank ook bewezen acht dat aangeefster [slachtoffer 1] is opgelicht voor een contant geldbedrag van 300,00.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
subsidiair
hij op 26 september 2025 en 2 oktober 2025 te [plaats ] en [plaats ] telkens tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] ( [adres] ) en [slachtoffer 2] ( [adres] ), heeft bewogen tot afgifte van sieraden en/of een contant geldbedrag en/of een portemonnee, door valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
telefonisch contact op te laten nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie,
tegen voornoemde personen te zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en dat sieraden en contant geld en andere waardevolle goederen verzekerd moesten worden en dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en dat voornoemde personen de voornoemde goederen klaar moesten leggen,
tegen voornoemde personen te laten zeggen dat hun dochters op het politiebureau zaten om te tekenen voor de zogenaamde verzekering,
naar de woning van voornoemde personen te gaan en zich tegenover voornoemde personen voor te doen als politieambtenaar, met behulp van een zogenaamd dienstnummer en
sieraden en/of contante geldbedragen en/of een portemonnee zogenaamd ter veiligstelling en/of om te wegen mee te nemen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Subsidiair medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 448 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 365 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden verbonden te worden zoals geadviseerd door de reclassering, ter voorkoming dat verdachte in de toekomst strafbare feiten pleegt en om hulp en begeleiding voor hem mogelijk te maken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de eis van de officier van justitie, gelet op de openheid van zaken die verdachte heeft gegeven en het feit dat hij zijn best doet om zich te onttrekken aan het criminele milieu waarin hij zich begaf. Zoals het nu lijkt, heeft verdachte een woning toegewezen gekregen in [plaats ] en zijn er geen nieuwe strafbare feiten door hem gepleegd, aldus de raadsman.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 18 maart 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting, door samen met anderen oudere mensen op te bellen, zich voor te doen als een politieagent en ze sieraden en geld afhandig te maken. Verdachte heeft telkens een grote rol van betekenis gespeeld, doordat hij de oplichtingshandelingen in de woningen uitvoerde en de sieraden en (eenmaal) het contante geld ophaalde. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij heeft bijgedragen aan deze vorm van oplichting, waarmee slachtoffers op een doortrapte en slinkse wijze sieraden en geld afhandig worden gemaakt.
Slachtoffers die naar het oordeel van de rechtbank niet willekeurig, maar op basis van hun (hoge) leeftijd en daarom grotere kwetsbaarheid werden uitgekozen.
Louter door het snelle optreden van de politie werden de afgegeven sieraden van [slachtoffer 2] dezelfde dag in beslag genomen en haar teruggegeven. Maar het slachtoffer [slachtoffer 1] is die voorwerpen kwijt. De gestolen sieraden hebben vaak een speciale en emotionele betekenis en zijn daarmee van onvervangbare waarde. [slachtoffer 1] heeft het over familiesieraden en haar trouwring. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij zich op geen enkel moment lijkt te hebben gerealiseerd welke gevolgen de door hem gepleegde feiten voor de slachtoffers hebben gehad. Verdachte heeft er niet alleen mede voor gezorgd dat aangever [slachtoffer 1] financiële schade heeft opgelopen, maar ook dat beide slachtoffers wantrouwend zijn geworden naar de medemens, instellingen en hulpverleners zoals de politie. De slachtoffers waren in de veronderstelling dat een agent hen kwam helpen in hun woningen, bij uitstek de plaats waar zij zich veilig zouden moeten kunnen voelen, maar werden zonder dat zij het doorhadden beroofd van hun dierbare en onvervangbare sieraden. De rechtbank vindt het stuitend dat verdachte heeft gehandeld vanuit zijn eigen behoefte aan geld, en zich kennelijk niets heeft aangetrokken van de financiële en emotionele schade waarmee hij de slachtoffers opzadelde. De rechtbank houdt daarnaast in strafmatigende zin rekening met het feit dat verdachte niet de initiator lijkt te zijn geweest en dat hij
verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Documentatie
De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 24 februari 2026, waaruit blijkt dat hij op 6 december 2024 is veroordeeld voor -onder andere- diefstal door middel van valse sleutels.
Persoon van verdachte
Uit het reclasseringsrapport van 18 maart 2026 blijkt onder meer dat het risico op recidive wordt ingeschat als hoog, omdat er instabiliteit is op diverse leefgebieden. Zijn psychosociaal functioneren lijkt bij te hebben gedragen aan het delictgedrag, en verdachte heeft vermoedelijk neurologische problemen, waardoor hij niet leert van fouten. In het verleden heeft verdachte geen medewerking verleend in het contact met de reclassering, maar momenteel staat hij daar wel open voor en dit is nogmaals door de raadsman ter terechtzitting bevestigd. De reclassering adviseert meerdere bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling met mogelijk kortdurende opname, ambulante begeleiding, dagbesteding, hulp bij het aflossen van schulden en hulp bij het beheersen van zijn middelengebruik. De rechtbank heeft van verdachte het beeld gekregen dat hij een man is op wie, in ieder geval de afgelopen periode, geen grip te krijgen is. Alhoewel hij ontvankelijk lijkt te zijn voor hulp, blijkt uit het reclasseringsrapport dat de politie sinds de start van het schorsingstoezicht op 24 december 2025 meerdere mutaties heeft ontvangen waarbij er steeds sprake was van een verdachte situatie. Bovendien is het de reclassering niet gelukt om daadwerkelijk met de schorsingsvoorwaarden aan de slag te gaan, omdat verdachte zei zijn leven elders te willen opbouwen, terwijl dat feitelijk niet van de grond kwam.
Hiernaast is verdachte, zonder een bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen waardoor hij één van de schorsingsvoorwaarden heeft overtreden. Concluderend ziet de rechtbank weinig meerwaarde in oplegging van bijzondere voorwaarden en hiertoe zal ook niet worden overgegaan.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat, in verband met een juiste normhandhaving en de aard van de gepleegde strafbare feiten, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 8 maanden passend en geboden is. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank ziet geen aanleiding om bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Ten slotte zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
Benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 8.245,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot volledige toewijzing van de vordering van [slachtoffer 1] , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente vanaf 26 september 2025. Ook dient de hoofdelijkheid toegepast te worden. Voor het ontbreken van een onderbouwing van de vordering is een redelijke verklaring door de benadeelde partij gegeven, aangezien zij heeft aangegeven dat de meegenomen goederen tussen de 40 en 100 jaar oud zijn en dat zij om die reden geen bewijsstukken meer kan overleggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wegens gebrek aan onderbouwing van de vordering. Er kan niet worden vastgesteld dat de sieraden die zijn meegenomen bij de oplichting dezelfde sieraden betreffen als die waarvan de benadeelde partij vergoeding heeft gevorderd. Daarbij komt dat onduidelijk en oncontroleerbaar is gebleven wat de huidige waarde is van de sieraden. Schorsing van het onderzoek zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de sieraden
Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder subsidiair bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de waarde van de sieraden (die de benadeelde partij bij de oplichting aan verdachte heeft afgegeven) te kunnen beoordelen. Er zijn bijvoorbeeld geen notas of fotos bijgevoegd. Er is volstaan met het noemen van de voorwerpen en een bijbehorend bedrag.
Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van dit gedeelte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal het deel van de vordering dat ziet op de sieraden daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van een geldbedrag van 300,00
Naar het oordeel van de rechtbank is wel voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij een gedeelte van de gevorderde materiële schade heeft geleden, te weten 300,00, en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank gaat uit van de verklaring van aangeefster dat zij is opgelicht voor een contant geldbedrag van 300,00.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien een medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 26 september 2025. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Parketnummer 02-232421-24
Bij onherroepelijk vonnis van 6 december 2024 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Middelburg, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 21 december 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 24 februari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Parketnummer 96-093394-24
Bij onherroepelijk vonnis van 25 november 2024 van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Middelburg, is verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 10 december 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 24 februari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Parketnummer 96-093442-24
Bij onherroepelijk vonnis van 16 september 2024 van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Middelburg, is verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 1 oktober 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 24 februari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging dienen te worden afgewezen, aangezien tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straffen geen rechtdoen aan het feit dat verdachte hulp en begeleiding nodig heeft (middels de geadviseerde bijzondere voorwaarden gedurende de voorgestelde proeftijd van 3 jaren).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging moeten worden afgewezen, aangezien tenuitvoerlegging geen meerwaarde zal hebben voor verdachte.
Oordeel van de rechtbank:
Veroordeelde heeft het bewezenverklaarde begaan gedurende de proeftijd van de voorwaardelijke opgelegde straffen onder parketnummers 02-232421-24, 96-093394-24 en 96-093442-24. De rechtbank zal telkens de tenuitvoerlegging daarvan gelasten. Mede gelet op het feit dat de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel aan verdachte zal opleggen met bijzondere voorwaarden, ziet de rechtbank geen aanleiding om van tenuitvoerlegging af te zien.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] , feit subsidiair:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:
het bedrag van 300,00 (zegge: driehonderd euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer 1] haar eigen proceskosten draagt.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 300,00 (zegge: driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat geheel uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 3 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 16 september 2024, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. O.F. Brouwer en mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door mr. S.J. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2026.
Mr. C.A.J. Tuinstra en mr. O.F. Brouwer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.