Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - meervoudig materieel strafrecht

ECLI:NL:RBNNE:2026:2551

Op 2 July 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van materieel strafrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 18/219618-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:2551. De plaats van zitting was Assen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
18/219618-25
Datum uitspraak:
2 July 2026
Datum publicatie:
2 July 2026
Verwijzingen:
Wet wapens en munitie 26, Wet wapens en munitie 55, Wetboek van Strafrecht 287, Wetboek van Strafrecht 57, Wetboek van Strafrecht 63

Indicatie

Veroordeling voor het medeplegen van doodslag, poging doodslag, meerdere malen gepleegd, en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Vrijspraak medeplegen van (poging) moord omdat er geen sprake is van voorbedachte raad. Verwerping van het beroep op noodweer(exces) omdat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke aanranding. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren. Daarnaast oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer 18/219618-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 mei en 2 juli (sluiting) 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Spijker, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Coevorden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een of meer vuurwapen(s) meermaals in de richting en/of op het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te schieten;

2) hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Coevorden, op een of meer momenten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer anderen, te weten [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven meermaals met een of meer vuurwapen(s) in de richting van die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Coevorden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

4. een pistool, met de uiterlijke kenmerken van een Glock 26 Gen 5, kaliber 9x19 mm/9 mm Luger/9 mm Parabellum, en/of

5. een pistool (omgebouwd gaspistool), van het merk Blow, model P29, kaliber 7,65 mm Browning/.32, zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool,

en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

3, althans een hoeveelheid, hulzen, van het merk en het kaliber CBC, van het kaliber 32 AUTO/7,65 mm Browning,

2, althans een hoeveelheid, hulzen, van het merk en het kaliber Norma, van het kaliber 9 mm Luger/9 mm Parabellum,

1 kogelpatroon, van het merk Sellier&Bellot, van het kaliber 9x19 mm/9 mm Luger,

7, althans een hoeveelheid, kogelpatronen, van het merk Norma, van het kaliber 9x19 mm/9 mm Luger,

37, althans een hoeveelheid, kogelpatronen, van het merk CBC, van het kaliber 7,65/.32, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord op [slachtoffer 1] en het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot moord op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte en de medeverdachte hebben gehandeld met voorbedachte raad: verdachte en de medeverdachte wisten dat er in Coevorden een conflict gaande was tussen [slachtoffer

2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . De medeverdachte is vervolgens gewapend naar Coevorden gegaan, heeft daar de verdachte ontmoet en aan hem een vuurwapen doen overhandigen. Verdachte en de medeverdachte zijn vervolgens gezamenlijk naar de parkeerplaats gelopen waar het conflict zich afspeelde

en zij hebben de situatie aldaar langere tijd nauwlettend in de gaten gehouden. De verdachte heeft op enig moment een schot afgevuurd, maar dit schot had geen effect. Verdachte en de medeverdachte hebben de situatie toen wederom langere tijd nauwlettend in de gaten gehouden en uiteindelijk hebben zij, nadat de verdachte had gezegd dat het nu of nooit was, er allebei voor gekozen om meerdere malen gericht te schieten op de groep mensen die op de parkeerplaats aanwezig waren. Uit deze gang van zaken blijkt dat verdachte en de medeverdachte zich enige tijd hebben kunnen beraden op het door hen te nemen besluit om te gaan schieten, dat zij zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven en dat zij dat ook daadwerkelijk hebben gedaan. Er is niet gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en van andere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad is niet gebleken.

De officier van justitie heeft tevens veroordeling gevorderd voor het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens en verschillende soorten munitie, met dien verstande dat verdachte (partieel) dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van 37 kogelpatronen van het merk CBC.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord en het onder feit 2 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord, heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte niet heeft gehandeld met voorbedachte raad. Van een (van tevoren) beraamd plan of van een doelgerichte actie om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven is geen sprake geweest. Verdachte heeft met het vuurwapen geschoten om aan de doorlopende mishandelingen en bedreigingen van zijn vriend, [slachtoffer 2] , een einde te maken. Het was niet zijn bedoelding dat daarbij iemand om het leven zou komen. Verdachte was op dat moment doodsbang. Het enkele tijdsverloop tussen het eerste waarschuwingsschot en het latere schieten is daarnaast onvoldoende om vast te stellen dat verdachte zich rekenschap heeft gegeven van de mogelijkheid dat hij iemand (dodelijk) zou kunnen raken.

Ten aanzien van het onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde medeplegen van doodslag en het onder feit 2 impliciet ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met het opzet om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven. Hiertoe heeft de raadsvrouw allereerst aangevoerd dat verdachte en de medeverdachte met een klein kaliber vuurwapen vanuit een donkere steeg in de richting van een parkeerplaats hebben geschoten, terwijl [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich op dat moment op een afstand van 45 meter bevonden. Door onder deze omstandigheden te schieten, kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat iemand dodelijk zou worden geraakt. Verdachte is er bovendien van overtuigd dat hij in de lucht heeft geschoten zodat, als er al een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan, niet kan worden vastgesteld dat verdachte die kans ook bewust heeft aanvaard. Dat ook de vriend van verdachte [slachtoffer 2] op de parkeerplaats aanwezig was, is tot slot een contra-indicatie voor het aannemen van voorwaardelijk opzet: niet aannemelijk is dat verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat juist de vriend die hij wilde redden als gevolg van zijn handelen om het leven zou komen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

Niet ter discussie staat dat in de nacht van 19 juli 2025 in Coevorden een schietincident heeft plaatsgevonden, waarbij verdachte en de medeverdachte allebei vanuit een steeg meerdere malen met een vuurwapen in de richting van een parkeerterrein hebben geschoten. Op dat parkeerterrein stonden op dat moment [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en - in de nabijheid van die groep - [slachtoffer 1] . Een van de afgevuurde kogels heeft [slachtoffer 1] in zijn hoofd geraakt. [slachtoffer 1] is daarop zwaargewond naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij enkele uren later aan zijn verwondingen is overleden.1 Uit forensisch onderzoek blijkt dat de kogel die [slachtoffer 1] (dodelijk) heeft geraakt zeer waarschijnlijk afkomstig is uit het vuurwapen waarmee de medeverdachte zegt te hebben geschoten.2

De vraag die de rechtbank thans dient te beantwoorden is of verdachte heeft gehandeld met het opzet om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven en, zo ja, of hij dit ook met voorbedachte raad heeft gedaan. Om deze vragen te kunnen beantwoorden stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Feiten en omstandigheden

Omstreeks 01:52 uur is in het uitgaansgebied van Coevorden een conflict ontstaan tussen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .3 Dit conflict heeft zich gaandeweg verplaatst naar een parkeerterrein nabij de Kromme Elleboog, waar zij omstreeks 02:01 uur zijn aangekomen. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer 2] daarbij door [slachtoffer 3] werd vooruitgeduwd, toegeschreeuwd en bedreigd. Ook [slachtoffer 1] was bij het conflict op het parkeerterrein aanwezig.4 Verdachte en de medeverdachte waren niet bij het conflict betrokken. Verdachte heeft het conflict wel zien ontstaan en proberen te verhinderen waarbij hij zou zijn bedreigd. Via anderen vernam verdachte dat het conflict zich steeds verder ontwikkelde en dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] [slachtoffer 2] iets wilden aandoen.

Verdachte heeft daarom meerdere malen, al dan niet via tussenpersonen, geprobeerd om het conflict te de-escaleren. Dit is echter niet gelukt.5 De medeverdachte was op dat moment niet in Coevorden aanwezig. Hij werd die nacht gebeld door [naam 1] , die samen met verdachte in de stad was. [naam 1] zou tegen hem hebben gezegd dat [slachtoffer 2] gedoe had met [slachtoffer 3] , dat medeverdachte naar Coevorden moest komen en dat hij een vuurwapen mee moest nemen. De medeverdachte heeft vervolgens (in ieder geval) één vuurwapen en meerdere kogels opgehaald en is daarna samen met [naam 2] en [naam 3] in de auto naar Coevorden gereden. De medeverdachte wist dat in de auto nog een tweede vuurwapen aanwezig was en dat deze voor verdachte was bedoeld.6 Omstreeks 02:25 uur hebben zij verdachte en [naam 1] in [adres] ontmoet. Er werd kort gesproken over de situatie van [slachtoffer 2] . [naam 3] heeft verdachte vervolgens, in opdracht van de medeverdachte, een vuurwapen overhandigd.

Verdachte en de medeverdachte zijn daarna nog enkele minuten in [adres] blijven staan, waarna zij samen in de richting van de Kromme Elleboog zijn gelopen.7 Om 02:32 uur liepen zij een steeg in die vanuit de Kromme Elleboog toegang geeft tot het parkeerterrein waar het conflict plaatsvond. Het betreft een smalle, donkere steeg die aan weerszijden bebouwd is. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat om 02:33 uur vanuit de steeg één schot te horen is en dat verdachte en de medeverdachte daarna de steeg uitrennen.8 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dit schot heeft afgevuurd omdat hij hoorde dat er op [slachtoffer 2] werd ingeslagen. Het betrof een waarschuwingsschot in de lucht, waarop door de personen op de parkeerplaats lacherig werd gereageerd. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt voorts dat verdachte en de medeverdachte tussen 02:33 uur en 02:44 uur meerdere malen stilstaan op de hoek van de steeg en afwisselend heen en weer lopen tussen onder meer de steeg, de Kromme Elleboog en het parkeerterrein van de hervormde kerk. Om 02:44 uur zijn zij weer op de hoek van de steeg gaan staan en daar zijn zij enkele minuten blijven staan.9 Toen verdachte hoorde dat er vanaf de parkeerplaats geroepen werd dat [slachtoffer 2] zou worden uitgekleed en in de kofferbak van een auto zou worden gestopt heeft hij tegen de medeverdachte gezegd dat het nu of nooit was. Verdachte heeft daarop meteen drie keer in de richting van het parkeerterrein geschoten. Omdat, zoals verdachte

verklaarde zijn vuurwapen vastliep, heeft hij enkele stappen achteruit gezet. De medeverdachte heeft daarop een stap naar voren gezet, in de richting van de steeg, waarna hij twee keer in de richting van het parkeerterrein heeft geschoten. Verdachte heeft vervolgens hard kankerhoeren geroepen, waarna verdachte en de medeverdachte samen zijn weggerend.10

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het niet zijn bedoeling is geweest om iemand van het leven te beroven. Hij is met de medeverdachte richting de parkeerplaats gelopen om [slachtoffer 2] uit het conflict te halen. Toen hij hoorde dat er iets in de mond van [slachtoffer 2] werd gedrukt en dat er geroepen werd dat [slachtoffer 2] zou worden uitgekleed en in de kofferbak van een auto zou worden gestopt, heeft hij drie keer in de richting van de parkeerplaats geschoten. Hij hoopte dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hiervan zouden schrikken en dat zij [slachtoffer 2] zouden laten gaan. Hij was op dat moment doodsbang. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij niet met de medeverdachte heeft gesproken over de wijze waarop zij [slachtoffer 2] uit het conflict zouden halen. Er zijn geen plannen of afspraken gemaakt en er is niet gesproken over het gebruik van de meegebrachte vuurwapens, ook niet na het eerste waarschuwingsschot. Ook de medeverdachte heeft in zijn verhoren bij de politie telkens verklaard dat het nimmer de bedoeling is geweest om iemand dood te schieten. Het doel was om [slachtoffer 2] te helpen. De medeverdachte heeft voorts verklaard dat hij niet met verdachte heeft gesproken over de wijze waarop zij dit doel wilden bereiken. Er zijn ook geen afspraken gemaakt over het gebruik van de vuurwapens. Toen de medeverdachte op een gegeven moment van verdachte hoorde dat [slachtoffer 2] in de kofferbak van een auto zou worden gestopt, heeft hij vol adrenaline en uit angst in de richting van de groep op de parkeerplaats geschoten. Hij hoopte dat zij hiervan zouden schrikken en dat zij [slachtoffer 2] zouden laten gaan.11

Opzet op de dood

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat uit het voorgaande niet kan worden afgeleid dat verdachte “vol” opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] . Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet op de dood. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier het overlijden van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] -, is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte gericht geschoten heeft op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] . Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden vastgesteld dat verdachte in de richting van de groep personen op de parkeerplaats heeft geschoten. Verdachte heeft immers in zijn verhoor op 18 december 2025 verklaard dat hij schuin omhoog, iets weg van hun, of boven hun geschoten heeft. 12 Daarnaast blijkt uit opgenomen gesprekken vanuit de penitentiaire inrichting dat verdachte op meerdere momenten ook gezegd heeft dat hij (mogelijk) toch meer gericht geschoten heeft.13 Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte slechts omhoog, in de lucht geschoten heeft, volgt de rechtbank daarom niet.

Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte en de medeverdachte gezamenlijk een situatie hebben gecreëerd waarin (naar algemene ervaringsregels) zonder meer een aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop aanwezig was. Nadat het eerste waarschuwingsschot van verdachte niet afdoende bleek om [slachtoffer 2] uit het conflict te halen, hebben

verdachte en de medeverdachte allebei vanuit een smalle en donkere steeg in zeer korte tijd meerdere malen in de richting van een groep personen op een parkeerplaats geschoten. De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de omstandigheid dat verdachte en de medeverdachte hebben geschoten vanaf een afstand van 45 meter het bestaan van een aanmerkelijke kans op de dood niet wegneemt.

Verdachte en de medeverdachte wisten immers dat in ieder geval [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , en [slachtoffer 4] op de parkeerplaats aanwezig waren. Daarnaast hebben zij op meerdere momenten ook [slachtoffer 1] op de parkeerplaats zien staan en wisten zij dat dat er gedurende het conflict meerdere personen richting de parkeerplaats zijn gelopen om poolshoogte te nemen. Vanuit de smalle en donkere steeg hebben verdachte en de medeverdachte voorts niet voortdurend zicht gehad op de groep op de parkeerplaats. Ondanks de onzekerheid over de omvang van de groep en wie er precies op de parkeerplaats stonden, hebben verdachte en medeverdachte bewust in de richting van de groep personen geschoten. Eén van de afgevuurde kogels heeft [slachtoffer 1] vervolgens in zijn hoofd geraakt, zodat het gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt.

Op het moment van schieten wist verdachte bovendien dat zijn vuurwapen geladen was met scherpe munitie én dat het vuurwapen goed functioneerde. Verdachte had kort voor de schietpartij die tot de dood van [slachtoffer 1] heeft geleid immers al een waarschuwingsschot in de lucht afgevuurd. Een vuurwapen is ook, naar zijn aard, gemaakt om dodelijk letsel te kunnen veroorzaken. Dat het hier een klein kaliber vuurwapen betrof doet daar niet aan af. Het gevaar van het handelen van verdachte moet voor hem, net als voor ieder ander die in een dergelijke situatie verkeert, dan ook duidelijk zijn geweest. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het vuurwapen overhandigd kreeg in opdracht van de medeverdachte. Hij heeft verklaard het vuurwapen te hebben aangenomen omdat hij wist dat ook [slachtoffer 3] een vuurwapen bij zich droeg. Hij wilde zichzelf en [slachtoffer 2] daarom kunnen beschermen. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte en de medeverdachte al in een vroeg stadium rekening hielden met een gewelddadige escalatie van het conflict en dat het gebruik van vuurwapens daarbij (mogelijk) niet zou worden geschuwd. Zij hebben zich hierdoor echter niet laten weerhouden en zijn tot twee keer toe richting de parkeerplaats gelopen. Na de tweede keer heeft verdachte bovendien tegen de medeverdachte gezegd het is nu of nooit, waarna hij meteen met het vuurwapen in de richting van de parkeerplaats heeft geschoten totdat dit vuurwapen volgens zijn verklaring vastliep, waarna onmiddellijk de medeverdachte heeft geschoten. Door aldus te handelen kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat iemand die zich op de parkeerplaats bevond door één van de door verdachte en medeverdachte afgevuurde kogels dodelijk zou worden geraakt. Anders dan de raadsvrouw ziet de rechtbank tot slot in de aanwezigheid van [slachtoffer 2] op de parkeerplaats geen contra-indicatie voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood, nu verdachte zich door diens aanwezigheid niet heeft laten weerhouden om meerdere malen bewust in de richting van de groep personen op de parkeerplaats te schieten.

Medeplegen

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het schietincident plaatsgevonden in een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, zodat sprake is van medeplegen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte en de medeverdachte voorafgaand én tijdens het incident gezamenlijk zijn opgetrokken en dat zij zich nadien ook gezamenlijk uit de voeten hebben gemaakt.

Tussenconclusie

Gelet op voorgaande overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, samen met de medeverdachte, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met de medeverdachte, heeft geprobeerd

[slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven.

Geen voorbedachte raad

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Met andere woorden: dient het handelen van verdachte gekwalificeerd te worden als (poging tot) moord of als (poging tot) doodslag?

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.14

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een (vooropgezet) plan of een intentie om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven. De medeverdachte is die bewuste nacht weliswaar naar Coevorden gegaan met tenminste één of twee vuurwapens en meerdere kogels op zak. Ook heeft hij een tweede vuurwapen aan verdachte doen overhandigheden, voordat zij gezamenlijk richting de parkeerplaats zijn gelopen. Hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet méér worden afgeleid dan dat verdachte en de medeverdachte rekening hielden met een gewelddadige escalatie van het conflict waarbij het gebruik van vuurwapens (mogelijk) niet zou worden geschuwd. In ieder geval blijkt hieruit niet zonder meer dat zij van meet af aan van plan waren om iemand van het leven te beroven. Ook de omstandigheid dat er voor verdachte, gezien het tijdsverloop tussen het gezamenlijk (bewapend) naar de steeg lopen, het eerste waarschuwingsschot en het latere schieten, voldoende tijd en gelegenheid is geweest om zich te beraden op zijn handelen, acht de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van voorbedachte raad. Dat verdachte tijd en gelegenheid tot nadenken heeft gehad, betekent immers niet dat verdachte zich ook daadwerkelijk beraden heeft op een plan om iemand van het leven te beroven.

Verdachte heeft dit steeds stellig ontkend en uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte blijkt voorts dat er gedurende die tijd tussen hen maar weinig overleg heeft plaatsgevonden.

In de gedragingen van verdachte en de medeverdachte voorafgaand aan het moment waarop zij beiden hebben geschoten, ziet de rechtbank een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad. Uit het afwisselend heen en weer lopen en het op de hoek van de steeg stil blijven staan om de situatie te observeren, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte en de medeverdachte zich met de situatie niet goed raad wisten. Dit beeld wordt verder versterkt doordat verdachte en de medeverdachte hebben verklaard dat zij pas in de richting van de groep hebben geschoten toen hen duidelijk werd dat, in hun beleving, het conflict ernstig dreigde te escaleren. Zij voelden zich op dat moment bang en in paniek en zij maakten zich grote zorgen over het lot van [slachtoffer 2] . Verdachte en

de medeverdachte stonden op dat moment bovendien op een afstand van 45 meter tot de parkeerplaats. Zij hebben - door een smalle en donkere steeg bewust in de richting van de groep personen geschoten, maar niet gebleken is dat verdachte en de medeverdachte daarbij ook bewust gericht geschoten hebben op een of meer van die personen uit die groep. Ook in dit gegeven ziet de rechtbank een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte past bij een situatie waarin hij het besluit om te schieten (impulsief) heeft genomen vanuit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Van een doordachte actie of een (vooropgezet) plan is de rechtbank niet gebleken. In dat geval zou het veel meer voor de hand hebben gelegen dat verdachte en de medeverdachte met hun (doorgeladen) vuurwapens naar de parkeerplaats zelf zouden zijn gelopen en dat zij vervolgens van geringe afstand gericht zouden hebben geschoten. Dit is wat verdachte en de medeverdachte juist niet hebben gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Conclusie

Nu niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, zal hij

worden vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord en het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] en het medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , zoals onder feit 1 impliciet subsidiair en feit 2 impliciet subsidiair aan hem is ten laste gelegd. Er is sprake van eendaadse samenloop.

Bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 19 juli 2025 te Coevorden een vuurwapen, te weten een omgebouwd gaspistool van het merk Blow, model P29, kaliber 7,65mm Browning (synoniem: .32) voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft dit feit ter terechtzitting duidelijk en ondubbelzinnig bekend. De rechtbank volstaat daarom met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

De door verdachte ter zitting van 28 mei 2026 afgelegde verklaring;

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] )

d.d. 22 oktober 2025, opgenomen op pagina 139 e.v. van deel 11 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100/2025193176 (onderzoek Wodan) d.d. 18 december 2025, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Onderzoek wapens en munitie d.d. 17 december 2025, opgenomen op pagina 218 e.v. van deel 11 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Partiële vrijspraak medeplegen van het voorhanden hebben van hulzen

Aan verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij drie hulzen van het merk CBC (derde gedachtestreepje) en twee hulzen van het merk Norma (vierde gedachtestreepje) voorhanden heeft gehad. Deze hulzen zijn na het schietincident aangetroffen op de plaats delict en zijn afkomstig van de door verdachte en de medeverdachte afgeschoten patronen. Artikel 3, tweede lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) schakelt onderdelen van munitie (waaronder hulzen) gelijk aan munitie, voor zover

die onderdelen geschikt zijn om munitie van te maken. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 3 WWM blijkt dat lege hulzen van afgeschoten patronen niet zonder meer geschikt zijn om (opnieuw) munitie van te maken en daarom in beginsel niet onder de reikwijdte van dit artikel vallen.15 Nu er geen nader onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van hergebruik van de genoemde hulzen, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze voldoen aan het wettelijk vereiste dat zij geschikt zijn om (opnieuw) munitie van te maken. De rechtbank zal verdachte dan ook van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.

Partiële vrijspraak medeplegen van het voorhanden hebben van een pistool (Glock 26 Gen 5) en kogelpatronen

Aan verdachte is tot slot ten laste gelegd dat hij een pistool met de uiterlijke kenmerken van een Glock (eerste gedachtestreepje), 1 kogelpatroon van het merk Sellier & Bellot (vijfde gedachtestreepje), 7 kogelpatronen van het merk Norma (zesde gedachtestreepje) en 37 kogelpatronen van het merk CBC (zevende gedachtestreepje) voorhanden heeft gehad. Uit het procesdossier blijkt dat de medeverdachte in de nacht van 19 juli 2025 in het bezit is geweest van dit vuurwapen en de genoemde kogelpatronen.

Verdachte heeft op enig moment in opdracht van de medeverdachte alleen het omgebouwde gaspistool in handen gekregen. Dit vuurwapen is kort na het schietincident weer door de medeverdachte teruggepakt. Daarna heeft de medeverdachte, samen met twee vrienden, alle in de tenlastelegging genoemde vuurwapens en kogelpatronen begraven op een plek in Duitsland, net over de grens bij Schoonebeek.16 Op 10 oktober 2026 zijn de vuurwapens en de kogelpatronen door de Duitse politie aangetroffen op een plek in de buurt van deze locatie.17 Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het procesdossier niet worden vastgesteld dat verdachte zich in de nacht van 19 juli 2025 op enig moment bewust is geweest van de aanwezigheid van voornoemde kogelpatronen. Voor de Glock geldt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte op enig moment over dat vuurwapen heeft kunnen beschikken. De enkele omstandigheid dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van een vuurwapen bij de medeverdachte is hiertoe onvoldoende. Het voorgaande betekent dat verdachte de Glock en de kogelpatronen in juridische zin niet voorhanden heeft gehad. De rechtbank zal verdachte daarom ook van dit gedeelte van de tenlastelegging vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. hij op 19 juli 2025 te Coevorden tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meermaals in de richting van die [slachtoffer 1] te schieten;

2) hij op 19 juli 2025 te Coevorden tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven, meermaals met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en of [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3) hij op 19 juli 2025 te Coevorden, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (omgebouwd gaspistool) van het merk Blow, model P29, kaliber 7,65 mm Browning/.32, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 en feit 2 eendaadse samenloop van

feit 1impliciet subsidiair: medeplegen van doodslag

en

feit 2 impliciet subsidiair: medeplegen van een poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer dan wel uit noodweerexces. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat in de nacht van 19 juli 2025 het geweld begonnen is bij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Zij hebben [slachtoffer 2] tegen zijn wil en onder forse bedreigingen meegenomen naar een parkeerterrein. Daar werd hij geruime tijd door hen mishandeld en bedreigd. [slachtoffer 2] kon zich aan dit geweld niet onttrekken omdat hij met zijn rug tegen een hek stond en [slachtoffer 1] hem de weg versperde. De situatie van [slachtoffer 2] zorgde voor veel paniek bij verdachte en hij voelde zich genoodzaakt om [slachtoffer 2] te helpen. Verdachte heeft daartoe eerst zelf geprobeerd om [slachtoffer 2] te ontzetten. Dit is echter niet gelukt omdat verdachte door [slachtoffer 3] werd bedreigd met een vuurwapen. Verdachte heeft vervolgens geprobeerd om andere personen te laten bemiddelen, maar ook dit heeft geen einde gemaakt aan de situatie waarin [slachtoffer 2] zich bevond.

Ook een waarschuwingsschot in de lucht had geen effect. Toen de situatie verder dreigde te escaleren en [slachtoffer 2] in de kofferbak van een auto zou worden gestopt, zag verdachte geen andere mogelijkheid dan met zijn vuurwapen ter afschrikking in de richting van de parkeerplaats te schieten. Hij dacht dat [slachtoffer 2] zou worden ontvoerd en verdachte vreesde voor zijn leven. Verdachte was op dat moment doodsbang.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op alle voornoemde omstandigheden, het handelen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] jegens [slachtoffer 2] kan worden aangemerkt als een voortdurende noodweersituatie die op het moment van schieten verder dreigde te escaleren. Dit levert een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding op in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) waartegen verdediging noodzakelijk was. De door verdachte gekozen wijze van verdedigen was ook proportioneel, nu verdachte uitging van een dreigende ontvoering van [slachtoffer 2] door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] én verdachte wist dat [slachtoffer 3] over een vuurwapen beschikte. Andere, minder ingrijpende alternatieven hadden bovendien niet tot het einde van de noodweersituatie geleid. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte met de wijze waarop hij [slachtoffer 2] heeft verdedigd toch de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dan is dit volgens de raadsvrouw het onmiddellijke gevolg geweest van de paniek en angst die verdachte op dat moment ervoer en is er sprake geweest van noodweerexces.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep toekomt op noodweer dan wel noodweerexces, nu er geen sprake is geweest van een situatie waarin verdachte zichzelf of een ander moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De officier van justitie heeft hiertoe gewezen op het tijdsverloop van bijna een uur tussen het ontstaan van het conflict tussen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en het besluit van verdachte en de medeverdachte

om meerdere malen met een vuurwapen in de richting van de parkeerplaats te schieten. In dit tijdsbestek heeft verdachte het conflict zien ontstaan en zou hij zelf ook door [slachtoffer 3] met een vuurwapen zijn bedreigd. Vervolgens heeft verdachte tijd en ruimte gezien om twee vrienden naar de parkeerplaats te sturen om te bemiddelen, om de medeverdachte te ontmoeten, om gezamenlijk en gewapend naar de parkeerplaats te gaan, om de situatie aldaar langere tijd in de gaten te houden, om eerst een waarschuwingsschot af te vuren, om de situatie wederom langere tijd te observeren en om uiteindelijk meerdere malen in de richting van de groep personen op de parkeerplaats te schieten. Al die tijd bevond [slachtoffer 2] zich in dezelfde erbarmelijke situatie, zodat op het moment van schieten geen sprake was van een acuut verdedigingsmoment. Bovendien heeft verdachte al die tijd niet gedaan wat wel van hem verwacht mocht worden, namelijk de politie bellen, zodat de wijze waarop verdachte heeft besloten om [slachtoffer 2] te verdedigen ook niet geboden was.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed en dat de verdediging tegen deze aanranding noodzakelijk en geboden is (artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht).

Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat het conflict tussen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich heeft uitgestrekt over een tijdsbestek van ongeveer een uur. Binnen dit tijdsbestek heeft verdachte, volgens zijn eigen verklaring, op meerdere momenten gezien dat er geweld tegen [slachtoffer 2] werd uitgeoefend. Omstreeks 01:52 uur zat verdachte met (onder andere) [slachtoffer 2] op het terras van [bedrijf] te Coevorden.18 Verdachte heeft verklaard dat hij toen heeft gezien dat [slachtoffer 2] door [slachtoffer 4] werd meegenomen naar [adres] en dat er tussen hen sprake was van duw- en trekwerk. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij, toen hij tussenbeide wilde komen, door [slachtoffer 3] werd vastgepakt en bedreigd met een vuurwapen. Daarna werd [slachtoffer 2] door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] meegesleurd in de richting van de Kromme Elleboog.19 Omstreeks 02:32 uur stond verdachte met de medeverdachte in de steeg die toegang geeft tot de parkeerplaats.20 Verdachte heeft verklaard dat hij toen hoorde dat er op [slachtoffer 2] werd ingeslagen. Ook hoorde hij [slachtoffer 2] schreeuwen. Dit was voor hem de aanleiding om voor de eerste keer het vuurwapen te gebruiken en een keer in de lucht te schieten. Daarna zijn verdachte en de medeverdachte uit de steeg weggerend.21 Omstreeks 02:44 uur zijn verdachte en de medeverdachte weer teruggelopen naar de (hoek van de) steeg. Daar hebben zij vervolgens enkele mintuten gestaan.22 Verdachte heeft verklaard dat hij is teruggegaan omdat hij besefte dat de situatie van [slachtoffer 2] na het waarschuwingsschot onveranderd was. Hij hoorde hem nog steeds schreeuwen. Toen hij met de medeverdachte op de hoek van de steeg stond hoorde hij dat [slachtoffer 2] iets in zijn mond gestopt kreeg en dat er op de parkeerplaats geroepen werd dat [slachtoffer 2] zou worden uitgekleed en in de kofferbak van een auto zou worden gestopt. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment dacht dat [slachtoffer 2] zou worden ontvoerd. Verdachte heeft daarom tegen de medeverdachte gezegd: het is nu of nooit. Daarop heeft hij meteen drie keer in de richting van de parkeerplaats geschoten, totdat zijn vuurwapen vastliep.23 Het was toen ongeveer 02:48 uur.24

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke aanranding van [slachtoffer 2] waarop verdachte reageerde. Dat is voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) wel vereist. Dat verdachte vlak voor het schieten (meende) te horen dat de situatie verder dreigde te escaleren, doet hier niet aan af. Verdachte heeft immers op meerdere momenten de gelegenheid gehad om adequate hulp in te schakelen, zoals het waarschuwen van de politie. Gelet op hetgeen verdachte zelf gezien en gehoord heeft van het (dreigende) geweld jegens [slachtoffer 2] mocht dit ook van hem worden verwacht. Verdachte heeft dit echter telkens niet gedaan. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zelfs niet eens overwogen heeft om de politie te waarschuwen. Voor de rechtbank staat daardoor vast dat verdachte en de medeverdachte de situatie van meet af aan hoe dan

ook zelf wilden oplossen, zonder tussenkomst van de politie. Reeds kort nadat [slachtoffer 2] door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] was meegenomen, werd de medeverdachte immers gebeld met het verzoek om met vuurwapens naar Coevorden te komen omdat [slachtoffer 2] gehouden werd. Verdachte en de medeverdachte hebben elkaar vervolgens omstreeks 02:25 uur ontmoet en bij die ontmoeting is aan verdachte een vuurwapen overhandigd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het wapen heeft aangenomen omdat hij wist dat [slachtoffer 3] een wapen bij zich had en hij wilde [slachtoffer 2] en zichzelf kunnen beschermen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte al in een vroeg stadium van het conflict rekening hield met de mogelijkheid van een gewelddadige escalatie daarvan waarbij vuurwapengeweld (mogelijk) niet zou worden geschuwd. Desondanks is verdachte tot twee keer toe bewust richting de parkeerplaats gelopen en heeft hij uiteindelijk ook bewust het besluit genomen om meerdere malen in de richting van de parkeerplaats te schieten. De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van handelen een ontoelaatbare vorm van eigenrichting is geweest en gelet daarop komt verdachte geen geslaagd beroep op noodweer(exces) toe.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank acht verdachte dan ook strafbaar.

Overwegingen

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 impliciet primair, 2 impliciet primair en 3 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht;

de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat uitgaande van een bewezenverklaring van feit 3 aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd die gelijk is aan de duur van het voorarrest. De raadsvrouw heeft daarnaast verzocht om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen op de dag van de uitspraak. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van feiten 1, 2 en 3 komt en het verweer op noodweer(exces) verwerpt, heeft de raadsvrouw subsidiair verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte bij deze feiten een andere, meer beperkte, rol heeft gehad dan de medeverdachte. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is een jonge jongen met een belaste voorgeschiedenis die een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. Ten tijde van zijn aanhouding beschikte hij over een eigen woning, een inkomen en een vaste relatie. Daarnaast was hij gestart met schuldhulpverlening en was hij van plan om in een vrijwillig kader psychologische hulp in te schakelen om de traumas uit zijn verleden te verwerken. Gelet hierop acht de raadsvrouw hulp in een gedwongen kader, zoals de GVM, niet noodzakelijk.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte

rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad), alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] en het medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . In de nacht van 19 juli 2025 hebben verdachte en de medeverdachte allebei, vanuit een steeg, meerdere malen met een vuurwapen in de richting van een groep personen op een parkeerplaats geschoten. Deze groep bestond uit [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en - op korte afstand - [slachtoffer 1] . Een van de afgevuurde kogels heeft [slachtoffer 1] in zijn hoofd geraakt. [slachtoffer 1] is zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht, waar hij enkele uren later aan zijn verwondingen is overleden.

Hoewel verdachte niet degene is geweest die het fatale schot heeft gelost, heeft hij aan het schietincident wel een essentiële bijdrage geleverd. Als gevolg van het handelen van verdachte en de medeverdachte is [slachtoffer 1] het meest fundamentele recht ontnomen: het recht op leven. Aan de nabestaanden van [slachtoffer 1] is een onherstelbaar leed toegebracht. Zij zullen het plotselinge verlies van hun geliefde zoon, broer, oom, neef en vriend voor altijd bij zich moeten dragen. De impact van de dood van [slachtoffer 1] op de levens van zijn nabestaanden is enorm. Uit het door de moeder en zus van [slachtoffer 1] uitgeoefende spreekrecht blijkt hoe groot het verdriet en het gemis van [slachtoffer 1] nog dagelijks is. [slachtoffer 1] was een jongen van 21 jaar oud die volop van het leven en zijn familie genoot en die vol plannen en toekomstdromen zat. Dat aan zijn jonge leven en zijn dromen op gewelddadige wijze een einde is gemaakt, is voor hen onverteerbaar.

Verdachte mag van geluk spreken dat [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] niet door een kogel zijn geraakt. Zij hebben de schoten wel gehoord en hebben daarna gezien hoe [slachtoffer 1] op de grond viel en hevig bloedde. Ook enkele omwonenden die na het horen van de schoten zijn gaan kijken wat er aan de hand was, hebben het zwaargewonde lichaam van [slachtoffer 1] op straat zien liggen. Voor ieder van hen moet dit een beangstigende en schokkende ervaring zijn geweest. Feiten als de onderhavige dragen voorts ook sterk bij aan gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving als geheel.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt in zijn algemeenheid reeds een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Dat dit risico zich in onderhavige zaak ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

Het strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 8 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf. Bij het bepalen van (de hoogte van) de straf weegt de rechtbank dit in het nadeel van verdachte mee.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages die in het kader van de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden zijn opgemaakt:

het psychiatrisch en psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 18 mei 2026, opgemaakt door M.A. Wijnands, psychiater, M.D. van Ekeren, psychiater en F.S. van Huis, GZ-psycholoog, allen verbonden aan het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC);

het rapport van Reclassering Nederland, d.d. 21 mei 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker.

Het advies van de psychiaters en de psycholoog

Uit het Pro Justitia-rapport blijkt dat verdachte, op advies van zijn raadsvrouw, grotendeels geweigerd heeft om mee te werken aan het gedragskundig onderzoek. Volgens de deskundigen bestaan er geen aanwijzingen dat deze weigering (mede) gebaseerd is op psychopathologische motieven. Als gevolg van deze weigering is slechts zeer beperkt zicht verkregen op de achtergrond van verdachte, zijn ontwikkelingsgeschiedenis en zijn levensloop. Verdachte heeft wel geparticipeerd in de activiteiten op de afdeling, sport en arbeid. Ook heeft hij contact met de groepsleiding onderhouden. Tijdens de contactmomenten heeft verdachte een tegenstrijdige en inconsistente indruk gemaakt. Zo kon verdachte soms sociaal opvallend adequaat zijn. Op die momenten was hij plezierig in het contact, had hij oog voor kwetsbare groepsgenoten en was hij in staat tot perspectiefname. Op andere momenten maakte hij echter een sociaal-emotioneel jongere en kwetsbare indruk. Hij kon dan ontoegankelijk overkomen, defensief reageren, impulsieve uitspraken doen, geneigd zijn tot piekeren, groepsleiders geheel negeren en op overtuigende wijze dingen vertellen die achteraf tegenstrijdig of onjuist bleken. Mede als gevolg van het grillige en moeilijk grijpbare contact hebben de deskundigen weinig zicht gekregen op de innerlijke belevingswereld van verdachte. Enkele stoornissen kunnen volgens de deskundigen desondanks redelijkerwijs worden uitgesloten, te weten een schizofrenie-spectrumstoornis, een stemmingsstoornis (depressieve stoornis of bipolaire stoornis), een autismespectrumstoornis, of een licht verstandelijke beperking. Uit de collaterale informatie blijkt dat verdachte een complexe jeugd heeft gehad en dat er aanwijzingen zijn voor meerdere traumas die zijn ontstaan vanaf zeer jonge leeftijd. De vraag of bij verdachte sprake is van psychopathologie kan, gelet op zijn weigering om mee te werken aan het onderzoek, echter niet worden beantwoord. Als gevolg hiervan kan evenmin worden bepaald of sprake is geweest van een eventuele doorwerking hiervan in het handelen van verdachte (indien bewezen). Omdat ook het delictscenario onvoldoende duidelijk is geworden en er geen zicht is verkregen op de beweegredenen van verdachte, kan voorts geen (betrouwbare) analyse of prognose van het recidiverisico worden gegeven. Dit betekent tot slot ook dat geen advies kan worden gegeven over passende (behandel)interventies gericht op het terugdringen van dat recidiverisico.

Het advies van de reclassering

Anders dan bij het PBC-onderzoek, heeft verdachte wel meegewerkt aan de totstandkoming van het reclasseringsadvies. Door zijn grotendeels ontkennende houding en het ontbreken van diagnostische conclusies van het PBC, heeft de reclassering echter geen verbanden kunnen leggen tussen de persoon van verdachte, zijn leefgebieden en onderhavige verdenking. Als gevolg daarvan heeft de reclassering geen adequate inschatting van het recidiverisico kunnen maken en geen passend plan van aanpak kunnen opstellen om het eventuele recidiverisico in te perken. Uit het gesprek dat de reclassering met verdachte heeft gehad komt wel het beeld naar voren dat verdachte een kwetsbare jongen is met een zeer belaste voorgeschiedenis. De mogelijke negatieve doorwerking van dit verleden op het psychosociaal functioneren van verdachte en het ontbreken van een steunend sociaal netwerk waar verdachte (blijvend) op kan terugvallen, baart de reclassering zorgen. De reclassering heeft de indruk dat verdachte (mogelijk) begeleiding en behandeling nodig heeft om eventuele traumas uit het verleden te verwerken en om in de toekomst de juiste keuzes te leren maken. Om deze reden acht reclassering het raadzaam om in de fase van de (eventuele) voorwaardelijke invrijheidsstelling opnieuw onderzoek te doen, zodat dan alsnog een geschikt en passend plan van aanpak kan worden opgesteld op grond waarvan gewerkt kan worden aan gedragsverandering en het verminderen van recidiverisicos. Verdachte heeft in het gesprek met de

reclassering aangegeven dat hij te zijner tijd open staat voor diagnostisch onderzoek, psychische hulpverlening en begeleiding door de reclassering. Om te waarborgen dat verdachte te zijner tijd daadwerkelijk meewerkt aan het benodigde onderzoek en de geïndiceerde interventies, acht de reclassering oplegging van een GVM op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht evenwel aangewezen.

De straf

De rechtbank waardeert het dat verdachte ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven, dat hij de verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen en dat hij de nabestaanden rechtstreeks zijn spijt heeft betuigd. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte beseft dat hij die bewuste nacht verschrikkelijk de fout is ingegaan en dat hij daar oprecht spijt van heeft. Het is duidelijk dat hij de dood van [slachtoffer 1] nooit heeft gewild. Tegelijkertijd is het wel de harde werkelijkheid dat hij hiervoor medeverantwoordelijk is. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard over de achtergrond van zijn handelen. Hoewel deze achtergrond het handelen van verdachte op geen enkele wijze rechtvaardigt, heeft dit wel de keuze van verdachte om met een vuurwapen naar de parkeerplaats toe te gaan én dit vuurwapen ook te gebruiken in hoge mate beïnvloed. De rechtbank zal met deze omstandigheid rekening houden bij het bepalen van de (hoogte van de) straf.

Gelet op de aard en ernst van de feiten en het leed dat aan de nabestaanden is toegebracht, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van (de hoogte van) de straf dient de rechtbank ook rekening te houden met de persoon van verdachte en het belang van de maatschappij bij het voorkomen van soortgelijke feiten in de toekomst. Omdat verdachte niet heeft willen meewerken aan het gedragskundig onderzoek van het PBC heeft de rechtbank echter geen goed zicht kunnen krijgen op zijn persoon en de problematiek die mogelijk bij hem speelt. Met eventuele bijzondere of verzachtende omstandigheden die de persoon van verdachte betreffen, kan daarom door de rechtbank geen rekening worden gehouden. Het zwaartepunt van de straf ligt daardoor op vergelding en de bescherming van de maatschappij. Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren passend en geboden. Het verzoek van de raadsvrouw tot opheffing van de voorlopige hechtenis wijst de rechtbank af, gezien de duur van de gevangenisstraf die aan verdachte wordt opgelegd.

Deze straf is lager dan de straf die de officier van justitie heeft gevorderd, nu de rechtbank anders dan de officier van justitie tot een vrijspraak van de onder 1 impliciet primair en de onder 2 impliciet primair ten laste gelegde feiten komt. Voorts houdt de rechtbank, meer dan de officier van justitie, rekening met de door verdachte geschetste achtergrond van zijn handelen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM)

De rechtbank is voorts van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten zijn om verdachte een GVM op te leggen op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de officier van justitie is gevorderd en door de reclassering is geadviseerd. Verdachte is eerder veroordeeld voor een geweldsdelict. Hoewel de deskundigen van het PBC geen diagnostische conclusies hebben kunnen trekken, bevat de inhoud van hun rapport wel aanwijzingen voor het bestaan van een eigen kwetsbaarheid van verdachte die mogelijk risicoverhogend werkt. Ook de reclassering schat in dat verdachte behandeling en begeleiding

nodig heeft om te voorkomen dat hij in de toekomst in eenzelfde soort situatie terecht zal komen. De rechtbank acht het opleggen van de GVM daarom noodzakelijk om de kans op herhaling van gewelddadig gedrag zoveel mogelijk te beperken. De maatregel maakt het mogelijk dat verdachte, na afloop van de gevangenisstraf, langdurig onder toezicht staat van de reclassering en dat hij gehouden is om mee te werken aan behandeling en begeleiding, indien en voor zover dit noodzakelijk is in verband met het risico op herhaling. Aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel is voldaan, nu verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, op dit misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld én de algemene veiligheid van personen en goederen de oplegging van deze maatregel eist.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich, door tussenkomst van mr. R. Spoelstra, advocaat te Groningen, als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

1. ?

[naam 4] , de vader van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van 17.500,- ter vergoeding van affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

2. [ [naam 5] , de moeder van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van

4.982,04 ter vergoeding van materiële schade (uitvaartkosten) en 17.500,- ter vergoeding van affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

3. [ [naam 6] , de zus van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van 550,- ter vergoeding van materiële schade (uitvaartkosten) en 5.000,- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

3. [ [naam 7] , de neef van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van 5.000,- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing vatbaar zijn, met dien verstande dat verdachte telkens wordt veroordeeld tot betaling van de helft van het gevorderde schadebedrag. De overige helft dient voor rekening te komen van de medeverdachte. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het toe te wijzen schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft (de hoogte van) de door [naam 4] en [naam 5] gevorderde affectieschade en de door [naam 5] gevorderde kosten voor de grafsteen, het rouwboeket, de grafbedekking en de grafdecoratie, niet betwist.

Ten aanzien van de door [naam 5] gevorderde kosten voor de verzekering van het grafmonument en de door [naam 6] gevorderde kosten voor de bodycasting, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat deze niet onder de reikwijdte van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk wetboek (hierna: BW) vallen, zodat deze schadeposten moeten worden afgewezen.

Ook ten aanzien van de door [naam 6] en [naam 7] gevorderde shockschade heeft de raadsvrouw betoogd dat de vordering moet worden afgewezen. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat het door de benadeelde partijen gestelde geestelijk letsel is veroorzaakt door een directe confrontatie met (de ernstige verwondingen van) het slachtoffer in het ziekenhuis. Dit is voor toekenning van shockschade wel vereist. Ten aanzien van de vordering van [naam 7] heeft de raadsvrouw voorts aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat bij de benadeelde partij sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld dat is vastgesteld door een ter zake bevoegde en bekwame deskundige. Tot slot kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij, de neef van het slachtoffer, tot de kring der gerechtigden voor een vergoeding van shockschade behoort. Dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer een voldoende nauwe en affectieve relatie heeft bestaan, is onvoldoende onderbouwd.

De raadsvrouw heeft tot slot verzocht de schadevergoeding niet hoofdelijk toe te wijzen, maar tussen verdachte en de medeverdachte te verdelen.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde handelen van verdachte. Dit betekent dat verdachte op grond van artikel 6:108 BW aansprakelijk is voor de schade die het directe gevolg is van dit overlijden.

Affectieschade

Op grond van artikel 6:108, derde en vierde lid, BW heeft een beperkte kring van nabestaanden recht op de vergoeding van affectieschade. De rechtbank stelt vast dat de benadeelden [naam 4] en [naam 5] , de ouders van [slachtoffer 1] , onder die kring van gerechtigden vallen. Nu de vorderingen in overeenstemming zijn met het Besluit vergoeding affectieschade en de verdediging zowel het bestaan als de hoogte van de vorderingen niet heeft betwist, zal de rechtbank de gevorderde bedragen toewijzen.

Uitvaartkosten

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 5] kosten heeft gemaakt voor de uitvaart van [slachtoffer 1] . Het betreft kosten voor de grafsteen, het rouwboeket en de grafbedekking. Verdachte is op grond van artikel 6:108, tweede lid, BW verplicht tot vergoeding van deze kosten. Nu de hoogte daarvan niet door de verdediging is betwist, zal de rechtbank de gevorderde bedragen toewijzen. Ten aanzien van de door [naam 5] gevorderde kosten voor Decoratie (beeldje aartsengel) en Decoratie (gouden roos) en de door [naam 6] gevorderde kosten voor Gedenktekens thuis/bodycasting, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank acht het begrijpelijk en invoelbaar dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor grafdecoraties en herdenkingsbeelden ter gedachtenis aan hun overleden zoon en broer. De rechtbank is evenwel van oordeel deze kosten niet in een voldoende rechtstreeks verband staan tot de uitvaart zelf. Deze kosten kunnen daarom niet worden aangemerkt als uitvaartkosten in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW. Hetzelfde geldt voor de door [naam 5] gevorderde kosten voor de verzekering van het grafmonument. Dat een deel van deze kosten niet door de verdediging is betwist, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit deel om die reden alsnog toegewezen kan worden. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partijen op deze punten dan ook afwijzen.

Shockschade

De benadeelde partijen [naam 6] en [naam 7] hebben shockschade gevorderd. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde

partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door het waarnemen van het bewezen verklaarde handelen van verdachte of door een directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. Uit deze emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dit zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer is gedood of (ernstig) verwond. Het bestaan van dit geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, dient naar objectieve maatstaven te kunnen worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar is daartoe niet beperkt.

Voldoende is dat de hevige emotionele schok heeft geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.25

Uit de namens de benadeelde partijen overlegde stukken blijkt dat zij in de nacht van 19 juli 2025 zijn geïnformeerd over het schietincident waarbij hun broer en neef ernstig gewond is geraakt. Zij zijn direct daarop naar het ziekenhuis gegaan. Daar zijn zij geconfronteerd met de ernstige verwondingen van [slachtoffer 1] , die op dat moment in een comateuze toestand verkeerde. [naam 6] , de zus van [slachtoffer 1] , is daarnaast aanwezig geweest bij het moment dat de artsen de behandeling van [slachtoffer 1] hebben gestaakt, waarna hij is overleden.

De rechtbank stelt voorop dat het (plotselinge) overlijden van [slachtoffer 1] als gevolg van een gewelddadig strafbaar feit voor zijn familie onmiskenbaar een uiterst ingrijpende gebeurtenis is. De hevige emoties en het intense verdriet die daarvan het gevolg zijn, zijn zonder meer invoelbaar. Ook de confrontatie met de ernstige verwondingen van [slachtoffer 1] moet voor hen een zeer aangrijpende ervaring zijn geweest. De rechtbank kan op grond van de overlegde medische stukken echter niet vaststellen dat bij de benadeelde partijen sprake is van geestelijk letsel als gevolg van deze confrontatie. Uit de stukken is af te leiden dat benadeelde [slachtoffer 1] veel verdriet heeft van het overlijden van haar jongere broer en dat zij dit verlies moeilijk kan verwerken. Sinds zijn overlijden slaap ze slecht. Ze heeft nachtmerries en herbelevingen. Ze verwijt zichzelf dat ze het incident niet heeft kunnen voorkomen.

Daarnaast speelt ze de uitvaart nog vaak af in haar gedachten. Ook benadeelde Kock heeft erg geworsteld met het verlies van zijn neef. Voor het verwerken van dit verlies is EMDR als behandelmethodiek ingezet. De behandeling richtte zich daarbij op een specifiek beeld van de uitvaart van [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze informatie onvoldoende onderscheid kan worden gemaakt tussen het geestelijk letsel dat het gevolg is van het verdriet over het overlijden van [slachtoffer 1] (als gevolg van een strafbaar feit) en het letsel dat (mogelijk) het gevolg is van de directe confrontatie met de ernstige verwondingen van [slachtoffer 1] in het ziekenhuis. Als gevolg hiervan kan de rechtbank niet vaststellen dat het geestelijk letsel van de benadeelden het directe gevolg is van deze confrontatie, hetgeen wel vereist is om aanspraak te kunnen maken op de vergoeding van shockschade. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Niet hoofdelijk

Verdachte heeft het strafbare feit waaruit de schade is ontstaan samen met een ander gepleegd. Zij zijn daarom naar civielrechtelijke maatstaven in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. De rechtbank ziet echter aanleiding om de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 4] en [naam 5] niet hoofdelijk toe te wijzen.

De rechtbank vindt het onwenselijk dat verdachte contact moet hebben met de (minderjarige) medeverdachte om de onderlinge betalingen af te stemmen. De rechtbank zal daarom de vorderingen van de benadeelde partijen evenredig over verdachte en de medeverdachte verdelen.

Conclusie

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot het betalen van 8.750,- aan [naam 4] . Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade). De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen tot het betalen van 10.980,91 aan [naam 5] . Dit bedrag bestaat uit 2.230,91 aan materiële schade (grafsteen, rouwboeket en grafbedekking) en 8.750,- aan immateriële schade (affectieschade). De toe te wijzen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Tevens zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38z, 45, 47, 55, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak
De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte op de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair

[naam 4]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [naam 4] te betalen:

het bedrag van 8.750,- (zegge: achtduizendzevenhonderdvijftig euro). Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade);

de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening;

de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 8.750,- (zegge: achtduizendzevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade).

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 68 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

[naam 5]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [naam 5] te betalen:

het bedrag van 10.980,91 (zegge: tienduizendnegenhonderdtachtig euro en eenennegentig eurocent). Dit bedrag bestaat uit 2.230,91 aan materiële schade en 8750 aan immateriële schade (affectieschade);

de wettelijke rente, te weten:

over het bedrag 8.750,- (affectieschade) vanaf 19 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening;

over het bedrag 1.985,- (materiële schade; grafsteen) vanaf 30 april 2026 tot de dag van algehele vergoeding;

over het bedrag 209,50 (materiële schade; rouwboeket) vanaf 22 juli 2025 tot aan de dag van algehele vergoeding;

over het bedrag 36,41 (materiële schade; grafbedekking) vanaf 24 april 2026 tot de dag van algehele vergoeding;

- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 11.075,89 (zegge: elfduizendvijfenzeventig euro en negenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor bepaald. Dit bedrag bestaat uit 2.325,89 aan materiële schade en 8.750,-aan immateriële schade (affectieschade);

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 80 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

[naam 6]

Verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade (shockschade) niet-ontvankelijk. Dit gedeelte van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.

[naam 7]

Verklaart de vordering van [naam 7] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij zijn eigen proceskosten draagt.

De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Sieders, voorzitter, mr. H.R. Eising en mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. K. Bodewes, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2026.

1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde

opsporingsambtenaren opgemaakt. De genoemde paginas bevindein zich - tenzij anders aangegeven in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100/2025193176 (onderzoek Wodan) d.d. 18 december 2025. Het deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.07.21.001 (aanvraagnummer 001), d.d. 29 juli 2025, opgemaakt door drs. D.J. Rijken (arts en deskundige forensische pathologie), op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 301 e.v. van deel 11 van het procesdossier.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 2 oktober 2025, opgenomen op pagina

173 e.v. van deel 5 van het procesdossier in combinatie met het deskundigenrapport afkomstig van Eurofins/TMFI (Forensisch DNA-onderzoek), zaaknummer TMFI2025.3780-1, d.d. 28 juli 2025, opgemaakt door dr. M. Hidding (forensisch DNA-deskundige), op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 328 e.v. van deel 11 van het procesdossier en het deskundigenrapport afkomstig van het NFI (Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vuurwapens in Emlichheim (D) op 10 oktober 20215), zaaknummer 2025.07.21.001 (aanvraagnummer 007), d.d. 3 december 2025, opgemaakt door W. Kerkhoff (NFI-deskundige wapens en munitie), op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 341 e.v. van deel 11 van het procesdossier.

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ),

opgenomen op pagina 74 e.v. van deel 1 van het procesdossier.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ),

opgenomen op pagina 179 e.v. van deel 1 van het procesdossier, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen op pagina 192 e.v. van deel 1 van het procesdossier, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 september 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen op pagina 197 e.v. van deel 1 van het procesdossier en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen op pagina 208 e.v. van deel 2 van het procesdossier.

5 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026 en het proces-verbaal van

verhoor verdachte [verdachte] d.d. 8 september 2025, opgenomen op pagina 91 e.v. van deel 6 van het procesdossier.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 30 december 2025, opgenomen op

pagina 5 e.v. (digitaal) van een aanvullend proces-verbaal bij het procesdossier.

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ),

opgenomen op pagina 236 e.v. van deel 2 van het procesdossier in combinatie met de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 3] , d.d. 23 oktober 2025, opgenomen op pagina 49 e.v. van deel 7 van het procesdossier.

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen

op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier in combinatie met het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, d.d. 24 juli 2025, opgenomen op pagina 21 e.v. van deel 1 van het procesdossier.

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen

op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier.

10 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen

op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier in combinatie met de door verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026 afgelegde verklaring.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 2 oktober 2025 opgenomen op pagina

173 e.v. van deel 5 van het procesdossier en het proces-verbaal van bevindingen van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 30 december 2025, opgenomen op pagina 5 e.v.(digitaal) van een aanvullend proces-verbaal bij het procesdossier.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 148

e.v. van deel 6 van het procesdossier.

13 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2025, opgenomen op pagina 755 e.v. van deel 4 van

het procesdossier in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 september 2025 opgenomen op pagina 788 e.v. van deel 4 van het procesdossier.

14 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963

15 Kamerstukken II, 1976-1977, 14413 nr. 3, p. 26. Zie ook het arrest van het gerechtshof Arnhem-

Leeuwarden van 2 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2014:7466.

16 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026 in combinatie met het proces-

verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 2 oktober 2025, opgenomen op pagina 173 e.v. van deel 5 van het procesdossier.

17 Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] ) d.d. 22 oktober 2025, opgenomen op

pagina 139 e.v. van deel 11 van het procesdossier.

18 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ),

opgenomen op pagina 72 e.v. van deel 1 van het procesdossier.

19 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026.

20 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen

op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier.

21 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026.

22 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen

op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier.

23 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026 in combinatie met het proces-

verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 18 december 2025 opgenomen op pagina 248 e.v. van deel 6 van het procesdossier.

24 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen

op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier.

25 HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958.