Rechtbank Noord-Nederland, schadevergoedingsuitspraak strafprocesrecht

ECLI:NL:RBNNE:2022:5584

Op 15 November 2022 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een schadevergoedingsuitspraak procedure behandeld op het gebied van strafprocesrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 18/256622-21, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2022:5584. De plaats van zitting was Assen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
18/256622-21
Datum uitspraak:
15 November 2022
Datum publicatie:
16 February 2026
Verwijzingen:
Wetboek van Strafvordering 530

Indicatie

Deze uitspraak is niet samengevat voor publicatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer : 18/256622-21 raadkamernummer : 21/015285

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer d.d. 15 november 2022 op het verzoekschrift ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend door:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres]

hierna te noemen: verzoekster.

Procesverloop

Procesverloop

Het op 5 oktober 2021 ter griffie ingekomen verzoek strekt tot van de kosten van rechtsbijstand die door verzoekster zijn gemaakt ten gevolge van de tegen haar gevoerde strafzaak tot een bedrag van in totaal 1.250,67.

Het verzoek strekt tevens tot het toekennen van de standaardvergoeding ten bedrage van

340,- ten laste van de Staat voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift, eventueel te vermeerderen in geval van een zitting.

De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 6 december 2021 en de reactie van de advocaat van 13 december 2021.

Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 1 november 2022. Daarbij zijn de advocaat van verzoekster mr. M.R.M. Schaap en de officier van justitie mr. R.B. Meinderts gehoord.

Verzoekster is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Zowel mr. Schaap als de officier van justitie hebben ter zitting gepersisteerd bij hun schriftelijke standpunten.

Overwegingen

Motivering

De rechtbank overweegt als volgt.

Het Openbaar Ministerie heeft op 24 september 2021 de onderhavige strafzaak geseponeerd omdat niet-strafrechtelijk ingrijpen de voorkeur verdiende, te weten een bestuursrechtelijk handhavingstraject dat direct na de inval is in gezet - onder meer 14 dagen sluiting-. De strafzaak is daarmee geƫindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekster is eigenaresse van een coffeeshop, genaamd [coffeeshop] te [plaatsnaam] . Op basis van een MMA melding is op [datum] 2021 een inval door de politie gedaan. In de coffeeshop van verzoekster is destijds meer dan 500 gram hennep aangetroffen, hetgeen in strijd is met het gedoogbeleid. Door verzoekster is aangegeven dat zij -in het kader van een experiment gesloten coffeeshopketen - reeds in 2019 heeft aangegeven bij de gemeente dat zij ruim 1.000 gram hennep per dag verkoopt. Verzoekster wil voorkomen dat haar coffeeshop op meerdere momenten per dag bevoorraad moet worden, daarom heeft zij een dagvoorraad van meer dan 500 gram aanwezig in de coffeeshop. Dit wel op een plek die dusdanig verhuld is, dat een derde daar geen weet van of zicht op heeft.

Ingevolge het bepaalde in artikel 534 Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit het verzoekschrift en de reactie van de raadsvrouw op het schriftelijke standpunt van de officier van justitie volgt dat zowel de gemeente als de politie op de hoogte is van het feit dat er dagelijks meer voorraad hennep aanwezig is dan is toegestaan in de coffeeshop van verzoekster. Daarnaast blijkt uit het dossier niet wat de inhoud van de MMA melding is geweest, op basis waarvan de politie een inval heeft gedaan in de coffeeshop. Feit is daarnaast dat het Openbaar Ministerie er niet voor gekozen heeft om de zaak direct na de inval te seponeren waardoor verzoekster kosten heeft gemaakt die zij anders niet had hoeven maken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden gronden van billijkheid aanwezig om schadevergoeding toe te kennen. Nu de declaratie van de advocaat de rechtbank niet apert onredelijk voorkomt, zal de rechtbank de verzochte vergoeding in zijn geheel toewijzen.

De rechtbank zal, conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling daarvan ter zitting, een vergoeding inclusief BTW toekennen van 680,-.

Beslissing

De rechtbank kent aan verzoekster, ten laste van de Staat, een vergoeding toe van 1.930,67 (zegge: duizend negenhonderddertig euro en zevenenzestig eurocent), over te maken op rekeningnummer [bankrekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Schaap Strafrechtadvocaten onder vermelding van [nummer] /530Sv.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Eelsing, rechter, bijgestaan door mr. M.W. ten Brinke, griffier.