Rechtbank Noord-Nederland, eerste aanleg - meervoudig strafprocesrecht

ECLI:NL:RBNNE:2026:385

Op 5 February 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafprocesrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 18.385703.24 (ontneming), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:385. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
18.385703.24 (ontneming)
Datum uitspraak:
5 February 2026
Datum publicatie:
13 February 2026

Indicatie

Procesafspraken. Ontnemingszaak. Rekening is gehouden met de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken. De rechtbank acht de in de procesafspraken opgenomen afdoening redelijk en passend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.385703.24

beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 5 februari 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

hierna: de veroordeelde

Procesverloop

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 19 maart 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 188.750,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.385703.24 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel. De

behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 22 januari 2026.

Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank

De ontnemingsvordering maakt onderdeel uit van procesafspraken die het openbaar ministerie en de verdediging hebben gemaakt in de strafzaak tegen veroordeelde. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, en voorzien van de handtekeningen van zowel de officier van justitie als die van de veroordeelde en zijn raadsvrouw, is overgelegd aan de rechtbank. Het openbaar ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.

De overeenkomst tussen het openbaar ministerie en de verdediging houdt met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel -zakelijk weergegeven- in dat:

het openbaar ministerie ter terechtzitting haar eis van de vordering ontneming zal wijzigen en zal vorderen dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op 118.000,00;

het openbaar ministerie ter terechtzitting zal vorderen dat de betalingsverplichting van veroordeelde in het kader van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden vastgesteld op 118.000,00;

de verdediging zal hiertegen geen verweer voeren en veroordeelde zal aan de betalingsverplichting voldoen.

De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het openbaar ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. De rechtbank dient daarbij te beoordelen of de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) aan een eerlijk proces stelt, voldoende zijn gewaarborgd. Bij die beoordeling zijn leidend de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022.1

De rechtbank heeft op de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van 22 januari 2026 de procesafspraken besproken, zoals deze zijn vervat in de ondertekende overeenkomst.

De officier van justitie heeft de achterliggende redenen voor het maken van de procesafspraken toegelicht. Daarbij heeft hij aangegeven dat deze afspraken in het belang zijn van het efficiënt afronden van de ontnemingsvordering.

Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich volledig bewust is van de inhoud van de gemaakte procesafspraken en dat hij erachter staat. De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde vrijwillig en op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan hetgeen in de procesafspraken is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat veroordeelde zich bewust is van de rechtsgevolgen van de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van bepaalde verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, zoals neergelegd in art. 6 EVRM. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat veroordeelde gedurende het proces is bijgestaan door zijn raadsvrouw.

Ondanks de gemaakte procesafspraken behoudt de rechtbank haar eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of de vaststelling van het wederrechtelijk voordeel en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting plaatsvindt in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke regeling. Dit betekent dat zij in de onderhavige zaak zelfstandig moet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel

36e Sr is voldaan.

Beoordeling

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van een ontnemingsmaatregel ter hoogte van 118.000,00 en het vaststellen van de betalingsverplichting op een bedrag van 118.000,00.

De officier van justitie heeft de vordering gebaseerd op het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, dat is opgemaakt naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld en de herberekening die is opgenomen in de gemaakte procesafspraken.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd en heeft gepersisteerd bij de inhoud van de procesafspraken.

Oordeel van de rechtbank

De grondslag voor de ontnemingsvordering betreft artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr. Op grond van deze artikelleden kan aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van voordeel dat wederrechtelijk is verkregen door middel van of uit de baten van dat strafbare feit, dan wel andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 5 februari 2026 in de zaak met parketnummer 18.385703.24 veroordeeld. Vast is daarmee komen te staan dat de veroordeelde zich - kort gezegd - onder meer schuldig heeft gemaakt aan het verkopenvan cocaïne.. Op grond van het ontnemingsrapport is aannemelijk geworden dat de veroordeelde uit dit strafbare feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het ontnemingsrapport geschat op

188.750,00. In de overeenkomst tussen veroordeelde en het openbaar ministerie is een herberekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel opgenomen in verband met aanvankelijk te laag ingeschatte inkoopkosten, waarna het wederrechtelijk verkregen voordeel op 118.000,00 is geschat.

De rechtbank is van oordeel dat de in de procesafspraken opgenomen herberekening in combinatie met het ontnemingsrapport een voldoende nauwkeurige schatting geven van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de daarin opgenomen vaststellingen en conclusies. De rechtbank stelt derhalve het totale wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van 118.000,00.

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rapport berekening wederechtelijk verkregen voordeel per delict van Politie Noord-Nederland met nummer HOP/NNRAA21012 d.d. 4 maart 2025;

de in de procesafspraken d.d. 18 september 2025 op pagina 2 en 3 opgenomen herberekening van het wedderrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank ziet geen redenen de op te leggen betalingsverplichting op een lager bedrag te stellen dan het hiervoor genoemde bedrag aan genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

Wijst de vordering van de officier van justitie toe.

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 118.000,00.

Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 118.000,00 (zegge: honderdachttienduizend euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. C. Brouwer en mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 februari 2026.

Mr. K. Offerein-Hulshoff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.