RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
parketnummer 18-049722-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 14 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 november 2024 te Drachten opzettelijk mondeling, door gebaren en/of bij geschrift zich jegens [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, door meermaals contact op te nemen met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en een bijeenkomst te organiseren waar onder meer die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] bij aanwezig waren, gedurende welke bijeenkomst hij, verdachte, de regie had bij het afstemmen en/of repeteren van de verklaring die die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] bij de politie zouden afleggen en/of tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zei
dat er niet over de ontvoering en/of de zak en/of het wapen mocht worden verklaard bij de politie en/of
dat er niet over de aanwezigheid van [naam] bij het incident op 11 november 2024 mocht worden verklaard bij de politie,
althans woorden van gelijke aard en/of strekking.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit en een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden geëist. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft een bijeenkomst georganiseerd waarin hij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en zijn zoons heeft opgedragen wat zij wel en niet bij de politie zouden gaan zeggen over het feit waar zij toen (nog) van verdacht werden.
Zijn doel was dat er niet over de betrokkenheid van een van zijn zoons, [naam] , zou worden verklaard. Hij heeft daarnaast instructies gegeven dat de jongens niet over de ontvoering, de zak en het wapen mochten verklaren en stap voor stap het verhaal geoefend dat zij daags erna bij de politie moesten houden. Verdachte heeft derhalve op 17 november 2024 opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beïnvloed om tegenover de politie een onjuiste verklaring af te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft niet kennelijk de bedoeling gehad om de verklaringsvrijheid van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan te tasten.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten:
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte van 10 januari 2025, opgenomen op pagina 262 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024316128 van 27 januari 2025, inhoudende als verklaring van verdachte;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 12 december 2024, opgenomen op pagina 333 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een proces-verbaal van verhoor van getuige bij de rechter-commissaris van 21 oktober 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] ;
4. een proces-verbaal van verhoor van getuige bij de rechter-commissaris van 21 oktober 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] .
Bewijsoverweging
Uit zijn verklaring bij de politie leidt de rechtbank af dat het de bedoeling van verdachte is geweest om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (en zijn zoons) een verklaring te laten afleggen bij de politie waarmee zij (in ieder geval) de aanwezigheid van zijn zoon [naam] bij het strafbare feit, niet zouden noemen. Ook zouden zij niet mogen verklaren over het feit dat het slachtoffer een zak over zijn hoofd kreeg, in een auto moest stappen en dat er een wapen zou zijn gebruikt. Uit de uitwerking van het gesprek en de verhoren blijkt dat het verhaal dat zij in het gesprek oefenden onder leiding van verdachte, niet de waarheid was. In het gesprek wees hij aanwezigen op de mogelijke gevolgen als zij zich niet aan de door hem voorgestelde spreeklijn hielden, die er op neer kwam dat zij de kans liepen langer (in beperkingen) in voorarrest te verblijven en/of een hoge gevangenisstraf te krijgen. Hij wees daarbij op zijn leeftijd en zijn eigen ervaringen in het strafrecht als verdachte en veroordeelde. Naar het oordeel van de rechtbank gaan de door verdachte gegeven instructies en oefeningen van de verhoren verder dan het enkel geven van advies. Het opzet van de verdachte was gericht op het beïnvloeden van de nog af te leggen verklaringen. De omstandigheid dat ook betrokkenen zelf (in meer of mindere mate) belang hadden bij het verzwijgen van bepaalde gebeurtenissen tijdens het verhoor bij de politie, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.
De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 17 november 2024 te Drachten opzettelijk mondeling zich jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, door contact op te nemen met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en een bijeenkomst te organiseren waar onder meer [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij aanwezig waren, gedurende welke bijeenkomst hij de regie had bij het afstemmen en repeteren van de verklaring die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de politie zouden afleggen en tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zei
dat er niet over de ontvoering, de zak en het wapen mocht worden verklaard bij de politie en
dat er niet over de aanwezigheid van [naam] bij het incident op 11 november 2024 mocht worden verklaard bij de politie.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het feit
Artikel 285a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is in 1993 ingevoerd ter bescherming van bedreigde getuigen. Deze strafbepaling heeft tot doel de vrijheid van burgers te beschermen om onbelemmerd ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat daarbij niet de waarheidsvinding centraal staat, maar juist de bescherming van de verklaringsvrijheid. Dit artikel is daarmee van toepassing in situaties waarin (nog) geen sprake is van het uitlokken van meineed. Deze bepaling heeft niet alleen betrekking op getuigen en deskundigen, maar op iedereen die voor een rechter of ambtenaar een verklaring wil afleggen.1
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 285a Sr van toepassing is op de situatie in deze zaak, waarbij het gaat om personen die zijn beïnvloed in hun vrijheid om tegenover de politie een verklaring als verdachte af te leggen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Getuigen of deskundigen, of andere personen die die status aanvankelijk nog niet hebben, maar wel kunnen krijgen, kunnen op enig moment worden verplicht om naar waarheid en/of geweten te verklaren, behoudens de gevallen waarin zij zich op hun verschoningsrecht kunnen beroepen. Voor de fase daaraan voorafgaand heeft de wetgever de strafbaarstelling van artikel 285a Sr in het leven geroepen, ter bescherming van de verklaringsvrijheid van eenieder die tegenover een ambtenaar of een rechter een verklaring wil afleggen. In die fase kan er immers (nog) geen sprake zijn van strafbaarheid op grond van (een deelnemingsvorm van) artikel 207 Sr (meineed). Deze strafbaarstelling is daarnaast in het leven geroepen voor gevallen waarin vanwege andere redenen geen sprake is van het uitlokken van meineed.
Voor een verdachte geldt dat deze niet verplicht is om mee te werken aan zijn eigen veroordeling, het zogenaamde nemo tenetur beginsel, onder meer neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Een verdachte kan niet op enig moment onder ede worden verplicht tot het afleggen van een verklaring en aan meineed kan een verdachte zich niet schuldig maken. Elke verdachte heeft immers het recht te zwijgen en hij mag zelfs liegen. Zodoende verschilt de positie van een verdachte fundamenteel van die van de positie van ieder ander. De vrijheid die een verdachte heeft om te zwijgen en de vrijheid om te liegen worden naar het oordeel van de rechtbank door artikel 285a Sr niet beschermd, anders dan de vrijheid om (naar waarheid) te verklaren.
Toegepast op deze strafzaak betekent dat het volgende. Het gesprek tussen verdachte en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gevoerd ter voorbereiding van een verhoor waarin zij als verdachten een verklaring bij de politie zouden gaan afleggen. In die hoedanigheid konden zij zich beroepen op het zwijgrecht of een onware verklaring afleggen. In aanmerking genomen dat die vrijheid niet wordt beschermd door het bepaalde in artikel 285a Sr, is de rechtbank van oordeel dat de beïnvloeding door verdachte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun hoedanigheid van verdachte niet strafbaar is, zodat het feit niet kan worden gekwalificeerd.
De rechtbank zal verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.
Uitspraak
Verklaart het ten laste gelegde bewezen als voormeld maar niet te zijn een strafbaar feit.
Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Klungel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juli 2026.
mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1 Kamerstukken II, 1991/1992, 22483, nr. 3 (MvT), p. 39.