RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
parketnummer 18.239613.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juli 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Koopmans, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2024 tot en met 10 september 2025 te Nieuwolda, binnen de gemeente Oldambt en/of Groningen en/of de provincie Groningen en/of Drenthe, in ieder geval in Nederland,
opzettelijk, met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van het te plegen misdrijf omschreven in artikel 83 en/of 287 en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten:
- moord en/of doodslag, (te) begaan met een terroristisch oogmerk
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf heeft verschaft, verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad,
een of meer voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, wist dat deze bestemd waren tot het plegen van het misdrijf
immers heeft hij, verdachte,
zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van milieu/dieren extremisme eigen gemaakt
zich (online) laten informeren over het slachten van dieren en/of ander dierenleed
( recent) een wapen aangeschaft, te weten een machete
gezocht naar slagerijen (in de provincie(s) Groningen en/of Drenthe)
een testronde gemaakt in de stad Groningen waarbij hij een machete heeft meegenomen
( vervolgens) deze slagerijen benaderd, gewaarschuwd en/of bedreigd dat hij langs zou komen om iedereen dood te steken met een machete als de betreffende slagerijen de volgende dag niet dicht zouden zijn
- op zijn telefoon notities gemaakt met (bedreigende) titels als benodigheden plan en welke notities teksten en/of opsommingen bevatten als:
o notitie 1: "Machete kapmes”, Glock 15, Bivak muts / ski mask, handgranaten, een silencer voor pistool, 'wapens te vinden op het darkweb en/of
o notitie 3: 'zelfmoord als ik faal met mijn plan, geen reden om nog te blijven leven' en/of
o notitie 9: als ik 1 wens had, dan zou ik wensen voor een AK-47 met een extra grote clip. En ieder mens in mijn pad neerschieten , alle kanker imbecielen die verantwoordelijk zijn voor de vernedering van dieren, bijna iedereen dus, ook ikzelf ik zal mezelf als laatste door mijn hoofd schieten, zelfmoord na dat en/of
o notitie 11: i will kill myself for the things i did.
o notitie 12: AK 47 SCHIET IEDEREEN NAAR DE KANKER EN DAARNA SCHIET IK MEZELF DOOR MIJN EIGEN SCHEDEL EN/OF
o notitie 14: machete/ kapmes kopen en iedereen dood steken en/of
o notitie 16: 'machete zit in de winkelwagen, misschien is het beter om me in de gevangenis te laten stoppen, mijn haat zal een slachtoffer vinden, een idioot die aan animal cruelty doet, ik steek hem dood en dan kan ik in de gevangenis, daar zal ik lijden omdat ik dat verdien ik laat mezelf uithongeren en zal langzaam sterven, en blij zijn dat ik iemand heb doodgestoken die het verdient, ik geef niks om zijn kanker familie, net zoals hij dat ook niet deed om de slachtoffers die hij maakte, hij kan ook een zij zijn of iemand van een ander gender en/of
o notitie 18: 'de machete is besteld, ik ga iemand zijn leven afnemen, bloed op de straat, met het zaagstuk in zijn ledematen hakken, hahahahaha iemand die dieren mishandeld, je karma komt eraan, wie zal het worden
o notitie 21: de enige keer wanneer ik echt blij zou zijn in mijn leven is als ik mensen zou
"afslachten" met een machete hun ledematen eraf hakken en langzaam dood zou laten gaan, terwijl hun geliefden toekijken, darmen en bloed overal op de straat, massamoord met een
handgranaat in een winkelstraat zou heerlijk zijn. en/of
o notitie 31: 'vandaag naar Groningen voor een testronde, naar [restaurant] zodat het niet heel erg opvalt en dat ik de tweede keer minder opval dan kan ik gewoon zeggen dat ik daar nog een keer heen wil. machete gaat mee en de rest om het een beetje aan te voelen, het plan is om niet op te vallen en te kijken waar ik het beste kan slaan en/of
o notitie 32: het plan is opgeschoven naar volgende week dinsdag/vrijdag
2
hij in of omstreeks de periode van 9 september 2025 tot en met 10 september 2025 te Nieuwolda, binnen de gemeente Oldambt en/of de provincie Groningen en/of Drenthe, in ieder geval in Nederland, een of meer slagerijen, te weten
[slagerij 1]
[slagerij 2]
[slagerij 3]
[slagerij 4]
[slagerij 5]
[slagerij 6]
[slagerij 7]
[slagerij 8]
[slagerij 9]
[slagerij 10]
[slagerij 11]
[slagerij 12]
schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met een terroristisch misdrijf, althans met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door voornoemde slagerijen te mailen dat hij, verdachte, langs zou komen om iedereen dood te steken met een machete als de betreffende slagerijen de volgende dag niet dicht zouden zijn, althans woorden van gelijke dreigende strekking.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 en 2. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gesteld dat zowel het oogmerk van verdachte gericht op het voorbereiden van moord als het terroristisch oogmerk van die moord is bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat vast staat dat verdachte een deel van de bevolking ernstige vrees wilde aanjagen en dat dit ook uitdrukkelijk zijn bedoeling was, waarbij hij de maatschappij zijn ideologisch doel het stoppen van dierenleed ten bate van de mensheid op wilde leggen. Verdachte wilde dat deel van de bevolking vrees aanjagen dat in zijn ogen dieren leed toevoegt, hetgeen in feite betekent ongeveer ieder willekeurig persoon nu slechts ongeveer één procent van de Nederlandse bevolking veganistisch is.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het dossier in ieder geval niet voldoende tot de overtuiging kan leiden dat verdachte het oogmerk had om een ander van het leven te beroven. De notities, aangetroffen in de telefoon van verdachte, waren een wirwar van donkere teksten, waaruit slechts is af te leiden dat verdachte verward was. Ook was geen sprake van een terroristisch oogmerk, als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De door verdachte verzonden mail was gericht aan 14 slagers, waarmee niet wordt voldaan aan de eis dat een voldoende substantieel deel van de bevolking angstige gevoelens moet hebben verkregen. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
15 oktober 2021 (ECLI:NL:RBNHO:2021:9002).
Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat partiële vrijspraak moet volgen van het terroristisch misdrijf.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Aan verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een terroristisch misdrijf, namelijk het verrichten van voorbereidingshandelingen - als bedoeld in artikel 96, lid 2 Sr - tot het plegen van moord en/of doodslag. In artikel 83 Sr is bepaald welke misdrijven als terroristische misdrijven moeten worden gezien. Deze misdrijven moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk.
Artikel 83a Sr omschrijft het terroristisch oogmerk als “het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen”. In het kader van de beantwoording van de vraag of een misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk, is blijkens de wetsgeschiedenis beslissend welk gevolg de dader met zijn gedraging daadwerkelijk beoogde. Daarbij staat voorop dat het terroristisch oogmerk niet hetzelfde is als iemands ideologisch of religieus motief, hoewel dit motief wel een rol kan spelen in het bewijs van het terroristisch oogmerk. Wanneer uit de verklaringen van verdachte onvoldoende kan worden afgeleid wat hij met zijn daad wilde bereiken, moet worden beoordeeld of het oogmerk uit de feiten en omstandigheden kan worden afgeleid.
Vaststaat dat verdachte 14 mails heeft verstuurd met een dreigende tekst. Dit heeft hij gedaan omdat hij boos was over het leed dat dieren wordt aangedaan in de vleesindustrie en verdachte houdt slagers daarvoor verantwoordelijk. Uit de verklaringen van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte de slagers die hij een mail heeft gestuurd, bang wilde maken en wilde laten stoppen met het uitoefenen van hun werkzaamheden, maar niet dat hij daadwerkelijk van plan was iemand te doden. Hoewel de tekst van de mail iets zegt over de gedachtewereld van verdachte, volgt daaruit niet direct dat verdachte de bedoeling had de samenleving te ontwrichten of (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of dit uit de feiten en omstandigheden is af te leiden. In tegenstelling tot wat de officier van justitie heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat dit niet uit de notities op de telefoon van verdachte, de aanschaf van een machete en het maken van een testronde door de stad Groningen kan worden afgeleid. Ten aanzien van de notities merkt de rechtbank op dat uit de inhoud hiervan een zorgelijk beeld over de gedachtewereld van verdachte kan ontstaan. Zakelijk weergegeven blijkt hieruit dat verdachte een plan heeft, voor dat plan wapens moet aanschaffen en dat hij anderen en zichzelf wil ombrengen. Uit het dossier blijkt verder dat verdachte een machete heeft aangeschaft en die op zijn slaapkamer in een doos bewaarde. Eenmaal is hij met de machete op zak in Groningen falafel gaan eten om te bezien of de machete zou opvallen. Ook blijkt uit het dossier dat verdachte in toenemende mate somber werd, al geruime tijd geïsoleerd leefde en vrijwel al zijn tijd op zijn
kamer doorbracht om te gamen. Verdachte ontwikkelde suïcidale gedachten en gaf daar in de notities op zijn telefoon uiting aan. Daarnaast bekeek hij op internet beelden over dierenmishandeling in de vleesindustrie als deze toevallig langskwamen, hij zocht ze niet actief op. Deze beelden maakten verdachte kwaad en onmachtig en om te kalmeren uitte hij ook die woede en haat in notities op zijn telefoon. De rechtbank ziet die notities als een manier voor verdachte om zijn gevoelens van boosheid, onmacht en frustratie te uiten en daarmee ook te reguleren. De rechtbank vindt bevestiging voor die interpretatie in het feit dat verdachte ook na het (meermalen) verlopen van de deadline voor zijn “plan” niet tot gewelddadig gedrag is overgegaan, maar 14 dreigmails heeft gestuurd. De aanschaf van een machete en de eenmalige testronde ziet de rechtbank ook in het licht van bovenstaande. De rechtbank heeft bij de duiding van de notities ook acht geslagen op het Pro Justitiarapport dat over verdachte is opgemaakt.
Daaruit volgt dat verdachte kampte met heftige emoties en deze niet anders kon reguleren dan door ze op te schrijven. Hieruit blijkt verder dat verdachte sterke morele principes hanteert met betrekking tot dierenleed, maar ook dat hij geweld stellig afwijst en geen haat koestert jegens de Nederlandse maatschappij.
Daar komt bij dat onder het oogmerk om een deel van de bevolking ernstige vrees aan te jagen moet worden verstaan dat een dader met het gepleegde (of nog te plegen) misdrijf tot doel heeft te veroorzaken dat een aanzienlijke groep van personen angstige gevoelens voor iets dreigends krijgt (Memorie van Antwoord, Kamerstuk 2003-2003, 28463, nr. C, Eerste Kamer, blz. 7). Ook aan dit vereiste is - met het versturen van 14 e-mailberichten naar lokale slagerijen - naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan.
Uit het dossier is voorts niet naar voren gekomen dat verdachte de overheid heeft willen dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig heeft willen ontwrichten of vernietigen.
De rechtbank leidt ook uit de feiten en omstandigheden geen terroristisch oogmerk af en verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het verrichten van voorbereidings-handelingen tot het plegen van moord of doodslag met een terroristisch oogmerk.
De rechtbank leest de tenlastelegging zo dat verdachte subsidiair wordt verweten dat hij een misdrijf heeft voorbereid, als bedoeld in artikel 46 Sr. Van strafbare voorbereiding is sprake wanneer de dader opzettelijk middelen verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft, bestemd tot het begaan van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.
Uit vaste jurisprudentie volgt vervolgens dat een drietal criteria maatgevend zijn om te bepalen of een voorwerp kennelijk is bestemd tot het begaan van de beoogde misdrijven:
de uiterlijke verschijningsvorm van de voorbereidingsmiddelen;
het gebruik daarvan; en
het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik voor ogen had.
Vastgesteld kan worden dat verdachte een machete heeft aangeschaft. Hij is één keer uit eten geweest in Groningen, terwijl hij de machete in zijn tas had. Vervolgens heeft verdachte de machete op zijn kamer bewaard. Dat hij daarmee een misdadig doel voor ogen had, is naar het oordeel van de rechtbank niet te bewijzen. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, kan uit de notities van verdachte, hoe verontrustend deze ook zijn, niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat hij daadwerkelijk het concrete plan had opgevat om iemand te doden, anders dan zichzelf. Dit volgt ook niet uit enig ander bewijsmiddel.
Dit betekent dat integrale vrijspraak moet volgen voor feit 1.
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 10 september 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025245505 d.d.18 november 2025, inhoudend de verklaring van [naam - slagerij 2] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 10 september 2025,
opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam 1] ( [slagerij 3] );
4. een schriftelijke slachtofferverklaring, opgesteld door [naam - slagerij 7] ;
5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 10 september 2025,
opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam - slagerij 8] ;
6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 10 september 2025,
opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam 2] ( [slagerij 9] );
7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 11 september 2025,
opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam - slagerij 10] ;
8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 10 september 2025,
opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam 3] ( [slagerij 11] );
9. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 10 september 2025,
opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam 4] ( [slagerij 12] ).
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte bovengenoemde slagerijen schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met de dood door hen een e-mail te sturen, waarin stond vermeld dat verdachte langs zou komen om iedereen dood te steken met een machete als zij de volgende dag niet dicht zouden zijn. Verdachte heeft bekend dat hij de berichten heeft verzonden en dat het zijn bedoeling was om angst aan te jagen. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte heeft gedreigd met een terroristisch misdrijf en verwijst daartoe naar hetgeen is overwogen met betrekking tot feit 1.
De rechtbank acht tevens niet bewezen dat verdachte de slagerijen [slagerij 1] ,
[slagerij 4] , [slagerij 5] en [slagerij 6] heeft bedreigd, nu op basis van de stukken in het dossier niet kan worden vastgesteld dat deze slagerijen op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging, hetgeen een vereiste is om tot een bewezenverklaring van bedreiging te komen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 9 september 2025 tot en met 10 september 2025 in Nederland, slagerijen, te weten
[slagerij 2]
[slagerij 3]
[slagerij 7]
[slagerij 8]
[slagerij 9]
[slagerij 10]
[slagerij 11]
[slagerij 12]
schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door voornoemde slagerijen te mailen dat hij, verdachte, langs zou komen om iedereen dood te steken met een machete als de betreffende slagerijen de volgende dag niet dicht zouden zijn, althans woorden van gelijke dreigende strekking.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt, meermalen gepleegd.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals is geadviseerd door de reclassering. Tevens heeft zij gevorderd dat verdachte een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (GVM), als bedoeld in artikel 38z Sr, zal worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Zij heeft gesteld dat de ernst van de feiten ook zouden kunnen worden uitgedrukt in een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en eventueel een GVM. Daar komt bij dat verdachte op 21 juli 2026 geplaatst kan worden bij [instelling 2] . Bij een langere gevangenisstraf is het nog maar de vraag of verdachte daar nog terecht kan.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het Pro Justitiarapport van 15 juni 2026, opgemaakt door drs. J. Hamel (GZ-psycholoog) en W. de Kruijf (forensisch milieuonderzoeker) en het reclasseringsrapport van 18 juni 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen met de dood door aan een achttal slagerijen een e-mail te sturen, waarin hij dreigde dat hij langs zou komen om iedereen dood te steken met een machete als de slagerijen de volgende dag niet dicht zouden zijn. Door aldus te handelen heeft hij gevoelens van onveiligheid en angst opgewekt.
In het Pro Justitiarapport van 15 juni 2026 komt de deskundige tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van AD(H)D en van autisme. Daarnaast is sprake van een depressieve stoornis met recidiverende suïcidale gedachten, een stoornis in cannabisgebruik en een internetgamingstoornis. Deze stoornissen waren ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde ook aanwezig. Mochten de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, dan adviseert de deskundige om verdachte de feiten in verminderde mate toe te rekenen vanwege de invloed van de AD(H)D, het autisme en de depressieve stoornis op zijn handelen.
Op basis van dit rapport komt de rechtbank tot het oordeel dat bij verdachte sprake is van meerdere persoonlijkheidsstoornissen. Voor de rechtbank is ook duidelijk dat een aantal van deze stoornissen zodanig hebben doorgewerkt in het gedrag van verdachte dat het bedreigen van de slagerijen in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.
Door de gedragsdeskundige wordt ingeschat dat wanneer verdachte behandeling gaat volgen en in een beschermde woonvorm gaat wonen, de risicos op recidive zullen afnemen. Verdachte heeft baat bij toezicht, duidelijke afspraken en structuur. Hij heeft laten zien dat hij in de loop van de periode dat hij gedetineerd zit beter is gaan functioneren. Hij is gestopt met het gebruik van cannabis en sterke drank en is gestart met medicatie die hem meer rust in zijn hoofd brengt. Er is sprake van een gestructureerd
dagprogramma, waar verdachte aan deelneemt en hij heeft zijn slaap/waak ritme in positieve zin kunnen bijstellen. Ook is hij geregeld in contact met anderen, waaraan hij plezier en energie ontleent. Om deze werkzame factoren zoveel mogelijk voort te zetten, wordt onder meer geadviseerd om verdachte in een beschermd wonen setting te plaatsen. Ook wordt een psychologische behandeling geadviseerd, onder meer gericht op verbetering van de emotieregulatie, zodat verdachte leert dat er ook andere manieren zijn om met gevoelens van woede en verdriet om te gaan. In het advies van Reclassering Nederland van 18 juni 2026 zijn de bijzondere voorwaarden die aan verdachte zouden moeten worden opgelegd om de kans op herhaling te beperken, nader uitgewerkt. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij zich aan alle voorwaarden wil houden.
Omdat de rechtbank feit 1 geheel en met betrekking tot feit 2 het terroristisch oogmerk niet bewezen acht, komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid en het belang van behandeling, ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte langer vast te laten zitten. Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er met ingang van vandaag een plek voor verdachte is geregeld in een beschermde woonvorm. De rechtbank acht het van belang dat verdachte deze plek niet verliest. De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met een proeftijd van 3 jaar, waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden, met uitzondering van de voorwaarde dat verdachte moet meewerken met het gemeentelijk traject. De rechtbank is van oordeel dat niet duidelijk is wat deze voorwaarde inhoudt.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd van 450 dagen, waarvan 136 dagen voorwaardelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast nog een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking, als bedoeld in artikel 38z Sr, op te leggen.
Inbeslaggenomen goederen
De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een telefoon en een machete vatbaar voor verbeurdverklaring nu feit 2 met behulp van deze voorwerpen is begaan en deze toebehoren aan verdachte.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 450 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 136 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
De veroordeelde meldt zich op 21 juli 2026 bij mevrouw [naam 5] en de heer [naam 6] van Reclassering Nederland en blijft zich melden zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht. De reclassering bepaalt welke gespreksonderwerpen van belang zijn om een inschatting te kunnen maken van de recidive- en veiligheidsrisicos, waarbij de privacy van de veroordeelde zoveel mogelijk gerespecteerd zal worden. De veroordeelde moet op een constructieve wijze meewerken aan deze gesprekken en openheid van zaken geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
De veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door de AFPB of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek en reeds gestart medicamenteus beleid valt hieronder ook de verplichte inname van medicatie zoals door de psychiater voorgeschreven.
Indien daartoe aanleiding is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de veroordeelde zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor stabilisatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken.
3. De veroordeelde verblijft bij [instelling 2] op de beschermde woonlocatie [adres] , of een soortgelijke instelling voor beschermd wonen te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig acht. De veroordeelde zal op 21 juli 2026 door zijn ouders vanuit de [instelling 1] naar de locatie van [instelling
4. De veroordeelde zal gedurende de proeftijd geen cannabis gebruiken en geen alcohol drinken. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
5. De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding.
6. De veroordeelde werkt mee aan budgetbeheer indien nodig en is open over zijn financiële situatie.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.