RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
parketnummer 18-281216-25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-830037-19
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Pitstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 september 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, die [slachtoffer] (achtereenvolgens)
tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen,
meermaals tegen het hoofd, althans het lichaam, heeft geschopt,
( meermaals) met beide handen op het hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen,
in het gezicht, althans tegen het lichaam, heeft geschopt,
meermaals met gebalde vuisten tegen het hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen, en/of
toen die [slachtoffer] overeind wilde komen, met kracht in het gezicht, althans tegen het lichaam, heeft geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 september 2025 te Groningen aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] (achtereenvolgens)
tegen het hoofd te slaan, waardoor die [slachtoffer] ten val komt,
meermaals tegen het hoofd, althans het lichaam, te schoppen,
( meermaals) met beide handen op het hoofd, althans het lichaam, te slaan,
in het gezicht, althans tegen het lichaam, te schoppen,
meermaals met gebalde vuisten tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan, en/of
, wanneer die [slachtoffer] overeind wil komen, met kracht in het gezicht, althans tegen het lichaam, te schoppen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 september 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] (achtereenvolgens)
tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen,
meermaals tegen het hoofd, althans het lichaam, heeft geschopt,
( meermaals) met beide handen op het hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen,
in het gezicht, althans tegen het lichaam, heeft geschopt,
meermaals met gebalde vuisten tegen het hoofd, althans het lichaam, heeft geslagen, en/of
toen die [slachtoffer] overeind wilde komen, met kracht in het gezicht, althans tegen het lichaam, heeft geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever bewust heeft aanvaard. Immers heeft verdachte met geschoeide voet, meermalen, doelgericht en met volle kracht, ook terwijl aangever al op de grond ligt, tegen het hoofd van aangever geschopt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. De kans dat aangever daadwerkelijk zou overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen door de handelingen van verdachte is niet aanmerkelijk te achten.
Vaststelling van de feiten
De rechtbank overweegt dat uit de beelden is gebleken dat verdachte aangever meermaals heeft geslagen en geschopt, ook terwijl aangever op de grond ligt en dat verdachte één keer tegen het hoofd van aangever heeft geschopt, terwijl aangever op zijn knieën zit. Daarnaast is uit de vertaling van de medische informatie gebleken dat bij aangever als gevolg daarvan sprake is van een kneuzing van het netvlies, een fractuur in het neusbeen en een fractuur van aangezichtsbeenderen. Uit de door de raadsvrouw van aangever aangeleverde aanvullende stukken is gebleken dat de neus van aangever in het ziekenhuis is rechtgezet, dat hij 6 weken geen contactsporten mocht beoefenen en dat na revisie is gebleken dat de stand van de neus goed is en dat het goed gaat met aangever.
Het ten laste gelegde
Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging tot doodslag, zware mishandeling, dan wel poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van het slachtoffer respectievelijk het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer door zijn gedragingen zou hebben kunnen doden of bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou (hebben kunnen) aanrichten. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden waaronder de gedragingen zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank stelt voorop dat onder bepaalde omstandigheden het schoppen tegen iemands hoofd de aanmerkelijke kans in het leven kan roepen dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Deze omstandigheden kunnen bijvoorbeeld gelegen zijn in de kracht van het schoppen, de precieze plek op het hoofd waartegen is geschopt en wat voor schoenen verdachte aan had. Naar het oordeel van de rechtbank geven de beelden in samenhang met de vertaling van de medische informatie en de letselverklaring, te weinig specifieke informatie op basis waarvan vastgesteld kan worden dat in dit geval een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Ook uit het letsel van het slachtoffer kan niet zonder meer afgeleid worden dat door het geweld een aanmerkelijke kans op overlijden in het leven is geroepen.
Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de poging tot doodslag.
De rechtbank dient zich vervolgens te buigen over de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Naast de in artikel 82 Sr van het Wetboek van Strafrecht aangeduide gevallen, staat het de rechtbank vrij lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen als dat voldoende belangrijk is om naar normaal taalgebruik als zodanig te worden aangeduid. Gelet op de uiteenlopende vormen waarin lichamelijk letsel zich kan voordoen, kan moeilijk precies worden aangegeven wanneer dat letsel als zwaar lichamelijk letsel geldt.
Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven genoemde letsels en ook het samenstel daarvan niet als zwaar lichamelijk letsel kunnen worden aangemerkt. Uit de medische stukken en de door de raadsvrouw van aangever overgelegde stukken blijkt niet dat uit de aard van het letsel volgt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het aangezichtsletsel heeft bij aangever geen operatieve correctie plaatsgevonden en is het herstel afgerond. De (zeer beperkt) aanwezige restschade noopt niet tot een ander oordeel.
Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de zware mishandeling.
De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 september 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R025181 (onderzoek: Adderwortel) d.d. 8 december 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;
een vertaling medische informatie, op 2 december 2025 opgemaakt, opgenomen op p. 75 e.v. van voornoemd dossier;
een geneeskundige verklaring, opgemaakt op 28 september 2025, opgemaakt door drs. [arts-assistent KNO 1] , arts-assistent KNO, bijgevoegd bij voornoemd dossier (niet doorgenummerd);
een geneeskundige verklaring, opgemaakt op 3 oktober 2025, opgemaakt door drs. [arts-assistent KNO 2] , arts-assistent KNO, bijgevoegd bij voornoemd dossier (niet doorgenummerd).
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Doordat verdachte met kracht meermaals tegen het hoofd van aangever heeft geslagen, tegen zijn lichaam en een keer tegen zijn hoofd heeft geschopt, bestond er een aanmerkelijke kans dat aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het schoppen tegen het hoofd van aangever is naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.
Conclusie
De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling. De rechtbank acht het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 27 september 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] achtereenvolgens
tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen,
meermaals tegen het lichaam, heeft geschopt,
( meermaals) met beide handen op het lichaam, heeft geslagen,
meermaals met gebalde vuisten tegen het hoofd, heeft geslagen, en
toen die [slachtoffer] overeind wilde komen, met kracht in het gezicht, heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
meer subsidiair. poging tot zware mishandeling
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke toedracht die verdachte ten grondslag heeft gelegd aan zijn beroep op noodweer, wordt weerlegd door de overige onderzoeksbevindingen en niet aannemelijk is geworden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit dat sprake is van noodweer, nu aangever een pistool bij zich had en verdachte zichzelf hiertegen wilde verdedigen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden en het verweer wordt daarom verworpen.
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Overwegingen
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een straf gelijk aan de duur van het voorarrest.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 23 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, door bewust de confrontatie te zoeken met aangever en door hem meermalen te slaan, tegen het lichaam te schoppen en eenmaal tegen zijn hoofd te schoppen. Verdachte heeft met zijn handelen op een grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de gevolgen van het handelen van verdachte voor aangever nog ernstiger hadden kunnen zijn, zoals het oplopen van hersenletsel, nu het hoofd een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam betreft. Dat dit niet is gebeurd is niet aan het handelen van verdachte te danken. Daarnaast neemt de rechtbank mee dat een feit als dit ook voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving zorgt. De rechtbank neemt verder mee dat verdachte op dat moment voorwaardelijk in vrijheid was gesteld. Door deze wijze van handelen heeft hij (opnieuw) laten zien zich niets van de aan hem gestelde voorwaarden aan te trekken, ook niet als dat betekent dat hij terug moet naar de gevangenis.
Persoon van verdachte
Uit het reclasseringsrapport is gebleken dat sprake is van een gemiddeld risico op recidive en letselschade. Verdachte liep in de voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) van een eerder opgelegde detentie. Door zijn nieuwe aanhouding kon een eerder opgelegde behandeling niet doorgaan. De reclassering gaat er verder vanuit dat verdachte geen zinvolle dagbesteding en geen relatie heeft, dat er in het verleden sprake is geweest van drugsmisbruik en dat er sprake is (was) van een laag inkomen. Bovendien is verdachte vaker veroordeeld voor meerdere Opiumwet- en geweldsdelicten. De reclassering ziet hoge risicos, nu verdachte zich waarschijnlijk nog steeds in een crimineel milieu bevindt en hij pro-crimineel heeft gehandeld tijdens zijn v.i. De rechtbank houdt met voorgaande rekening bij de strafoplegging.
Straf
De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Anders dan de officier van justitie en de reclassering acht de rechtbank een GVM niet passend, nu verdachte op de terechtzitting heeft aangegeven alsnog met de reclassering te willen meewerken.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 949,01 ter vergoeding van materiële schade en 8.175,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen, op de toekomstige schade na, voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing in aanmerking komen. Het overige deel moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij vordert daarbij ook de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de materiële schade niet voldoende is onderbouwd en niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat de immateriële schade zeer gematigd moet worden.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank oordeelt dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade onvoldoende is onderbouwd. Uit de vordering is namelijk niet gebleken welke schade, aangever exact heeft geleden en zijn er (behalve één ongedateerde) geen afschriften overlegd. De rechtbank zal deze vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. De gevorderde toekomstige immateriële schade ten bedrage van 1.500,00 zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van het overige deel van de gevorderde immateriële schade ten bedrage van
6.675,00 is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het meer subsidiair bewezenverklaarde. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de categorie licht letsel van de Rotterdamse schaal onder (c). Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op 500,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 22 januari 2024 van de politierechter in deze rechtbank, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 3 weken voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 18 juni 2025. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbaar feit zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 23 december 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet tegen de vordering verzet.
Oordeel van de rechtbank
Nu veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
het bedrag van 500,00 (zegge: vijfhonderd euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] , ten aanzien van het bedrag van 1.500,00 aan toekomstige immateriële schade, niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht
Wijst de vordering van [slachtoffer] , ten aanzien van de immateriële schade voor het overige af.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] , ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer] zijn eigen proceskosten draagt.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur 5 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 22 januari 2024, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van voorarrest.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2026.
Mr. T.R. Bosker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.