[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S. Plas, advocaat te Amsterdam.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 26 september 2025 en/of 2 oktober 2025 te [plaats] en/of [plaats], althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een geldbedrag en/of sieraden en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een of meer ander(en) toebehoorde(n), te weten
sieraden en/of een portemonnee en/of een contant geldbedrag ad 300,00 aan [slachtoffer 1] ( [adres] ) en/of
sieraden aan [slachtoffer 2] ( [adres] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, te weten door
( telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie,
tegen voornoemde perso(o)n(en) te (laten) zeggen dat de politie bezig was met een onderzoek naar diefstallen in de buurt en/of dat sieraden en/of contant geld en/of andere waardevolle goederen verzekerd moesten worden en/of dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij voornoemde personen en/of dat voornoemde personen de voornoemde goederen klaar moesten leggen,
tegen voornoemde perso(o)n(en) te (laten) zeggen dat haar/hun dochter op het politiebureau zat om te tekenen voor de (zogenaamde) verzekering,
medeverdachte naar de woning van voornoemde personen te laten gaan en/of zich tegenover voornoemde personen voor te laten doen als politieambtenaar, al dan niet met behulp van een (zogenaamd) dienstnummer en/of
sieraden en/of contante geldbedragen en/of andere waardevolle goederen (zogenaamd) ter veiligstelling en/of om te wegen mee te laten nemen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 september 2025 en/of 2 oktober 2025 te [plaats] en/of [plaats], althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander, wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] ( [adres] ) en/of [slachtoffer 2] ( [adres] ), heeft bewogen tot afgifte van sieraden en/of een contant geldbedrag en/of een portemonnee, althans enig goed, door valselijk en/of listiglijk en/of
bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
( telefonisch) contact op te (laten) nemen met voornoemde personen, daarbij gebruikmakend van verdachtes en/of medeverdachtes valse hoedanigheid van medewerker van de politie,
tegen voornoemde perso(o)n(en) te (laten) zeggen dat de politie bezig was met een
onderzoek naar diefstallen in de buurt en/of dat sieraden en/of contant geld en/of andere waardevolle goederen verzekerd moesten worden en/of dat daartoe een politieambtenaar langs zou komen bij
voornoemde personen en/of dat voornoemde personen de voornoemde goederen klaar moesten leggen,
tegen voornoemde perso(o)n(en) te (laten) zeggen dat haar/hun dochter op het politiebureau zat om te tekenen voor de (zogenaamde) verzekering,
medeverdachte naar de woning van voornoemde personen te laten gaan en/of zich tegenover voornoemde personen voor te laten doen als politieambtenaar, al dan niet met behulp van een (zogenaamd) dienstnummer en/of
sieraden en/of contante geldbedragen en/of andere waardevolle goederen (zogenaamd) ter veiligstelling en/of om te wegen mee te laten nemen;
2.
hij op of omstreeks 24 november 2025 te Nieuwegein meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten amfetamine en/of MDMA aanwezig heeft gehad.
Overwegingen
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van feit 1, aangeefster [slachtoffer 1]
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat betrokkenheid van verdachte kan worden afgeleid uit de aangifte van [slachtoffer 1] , het proces-verbaal waarin de telefoons van verdachte zijn onderzocht, het proces-verbaal inhoudende onderzoek naar de historische gegevens van het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte] (de vader van verdachte) en het proces-verbaal waaruit blijkt dat de nepagent/beller gebruik maakte van een telefoonmast in de woonplaats van verdachte (Nieuwegein). Ook dient gebruik te worden gemaakt van schakelbewijs, aangezien de feitelijke gang van zaken overeenkomt. De modus operandi komt exact overeen, aangezien in beide zaken een kwetsbaar slachtoffer werd opgebeld met dezelfde smoes waarbij de naam [naam] werd gebruikt. Ook was de aard van de buit en de wijze waarop deze werd opgehaald hetzelfde.
De goederen werden door [medeverdachte] opgehaald bij de aangeefsters en daarnaast komen de historische belgegevens van de telefoons van de beller en de telefoon in gebruik bij verdachte overeen. De alternatieve verklaring van verdachte over het contact met [medeverdachte] rondom de tijdstippen van de oplichtingen is ongeloofwaardig. Tevens kan medeplegen bewezen worden, aangezien de samenwerking met de medeverdachten in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.
Ten aanzien van feit 1, aangeefster [slachtoffer 2]
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Hij heeft ook hier verwezen naar de mastgegevens alsmede de verklaring van [medeverdachte] waarin hij aangeeft dat de verdachte hem gevraagd heeft om in [plaats] langs te gaan om spulletjes op te halen.
Ten aanzien van feit 2
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor dit feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de aanwezigheid van de verdovende middelen in zijn woning. Hij had hier ook beschikkingsmacht over, aangezien verdachte in de woning verbleef en de verdovende middelen in een tas in zijn slaapkamer en in bakjes in de vriezer zijn aangetroffen. De verdovende middelen zijn positief getest op MDMA en amfetamine. Bovendien heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij gebruik maakte van soortgelijke bakjes als waarin een deel van de verdovende middelen
in de vriezer is aangetroffen.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1, aangeefster [slachtoffer 1]
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van dit feit.
Ten aanzien van feit 1, aangeefster [slachtoffer 2]
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van dit feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat betrokkenheid van verdachte niet uit het dossier kan worden afgeleid. Ten eerste kan het veelvuldige telefonische contact tussen verdachte en [medeverdachte] niet als redengevend bewijs worden beschouwd. De politie heeft enkel telecomgegevens van de periode op en rondom de dag waarop de oplichting zou hebben plaatsgevonden opgenomen in het dossier en bovendien blijkt uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte dat zij altijd veelvuldig (bel)contact met elkaar hebben. Hiernaast blijkt dat het toestel van het telefoonnummer waar de aangeefster mee is gebeld aanstraalde in de buurt van [plaats] en [plaats] . Dit is zeer onbepaald en deze gegevens kunnen niet als bewijsmiddel dienen voor de betrokkenheid van verdachte (vanwege het enkele feit dat [plaats] naast de woonplaats van verdachte ( [plaats] ) ligt). Ook kan de belastende verklaring van [medeverdachte] niet worden gebruikt voor het bewijs, aangezien deze niet betrouwbaar dient te worden geacht nu hij meerdere wisselende verklaringen heeft afgelegd.
Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verdachte wel betrokken is bij het feit, dan kan op basis van de bewijsmiddelen in het dossier niet tot de conclusie worden gekomen dat verdachte een voor medeplegen vereiste bijdrage aan het delict heeft geleverd. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte aangeefster heeft gebeld, dat hij bij de woning is langsgegaan of dat hij de sieraden in zijn bezit heeft gehad dan wel in ontvangst heeft genomen. Ook is de inhoud van het telefonische contact tussen hem en de medeverdachte onduidelijk gebleven, waardoor de exacte rol van verdachte niet kan worden vastgesteld.
Ten aanzien van feit 2
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van dit feit.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1, aangeefster [slachtoffer 1]
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte hiervan partieel zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Uit het dossier blijkt dat aangeefster heeft verklaard dat zij op 26 september 2025 omstreeks 18:30 uur de deurbel hoorde gaan en dat de man aan wie zij haar sieraden afgaf omstreeks 18:40 uur de woning verliet. Op basis van historische gesprekgegevens tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op 26 september 2025 blijkt dat verdachte tussen 17:37 uur en 17:58 uur in totaal 17 keer heeft gebeld naar het telefoonnummer van [medeverdachte] (+ [telefoonnummer 1] ). Dit betekent dat er ruim 40 minuten heeft gezeten tussen het laatste telefonische contactmoment tussen hen en het tijdstip waarop [medeverdachte] met de sieraden de woning verliet. Mede gelet hierop acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat verdachte betrokken is geweest bij de oplichting. Daarbij komt dat het enkele gegeven, dat bij het bellen van aangeefster [slachtoffer 1] gebruik is gemaakt van een telefoon die een zendmast in [plaats] aanstraalde, niet zonder meer betekent dat verdachte de beller is geweest omdat hij in [plaats] woonachtig is.
De essentiële kenmerken van de werkwijze in deze zaken, de modus operandi, die de officier van justitie betrekt in zijn bewijsredenering, zijn te algemeen en te weinig onderscheidend om mede op grond daarvan de betrokkenheid van verdachte in de zaak van aangeefster [slachtoffer 1] aan te kunnen nemen. In het hele land worden mensen, voornamelijk kwetsbare ouderen, op vergelijkbare wijze opgelicht en is de aard van de beoogde buit hetzelfde. Het feit dat in beide aangiftes dezelfde naam, [naam] , wordt genoemd doet daar niet aan af. Er valt uit dit dossier niet op te maken dat een vaste groep personen zich schuldig maakt aan oplichting, waarbij ieder lid van die groep een vaste rol heeft. Meer in het bijzonder staat voor de rechtbank onvoldoende vast dat verdachte de ronselaar van de groep is, die de haler levert. Het enkele feit dat de rechtbank in de zaak van [medeverdachte] bewezen acht dat hij in beide gevallen van oplichting de haler is geweest, is in dat verband onvoldoende.
Concluderend spreekt de rechtbank verdachte ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 1] partieel vrij voor het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.
Ten aanzien van feit 1, aangeefster [slachtoffer 2]
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht niet bewezen wat verdachte primair is ten laste gelegd. Wel acht zij het subsidiair tenlastegelegde met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 2] bewezen en past de volgende bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Aangeefster [slachtoffer 2] , wonende aan [adres] , heeft verklaard dat zij op 2 oktober 2025, omstreeks 16:00 uur, werd gebeld door iemand die zich voorstelde als politiemedewerker. Aan aangeefster werd verteld dat er een auto was gevonden met inbrekerswerktuigen en dat het adres van onder andere haar woning in een envelop zat. Ook zouden er al twee mannen zijn opgepakt. Er zou iemand van de politie bij haar huis langskomen, genaamd [naam] met dienstnummer [nummer] . Ook zou de dochter van aangeefster naar het politiebureau komen om te tekenen voor een verzekering van de sieraden.2 Omstreeks 16:30 uur ging de deurbel en stond een man voor de deur die zich voorstelde als [naam] . De zogenaamde politiemedewerker aan de telefoon vroeg aangeefster haar sieraden op tafel uit te stallen.
Van haar sieraden werden vervolgens fotos gemaakt en op verzoek van de zogenaamde politiemedewerker [naam] heeft aangeefster haar sieraden in een doosje gedaan en aan de man meegegeven.3
Uit onderzochte data is gebleken dat aangeefster [slachtoffer 2] op 2 oktober 2025 om 15:42 uur is gebeld en dat het gesprek 1 uur en 27 minuten heeft geduurd.4
Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 2 oktober 2025 werd gebeld met de vraag of hij bij iemand iets wilde ophalen. Hij is vervolgens naar het adres gegaan en de mevrouw van het adres heeft sieraden aan hem meegegeven.5 [medeverdachte] heeft verklaard dat zijn zoon, verdachte, de persoon is geweest die hem heeft gevraagd of hij ergens langs wilde gaan.6 Verdachte had met [medeverdachte] afgesproken dat de sieraden van dat adres op een parkeerplaats in Wolvega zouden worden opgehaald.7
Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte] de gebruiker was van een Oppo telefoon, met daaraan gekoppeld het telefoonnummer + [telefoonnummer 2] . Op 2 oktober 2025 om 17:13 uur heeft er een videogesprek van 53 seconden via Whatsapp plaatsgevonden met telefoonnummer + [telefoonnummer
1] .8 Verdachte heeft verklaard dat hij de gebruiker was van dit telefoonnummer.9 Ook blijkt uit onderzoek dat [medeverdachte] gebruik maakte van een iPhone 12 met telefoonnummer + [telefoonnummer 3] , en dat hij op 2 oktober 2025 om 15:39 uur naar verdachte heeft gestuurd dat de Iphone het bel nummer is. Vervolgens vinden er om 15:54 uur kortdurende uitgaande telefoongesprekken plaats naar het nummer van verdachte.10
Overwegingen
Betrouwbaarheid verklaring medeverdachte [medeverdachte]
Anders dan het betoog van de raadsvrouw ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte] , aangezien deze gedetailleerd is en wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. [medeverdachte] kent verdachte persoonlijk vanuit zijn familiaire band en zegt dat het verdachte is geweest die hem één keer heeft gevraagd om iets op te halen bij een woning. [medeverdachte] heeft beide aan hem tenlastegelegde oplichtingen bekend en heeft dus niet alleen over verdachtes rol maar ook over zijn eigen rol belastend verklaard. Daarnaast overweegt de rechtbank dat [medeverdachte] ook niet alles in de schoenen van zijn zoon heeft willen schuiven, omdat hij expliciet heeft aangegeven dat verdachte enkel bij de oplichting in [plaats] betrokken is geweest en dat verdachte niet de beller is geweest. De rechtbank ziet ook in het dossier geen aanleiding om te vermoeden dat [medeverdachte] zomaar en zonder aanleiding zijn zoon onterecht bij de oplichting heeft betrokken.
Hiernaast vindt de verklaring van [medeverdachte] steun in de resultaten van het onderzoek naar de telefoongegevens van beide verdachten, waaruit blijkt dat zij veelvuldig contact hebben op 2 oktober 2025 rondom het tijdstip waarop aangeefster werd opgelicht. Om 15:42 uur werd aangeefster gebeld en dit gesprek heeft bijna anderhalf uur geduurd. Om 17:13 uur, kort nadat [medeverdachte] de woning van aangeefster had verlaten met de sieraden, hebben verdachte en [medeverdachte] een telefoongesprek van 53 seconden gevoerd. Ook blijkt dat er om 15:39 uur contact tussen beiden heeft plaatsgevonden, enkele minuten voorafgaand aan het moment dat aangeefster werd gebeld. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het contact tussen hen rondom het tijdstip van de oplichting ging over de oplichting van aangeefster en dat verdachte wist wat er ging gebeuren.
Medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Uit hetgeen uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een organisatorische rol heeft vervuld in de voorbereiding en uitvoering van het delict. Hij heeft [medeverdachte] geïnstrueerd om naar Friesland te gaan om bij een adres sieraden op te halen. Ook heeft hij aan hem doorgegeven dat de sieraden daarna naar een parkeerplaats in Wolvega gebracht moesten worden, omdat deze dan door andere personen zouden worden opgehaald.
In oplichtingszaken zoals deze is het van belang dat alle verdachten op het juiste moment acteren. Er wordt informatie over het slachtoffer verzameld (in deze zaak zelfs de naam van haar dochter) en er wordt een oplichtingsverhaal bedacht en afgestemd. Iedereen in de schakel moet hetzelfde verhaal vertellen. Er wordt contact gelegd met het beoogde slachtoffer, vervolgens moet op het goede moment aangebeld worden door een andere verdachte, die op de hoogte is van de werkwijze, en tegelijkertijd moet voorkomen worden dat het slachtoffer argwaan krijgt. Ook dient er afstemming plaats te vinden over het ophalen en de verdeling van de (beoogde) buit. Met andere woorden, er is sprake van een samenwerkingsverband waarbij geldt dat ieders aandeel een belangrijke en noodzakelijke schakel vormt voor het volbrengen van het feit. Gelet op de rol van verdachte, bestaande uit zowel het zorgen voor een haler, het doorgeven van het adres van het beoogde slachtoffer aan deze haler als van de plek waar de sieraden daarna moesten worden opgehaald, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een cruciale rol heeft vervuld.
Voornoemde omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, maken dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan de oplichting. Naar het oordeel van de rechtbank dient verdachte dan ook te worden aangemerkt als medepleger.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan oplichting. De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Ten aanzien van feit 2
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Voor de bewezenverklaring van aanwezig hebben is nodig dat verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarvoor moet de verdachte op zn minst de aanmerkelijke kans bewust hebben aanvaard dat de middelen in zijn machtssfeer aanwezig zijn geweest.
Door de verdediging is betoogd dat verdachte niet wist, noch bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in zijn vriezer en in een tas in zijn slaapkamer verdovende middelen aanwezig waren. Gelet op het dossier en hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd, is gebleken dat er meerdere personen wel eens langskwamen of tijdelijk in de woning verbleven. Tijdens de aanhouding van verdachte werd hij samen
met een andere man in bed aangetroffen. Deze persoon stond ook ingeschreven op het adres en is aangemerkt als verdachte, maar tot op heden is hij niet bevraagd door de politie over de verdovende middelen in de woning. Daarnaast is onduidelijk gebleven hoelang de verdovende middelen al in de woning lagen en op welke exacte locaties de rugzak en de bakjes in de vriezer werden aangetroffen. Het dossier bevat hier geen informatie over en de verbalisanten hebben bij de aanhouding van verdachte geen fotos gemaakt die daar uitsluitsel over hadden kunnen geven.
Naast de enkele vaststelling dat de drugs in de woning van verdachte zijn aangetroffen, bevindt zich geen bewijs in het dossier dat verdachte in verband brengt met het ten laste gelegde. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte met betrekking tot de aanwezigheid van de verdovende middelen, gelet op wat daartoe is aangevoerd, niet onwaarschijnlijk. De verklaring van verdachte wordt niet dan wel onvoldoende weerlegd door andere uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden.
Concluderend betekent dit dat niet kan worden bewezen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de amfetamine en de MDMA in zijn woning, zodat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor duur van 18 maanden, met aftrek van het voorarrest. Gelet op het advies van de reclassering en de houding van verdachte is er geen reden om bijzondere voorwaarden te vorderen.
Standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsvrouw bepleit een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, met hiernaast eventueel een voorwaardelijk strafdeel met daarbij bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht en ambulante behandeling.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 25 februari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting, door samen met anderen een oudere vrouw op te lichten en haar sieraden afhandig te maken. Verdachte heeft een grote rol van betekenis gespeeld, aangezien hij de medeverdachte heeft ingeschakeld als haler, instructies aan de medeverdachte heeft gegeven over waar de sieraden moesten worden opgehaald en daarna naar toe moesten worden gebracht. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij heeft bijgedragen aan deze vorm van oplichting waarbij op doortrapte en slinkse wijze sieraden afhandig worden gemaakt van slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het hele land slachtoffers, net als de
mevrouw in onderhavige zaak, niet willekeurig maar op basis van hun (hoge) leeftijd en daarom grotere kwetsbaarheid worden uitgekozen. Louter door het snelle optreden van de politie werden de afgegeven sieraden van [slachtoffer 2] dezelfde dag in beslag genomen en haar teruggegeven. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich op geen enkel moment lijkt te hebben gerealiseerd welke gevolgen het door hem gepleegde feit voor het slachtoffer heeft gehad. Het slachtoffer was in de veronderstelling dat een agent haar kwam helpen in haar woning, bij uitstek de plaats waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen, maar werd zonder dat zij het doorhad beroofd van haar dierbare en onvervangbare sieraden. De rechtbank vindt het stuitend dat verdachte heeft gehandeld vanuit zijn eigen behoefte aan geld.
Documentatie
De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 12 maart 2026, waaruit blijkt dat hij op 18 januari 2024 is veroordeeld voor het medeplegen van poging tot oplichting.
Persoon van verdachte
Uit het reclasseringsrapport van 25 februari 2026 blijkt dat verdachte aan geen enkele vorm van reclasseringsbemoeienis wil meewerken. De risicos kunnen niet worden ingeschat en er worden geen bijzondere voorwaarden geadviseerd. Ter zitting heeft verdachte opgemerkt dat hij graag hulp krijgt bij het verwerken van gebeurtenissen uit het verleden, maar dat hij dat ook zelfstandig kan regelen via de huisarts. Daarnaast zit hij in de afrondende fase van zijn opleiding tot persoonlijk begeleider maatschappelijke zorg en heeft hij een dochter van drie jaar oud. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden aan verdachte en hiertoe zal ook niet worden overgegaan.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving en de aard van het gepleegde strafbare feit niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank legt een lagere straf op dan is geëist door de officier van justitie, grotendeels om de reden dat de rechtbank niet bewezen acht hetgeen aan verdachte onder feit 1 (aangeefster [slachtoffer 1] ) en feit 2 ten laste is gelegd.
Tot slot wordt het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.