[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 mei 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Leeuwarden opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in (de richting van) de borst(streek) en/of buik(streek), althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 1] te steken en/of snijden;
2.
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] , van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in (de richting van) de buik(streek), althans het (boven)lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet ivoltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in (de richting van) de buik(streek), althans het
(boven)lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Overwegingen
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Het scenario van verdachte dat beide slachtoffers in het mes zijn gelopen en dat hij niet heeft gestoken is, gelet op het aangetroffen letsel, als ongeloofwaardig te beschouwen. Ook wordt dit scenario ontkracht door hetgeen verdachte in de Telio-gesprekken heeft gezegd. Ter zitting is verdachte met nieuwe informatie gekomen en heeft verklaard dat hij het mes naast zich bij de heup heeft gehouden. Deze belangrijke informatie kan op geen enkele manier meer worden onderzocht en lijkt, gelet op de plek van de letsels, lichamelijk gezien onwaarschijnlijk.
De ongeloofwaardigheid van de verklaring van verdachte wordt versterkt door de wisselende verklaringen over waar het mes is gebleven, de situatie rondom zijn werk en zijn strafblad in Griekenland.
Dit maakt dat er maar één ander scenario overblijft en dat is dat verdachte de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beide meermalen bewust met een mes heeft gestoken, waardoor [slachtoffer 1] uiteindelijk is komen te overlijden.
De steekwonden in het bovenlichaam van [slachtoffer 1] bevinden zich op de plekken in het bovenlichaam die, als daar wordt gestoken, een aanmerkelijk kans op de dood in het leven roepen. Ook zijn de wonden volgens het medisch verslag vergelijkbaar aan elkaar. Dit duidt op het meermalen met dezelfde kracht en
dezelfde wijze steken in het bovenlichaam. Van contra-indicaties van opzet op de dood is niet gebleken. Op basis hiervan heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk doden van [slachtoffer 1] .
Voor het slachtoffer [slachtoffer 2] geldt dat verdachte hem meermalen in de buik heeft gestoken. Door meermalen in de buik in de buurt van vitale lichaamsdelen met een mes te steken heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] om het leven zou komen, zodat poging tot doodslag kan worden bewezen. Daarnaast geldt dat de steekwonden van [slachtoffer 1] duiden op enige kracht en deze hebben tot de dood geleid. Hierdoor is te betogen dat verdachte op hetzelfde moment en binnen dezelfde handeling ook tweemaal in de buik van [slachtoffer 2] heeft gestoken, waardoor ook in die situatie eveneens sprake is geweest van opzet op de dood.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Verdachte heeft geen actieve stekende beweging met het mes gemaakt, maar het mes dicht bij zijn lichaam gehouden. Desondanks zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegen het mes gekomen. Er is sprake van een noodlottig ongeval waarbij verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De verklaring van verdachte is betrouwbaar. Hij heeft in zijn eerste twee verhoren bij de politie al kort aangegeven dat hij is aangevallen en zich heeft verdedigd. Hij heeft in een vroeg stadium in dit onderzoek uitgelegd dat hij een mes heeft gehanteerd, hoe hij het mes heeft vastgehouden en dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegen het mes zijn aangelopen en hem aanvielen. Verdachte is de Nederlandse taal niet machtig, kent de rechtsregels in Nederland niet en werd geconfronteerd met de dood van iemand.
Hierdoor was hij in shock. Bovendien heeft hij de eerste twee dagen op het politiebureau niet tot nauwelijks tijd gekregen om overleg te voeren met zijn advocaat. Dit maakt dat hij zich niet comfortabel voelde om het volledige verhaal te vertellen, maar dit maakt zijn verklaring niet tegenstrijdig of onaannemelijk. Bij de rechter-commissaris heeft hij alle vragen beantwoord en heeft hij uitgelegd hoe hij zich heeft verdedigd. In het verhoor van 23 oktober 2025 bij de politie heeft hij verder uitgelegd, zoals hij ook ter zitting heeft gedaan, dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op of in het mes zijn gekomen. Dat hij vandaag pas vertelt hoe hij zijn arm heeft gehouden is niet vreemd, want hierover heeft de politie hem niet specifiek bevraagd. Verdachte heeft de afgelopen maanden de tijd genomen om de zaken goed te plaatsen en op een rijtje te zetten. Hij heeft ter zitting zo goed mogelijk alle details die hij zich kan herinneren verklaard en dit komt rechtstreeks uit zijn eigen herinnering en is niet achteraf geconstrueerd.
De verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen tegen het mes zijn gelopen/gevallen zou bedenkingen kunnen geven, maar door hun met name extreme alcoholgebruik kan worden verklaard waarom [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermaals op het mes liepen zonder dat zij er iets van voelden.
De verklaring van verdachte wordt onderbouwd door het forensisch letselrapport waaruit blijkt dat de steekdiepte van de wonden van [slachtoffer 1] minimaal 4 centimeter zijn. Hierdoor kan hooguit een diepte van 4 centimeter worden vastgesteld. Dit wijst niet op het met kracht steken met een mes. De steekwonden zouden dan veel dieper zijn geweest. Hetzelfde geldt voor de wonden van [slachtoffer 2] . Hiervan is de diepte niet vastgesteld, maar geconcludeerd kan worden dat sprake is van een huiddoorklieving en er kan geen onderscheid worden gemaakt tussen een snijwond of een steekwond.
Ook de Telio-gesprekken geven geen weerlegging van de verklaring van verdachte. Deze kunnen op verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Het woord steken kan ook betekenen dat je iemand met een mes raakt zonder dat je actief een beweging maakt. Ze geven zelfs een sterke contra-indicatie voor het opzet, want hieruit blijkt dat verdachte de woning heeft verlaten omdat hij wilde voorkomen dat hij iemand zou vermoorden.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, in het geval de rechtbank van oordeel is dat verdachte stekende bewegingen met het mes heeft gemaakt, verdachte ook in dat geval van het onder 2. primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Het dossier geeft onvoldoende duidelijkheid over de verwondingen van [slachtoffer 2] en het mes dat is gebruikt, waardoor niets over de diepte van de verwondingen en of ze potentieel dodelijk of zwaar lichamelijk letsel op kunnen leveren kan worden vastgesteld.
De bewijsmiddelen en overwegingen omtrent het bewijs
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.
Op 12 oktober 2025 in Leeuwarden, was verdachte samen met [slachtoffer 1] en een persoon, waarvan hij later heeft vernomen dat hij [slachtoffer 2] heet, in de keuken van de woning aan [adres] , waar hij en [slachtoffer 1] op dat moment woonden, aanwezig. Ze hadden onenigheid over de afwas. Verdachte heeft toen een mes van het aanrecht gepakt. Het mes had een lemmet van ongeveer 6 tot 8 centimeter lang en was puntig en scherp.2 Verdachte heeft in een telefoongesprek met zijn broer verteld dat hij ze vervolgens heeft gestoken3 en in een telefoongesprek met [naam 1] , dat ook over deze gebeurtenis ging, heeft hij gezegd dat in een fractie van een seconde ieder er twee heeft gehad.4
Verbalisant [verbalisant] was op 12 oktober 2025 op [adres] . Ze zag één persoon bebloed op de grond liggen. Ze zag dat de persoon buiten bewustzijn was. Uit onderzoek bleek later dat dit om [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1997, ging. Ze zag naast het slachtoffer een man staan. Hij had een ontbloot bovenlichaam. Ze zag dat de man op zijn buik twee diepe wonden had. Ze zag dat één wond, gelijkend op een messteek ongeveer 7 centimeter boven zijn navel zat. Ze zag dat de andere wond vier centimeter boven de andere wond zat. Het bloed stroomde eruit. Deze man bleek later [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1982, te zijn.5 Volgens [slachtoffer 2] was hij samen met [slachtoffer 1] en een donkere man in de keuken. Hij is tweemaal door de donkere man met een mes in zijn buik gestoken, maar heeft dit op dat moment niet gemerkt.6 De chirurg heeft [slachtoffer 2] op 12 oktober 2025 onderzocht en hij heeft twee steekwonden in zijn buikwand waargenomen. Hij heeft tevens een kijkoperatie uitgevoerd, omdat er een vermoeden was van niet uitwendig waarneembaar letsel en inwendig bloedverlies.7
[verbalisant] heeft samen met een collega [slachtoffer 1] gereanimeerd. De medewerkers van de traumahelikopter hebben de borstkast opengehaald en daar nog medische handelingen uitgevoerd. Ze hoorde vervolgens dat [slachtoffer 1] was overleden.8
Op 14 oktober 2025 werd er een gerechtelijke sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer 1] door een forensisch patholoog. De conclusie is dat het intreden van de dood wordt verklaard door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend en snijdend geweld, namelijk één steekletsel in de borst links. Dat heeft geleid tot onder andere perforatie van de linkerborstholte, het hart en de linkerlong,
hetgeen doorgaans leidt tot substantieel bloedverlies en algehele weefselschade, functiestoornissen/uitval van de ademhaling en linkerlong. Intensief medisch handelen was vruchteloos en de dood trad kort daarna in. De steekkanaaldiepte van het letsel was tenminste 4 centimeter. Vanwege het ontbreken van vaste, niet verplaatsbare, meetpunten in de diepte was het maximale steekkanaal qua diepte niet vast te stellen.
Het andere steekletsel, in de buik, heeft geen wezenlijke rol van betekenis gespeeld bij het overlijden. De dunne darm was oppervlakkig geraakt. De steekkanaaldiepte van het letsel was circa vier centimeter.9
Alternatief scenario
De verdediging heeft ter zitting een alternatief scenario geschetst en nader toegelicht. Kort gezegd komt dit scenario er op neer dat beide slachtoffers, tot tweemaal toe, op vier verschillende momenten na elkaar, in het mes zijn gelopen of gevallen tijdens hun aanvallen op verdachte, terwijl verdachte dit mes horizontaal ter hoogte van zijn middel, iets boven zijn rechterheup, tegen zijn lichaam gedrukt hield en de punt van het lemmet naar voren wees.
De rechtbank stelt vast dat dit scenario op essentiële onderdelen niet consistent is met de eerdere verklaringen van verdachte ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris. Zo heeft verdachte ter zitting voor het eerst verklaard dat hij een schrapend geluid hoorde op het moment dat [slachtoffer 1] met zijn hand in de gootsteen reikte en dat hij er 100% zeker van is dat dit geluid afkomstig was van een in de gootsteen gelegen mes. Ook de verklaring dat verdachte gedurende de confrontatie met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] het mes steeds stijf tegen zijn lichaam heeft gehouden is ter zitting voor het eerst naar voren gebracht. Daarnaast zijn ook de eerdere verklaringen van verdachte op wezenlijke punten niet eensluidend geweest. Bijvoorbeeld over de afstand tussen verdachte en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de keuken (op armlengte of juist klem tussen beiden), het al dan niet bewegen van de slachtoffers (op welk moment, op welke plek en in welke richting) en zijn eigen gedragingen (het mes alleen getoond, heen en weer bewegen met het mes vooruit, afhouden/afweren, duwen, bij de keel pakken van een slachtoffer) lopen de verklaringen van verdachte uiteen en vinden deze verklaringen geen steun in de overige bewijsmiddelen. Dit geldt tot slot in het bijzonder voor de bij de slachtoffers aangetroffen letsels en de plaatsen op het lichaam waar deze zijn aangetroffen, in relatie tot verdachtes laatste verklaring over de plaats en wijze waarop hij het mes steeds zou hebben vastgehouden.
De rechtbank schuift dit alternatief scenario dan ook als ongeloofwaardig en niet aannemelijk geworden terzijde.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verdachte bewust [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] elk twee keer met een mes heeft gestoken.
(Voorwaardelijk) opzet op de dood
Aan verdachte is onder 1. doodslag van [slachtoffer 1] en onder 2. primair poging tot doodslag van [slachtoffer 2] ten laste gelegd.
Verdachte ontkent dat hij het opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Aldus zal moeten worden beoordeeld of er sprake kan zijn geweest van (voorwaardelijk) opzet op deze gevolgen.
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om vast te stellen dat verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op bepaalde gevolgen -zoals hier het overlijden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - aanwezig is, indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze gevolgen zullen intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte in een kleine ruimte, namelijk de keuken van een woning, tijdens een schermutseling in zeer korte tijd [slachtoffer 1] met een mes in zijn linkerborst en in zijn buik heeft gestoken en [slachtoffer 2] met een mes tweemaal in zijn bovenlichaam, boven zijn navel, heeft gestoken. Verdachte stak met een puntig en scherp mes met een lemmet van 6 tot 8 centimeter lang. Beide steken in het lichaam van [slachtoffer 1] waren minimaal 4 centimeter diep. [slachtoffer 1] is door de steekwond in zijn borststreek komen te overlijden. Door de steek is zijn hart en linkerlong geraakt. [slachtoffer 2] moest een kijkoperatie ondergaan, omdat er een vermoeden was van inwendig bloedverlies en letsel.
Het is een feit van algemene bekendheid dat in het bovenlichaam meerdere vitale organen aanwezig zijn. Door meerdere malen met een scherp mes van enige omvang onbeheerst in het bovenlichaam van een persoon te steken, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans dat één of meerdere van deze organen zodanig wordt of worden geraakt dat daardoor een aanmerkelijke kans is dat het slachtoffer hierdoor komt te overlijden. Dat is ook in deze zaak gebleken. [slachtoffer 1] is door een van de messteken in zijn hart en linkerlong geraakt en is daardoor komen te overlijden. [slachtoffer 2] is ook zodanig meermalen in zijn bovenlichaam gestoken dat de chirurg een vermoeden had van interne bloedingen en letsel. De rechtbank is van oordeel dat door het meermalen in zeer korte tijd steken met een mes in de bovenlichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de letsels van de slachtoffers in juridische zin inwisselbaar zijn. Er is sprake geweest van een aanmerkelijk kans dat [slachtoffer 2] ook zodanig letsel zou oplopen dat hij de persoon was geweest die was komen te overlijden.
De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor beschreven gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat degene die deze gedragingen heeft verricht willens en wetens de aanmerkelijke kans op de gevolgen bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen die op het tegendeel wijzen is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht doodslag van [slachtoffer 1] en poging tot doodslag van [slachtoffer 2] dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer
Standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. De raadsman heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen zijn lichaam waartegen hij genoodzaakt was zich te verdedigingen.
Daartoe heeft de raadsman de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Verdachte zag zich plotseling geconfronteerd met een overmacht en kon geen kant meer op. Links van hem stond [slachtoffer 1] en rechts van hem stond [slachtoffer 2] . Een boom van een kerel en kilos zwaarder dan verdachte.
Beiden waren zwaar onder invloed. Verdachte wist niet wat hij van ze kon verwachten en kreeg onverwacht een klap tegen zijn kaak. Net voordat [slachtoffer 1] het mes uit de gootsteen had gepakt, maar al wel in zijn hand had, heeft verdachte het mes uit het droogrek gepakt. Er was daarom sprake van een onmiddellijk, dreigend gevaar, zeker gelet op de benarde positie waarin verdachte zich bevond en deze situatie bleef voortduren. Zelfs nadat ze waren geraakt met het mes bleven ze verdachte aanvallen. Deze gemoedstoestand leverde extra gevaar op voor verdachte. Verdachte is bij de eerste mogelijkheid de woning uit gevlucht en heeft proportioneel gehandeld.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd, in het geval de grenzen van een noodweersituatie zijn overschreden, dat sprake is van noodweerexces.
Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het aannemelijk is dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door de aanranding en dat hij de verweten gedraging heeft verricht als onmiddellijk gevolg van die hevige gemoedsbeweging, waarbij de gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Verdachte was angstig en vreesde voor zijn leven en heeft in paniek gehandeld.
Meer subsidiair heeft de raadsman een beroep op putatief noodweer gedaan.
Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte concreet heeft verklaard waarom hij dacht en zich had ingebeeld dat [slachtoffer 1] hem met een mes zou aanvallen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen, omdat de feitelijke toedracht voor een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Wanneer de aanranding is geëindigd, is een beroep op noodweer niet (meer) mogelijk.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk zijn geworden. De rechtbank heeft hiervoor, ten aanzien van het bewijs, overwogen dat de verklaring van verdachte inhoudende het alternatief scenario dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] tot tweemaal toe in of tegen het mes zijn gevallen niet geloofwaardig en niet aannemelijk is geworden.
In het verlengde daarvan overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank stelt vast dat de oorzaak van het conflict tussen verdachte en de slachtoffers moet worden gevonden in een ruzie over de afwas. Niet is gebleken dat de slachtoffers op enig moment in het conflict verdachte verbaal hebben bedreigd. Verdachte verklaart daar niet over. Evenmin is aannemelijk geworden dat zij verdachte fysiek hebben bedreigd of aangevallen. Van enig letsel bij verdachte, hetgeen in diens scenario mogelijk zou zijn te verwachten, is ook niet gebleken. Dat verdachte daarvoor mogelijk een klap op zijn kin heeft gehad of dat hij bij zijn arm zou zijn vastgepakt doet daaraan niet af. Deze (gestelde) aanrandingen waren immers al geëindigd. Tot slot vindt de door verdachte beschreven feitelijke toedracht aangaande het grijpen naar en zelfs ter hand hebben van een in de gootsteen gelegen mes door [slachtoffer 1] , geen steun in het bewijs. De door de politie aangetroffen en gefotografeerde situatie van pannen en messen in de gootsteen, komt overeen met de situatie zoals verdachte die heeft beschreven ter zake het moment voorafgaand van het conflict, namelijk het moment dat hij klaar was met koken en zijn (braad)pan in de gootsteen zette.
Hieruit volgt dat de beide messen in de gootsteen nog altijd onder de twee pannen lagen. Ook verdachte zelf heeft verklaard geen mes bij [slachtoffer 1] te hebben gezien. Uit de verklaring van verdachte ter zitting volgt bovendien dat hij, verdachte, al een mes vast had voordat mogelijk [slachtoffer 1] een mes had gepakt.
Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank de feitelijke toedracht zoals die door de verdediging is geschetst niet aannemelijk geworden. Daarmee is de gestelde (dreiging van een) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding evenmin aannemelijk geworden. Ook zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan verdachte redelijkerwijze (maar achteraf: ten onrechte) kon én mocht menen dat sprake was van zon ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen hij zich (met een mes) moest verdedigen. Om die reden komt aan verdachte geen geslaagd beroep op noodweer, noodweerexces of putatief noodweer toe. De verweren worden dan ook verworpen.
Kwalificatie en strafbaarheid
Het bewezen verklaarde levert op:
doodslag;
primair poging tot doodslag.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor, in het geval de rechtbank tot een veroordeling komt, de gevorderde straf te matigen, omdat deze niet in verhouding staat tot hetgeen in vergelijkbare zaken is opgelegd. Bij oplegging van de straf moet ten gunste van verdachte ook rekening worden gehouden met de omstandigheid dat verdachte, omdat hij niet uit Nederland afkomstig is, geen recht heeft op verlof of voorwaardelijke invrijheidstelling.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het psychologisch rapport opgemaakt door mr. drs. R.A. Sterk op 30 april 2026, het reclasseringsrapport opgemaakt door het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering op 13 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, het European Criminal Records Information System Justitiële Documentatie (hierna: uittreksel ECRIS) van 22 januari 2026, het proces-verbaal van bevindingen van 2 februari 202610, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag en een poging daartoe. De uit Griekenland afkomstige verdachte woonde in een arbeidsmigranten woning samen met twee mannen afkomstig uit Polen. Tijdens een ruzie over de afwas heeft hij met een mes één van zijn huisgenoten tweemaal in het bovenlichaam gestoken; één steek die het hart en de linkerlong heeft geraakt en één in zijn buik. Zijn huisgenoot is door de steek in zijn hart en long kort daarna overleden. Een vriend van zijn huisgenoot, ook afkomstig uit Polen en die bij zijn huisgenoot op bezoek was, heeft hij ook tweemaal met het mes in zijn bovenlichaam gestoken.
Verdachte heeft de rol van aanvaller gehad en daarbij een mes gehanteerd tegenover ongewapende slachtoffers. Op basis van de stukken en de eigen verklaring van verdachte blijkt dat verdachte het erg vernederend vond dat hij door de slachtoffers bij zijn eten vandaan werd gehaald om de afwas te moeten doen. Hij probeerde de slachtoffers duidelijk te maken waarom hij dit niet vond kunnen. De rechtbank heeft de indruk gekregen dat verdachte toen uit frustratie en boosheid een mes heeft gepakt en ze beiden meerdere malen heeft gestoken.
Verdachte heeft een persoon beroofd van zijn meest kostbare bezit, namelijk zijn leven. Daarnaast heeft verdachte een ander geprobeerd van het leven te beroven. Verdachte heeft met zijn handelen de nabestaanden van het overleden slachtoffer een enorm en onherstelbaar leed aangedaan. Het overlijden van hun zoon en broer, is voor hen onverteerbaar en heeft een enorm verdriet bij hen veroorzaakt. Dit is
zeer invoelbaar onder woorden gebracht in de spreekrechtverklaringen die door de moeder, vader en zussen van het slachtoffer ter terechtzitting zijn voorgedragen. De impact van zijn overlijden is des te groter nu hij een jonge man was, in de bloei van zijn leven. Hij had nog een hele toekomst voor zich. Bovendien hebben misdrijven als de onderhavige niet alleen een grote impact op de directe omgeving van de slachtoffers, maar schokken zij ook de gehele samenleving en dragen zij in hoge mate bij aan gevoelens van onveiligheid en angst in het algemeen. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zeer zwaar aan.
Strafblad
Uit het ECRIS uittreksel van verdachte blijkt onder meer dat hij op 16 juni 2025, drie maanden voordat hij naar Nederland is vertrokken, onherroepelijk is veroordeeld voor het ongeoorloofd bezit of gebruik van wapens. Door de Griekse autoriteit is informatie omtrent verdachtes justitiële verleden verstrekt. Hieruit blijkt dat verdachte tweemaal een beroving heeft gepleegd met behulp van een mes. Deze veroordelingen weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee bij het bepalen van de hoogte van de straf.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de psychologische rapportage. Uit dit onderzoek blijkt dat er bij verdachte geen sprake is van psychische problematiek, zodat er ook geen sprake kan zijn van verminderde mate van toerekening van de delicten. De kans op toekomstig gewelddadig gedrag wordt op basis van de risicotaxatie als laag in geschat. Daarom is er geen aanknopingspunt om verdachte een behandeling aan te bieden. De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog ten aanzien van de toerekenbaarheid over en is van oordeel dat de delicten verdachte volledig kunnen worden toegerekend. Gelet op het justitiële verleden van verdachte in Griekenland heeft de rechtbank twijfels ten aanzien van de conclusie dat de kans op toekomstige gewelddadig gedrag laag is, maar met de deskundige ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor een behandeling.
De reclassering heeft in haar rapportage geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft bij de reclassering aangegeven dat wanneer hem een gevangenisstraf wordt opgelegd hij zal verzoeken om deze in Griekenland uit te zitten.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag. Door zijn alternatief scenario legt hij de verantwoordelijkheid buiten zichzelf en uit zijn houding ter zitting en hetgeen uit de Telio-gesprekken naar voren komt blijkt niet dat de omstandigheid, dat hij een persoon van het leven heeft beroofd, veel met hem doet. Hij lijkt vooral bezig met de gevolgen hiervan voor zichzelf en spreekt in de Telio-gesprekken zeer neerbuigend over de slachtoffers. Ter zitting heeft hij hiervoor als verklaring gegeven dat hij erg boos was. Ook dit past bij de indruk van de rechtbank dat hij enkel met de gevolgen voor zichzelf bezig is. De rechtbank zal deze houding ten nadele van verdachte bij de strafmaat betrekken.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een die vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf acht geslagen op straffen die in recente vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden
met de omstandigheid dat het strafmaximum voor doodslag door de wetgever per 1 juli 2023 is verhoogd van 15 jaar naar 25 jaar gevangenisstraf. Volgens de Memorie van Toelichting komen hierdoor de strafmaxima van doodslag en moord weer in redelijke verhouding tot elkaar te staan. Daarnaast wordt hiermee ook recht gedaan aan de veranderde maatschappelijke opvatting over de strafwaardigheid van levensdelicten, die tot uiting komt in de gemiddeld gezien zwaardere bestraffing daarvan. Dit aspect betrekt de rechtbank in haar overwegingen omtrent de hoogte van de straf.
Bovendien betrekt de rechtbank bij de hoogte van de straf het justitiële verleden van verdachte en verdachtes houding omtrent de delicten en de slachtoffers.
Anders dan door de raadsman is bepleit, zal de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf geen rekening houden met de omstandigheid dat geen sprake van verlof of voorwaardelijke invrijheidstelling zou zijn. De regels omtrent verlof en voorwaardelijke invrijheidstelling betreffen de executie van de straf en niet de aard of maximale duur, zodat de rechtbank hier geen rekening mee zal houden. Bovendien volgt uit de wettekst dat enkel aan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, in de zin van artikel 8, onder a tot en met I van de Vreemdelingenwet 2000, geen voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. Niet is gebleken dat verdachte geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en te zijner tijd niet voor een voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking zou kunnen komen.
Alles afwegende acht de rechtbank -evenals de officier van justitie- een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek van het voorarrest passend en geboden en zal deze straf opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich, ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde, als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[naam 2] , tot een bedrag van 1.899,42 ter vergoeding van materiële schade en 17.500,-- ter vergoeding van immateriële schade (affectieschade), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
[naam 3] , tot een bedrag van 17.500,-- ter vergoeding van immateriële schade (affectieschade), vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen integraal kunnen worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van [naam 2] aangevoerd dat zowel de materiële schade als de affectieschade moeten worden afgewezen. Hij kan aan de hand van de stukken niet vaststellen dat zij de biologische moeder van het slachtoffer [slachtoffer 1] is, omdat op de geboorteakte de naam [naam
4] staat vermeld. De materiële schade is te onduidelijk om voor toewijzing in aanmerking te komen, omdat uit de factuur niet blijkt of sprake is van een crematie of een begrafenis.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [naam 3] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Door mr. Spoelstra, de gemachtigde van de ter zitting aanwezige benadeelde partijen, is ter zitting een toelichting op de vordering van [naam 2] gegeven. Hij heeft haar gevraagd en zij heeft aangegeven dat [naam 4] haar geboortenaam is en dat haar getrouwde naam [naam 2] is. Zij is de biologische moeder van [slachtoffer 1] . Zij heeft ook bij hem aangegeven dat het lichaam van haar zoon is gecremeerd, maar dat zijn as is begraven.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij
[naam 2] de biologische moeder van [slachtoffer 1] is. Ook is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij [naam 2] de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte of namens verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025.
Ten aanzien van de gevorderde affectieschade door [naam 2] en [naam 3] overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) naasten van slachtoffers recht hebben op vergoeding van affectieschade (voor pijn en verdriet) die zij lijden doordat het slachtoffer als gevolg van het strafbare feit is overleden. Een beperkte kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van standaardbedragen die zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.
De rechtbank wijst beide vorderingen toe op grond van artikel 6:108 BW. Het slachtoffer is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden.
De benadeelde partijen hebben recht op vergoeding van affectieschade, zij zijn de ouders van het slachtoffer was. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding 17.500,-- per nabestaande, zoals ook is gevorderd. De bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregelen opleggen om te bevorderen dat verdachte de schades, vermeerderd met de wettelijke rente, zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Benadeelde partijen
Ten aanzien het onder 1. ten laste gelegde en bewezen verklaarde:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2] toe en veroordeelt verdachte om aan [naam 2] te betalen:
het bedrag van 19.399,42 (zegge: negentienduizend driehonderd negenennegentig euro en tweeënveertig eurocent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 19.399,42 (zegge: negentienduizend driehonderd negenennegentig euro en tweeënveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.899,42 aan materiële schade en 17.500,-- aan immateriële schade (affectieschade).
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 121 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 3] toe en veroordeelt verdachte om aan [naam 3] te betalen:
het bedrag van 17.500,-- (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 17.500,-- (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade).
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 112 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Kooistra, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juni 2026.
1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2025277572, gesloten op 6 maart 2026.
2 verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 mei 2026.
3 pagina 696:
4 pagina 700;
5 pagina 487;
6 pagina 572;
7 pagina 729;
8 pagina 487;
9 paginas 195 t/m 200;
10 pagina 702.