Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 21 november 2025 te Assen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een (brandende) sigaret, althans open vuur en/of een (andersoortig) brandend voorwerp in aanraking te brengen met brandstof (afkomstig uit en/of in de nabijheid van een scooter), althans een (onderdeel van een) scooter (te weten: een Peugeot [kenteken] ), ten gevolge waarvan die scooter en/of een fiets geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde scooter en/of een fiets en/of bosschages nabij die scooter te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 21 november 2025 te Assen, opzettelijk en wederrechtelijk een scooter en/of een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij, op of omstreeks 21 november 2025 te Assen, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door die [slachtoffer 1] via tekstberichten dreigend de woorden toe te voegen
- " of moet ik nu komen.je huis in de fik steken met jullie erin? En denk niet dat het bluf is" en/of
- " ik heb door jou niks meer te verliezen en ben bereid iemand te vermoorden voor ik er zelf
uitstap" en/of
- " ik wacht je op zo ga nu centrum uit en op je route van hond lopen kom je me tegen" en/of
- " kom er nu aan maak jullie beide af" en/of
- " en [nickname] ga je me belle. Of willen jullie dood?"
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair en feit 2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft de leidingen van de scooter van aangeefster [slachtoffer 1] losgetrokken en heeft per ongeluk zijn sigaret in de vrijgekomen benzine laten vallen. Aldus had verdachte geen opzet op de brandstichting. Daarnaast ontkent hij dat hij tegen een getuige heeft gezegd dat hij de brand heeft gesticht. De subsidiair tenlastegelegde beschadiging van de scooter kan wel bewezen worden. Schade aan de fiets kan zowel in de primaire als subsidiaire variant niet worden bewezen, nu de fiets ook niet op de foto’s is te zien en andere bewijsmiddelen ontbreken. Met betrekking tot het bewijs voor feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen en zal dat hieronder uitleggen.
Feit 1 primair
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 26 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 21 november 2025 heb ik in Assen voor de woning van [slachtoffer 1] leidingen van haar scooter losgetrokken. Toen liep er benzine uit de scooter.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 november 2025, opgenomen op pagina 6 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025315970 d.d. 22 november 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:
Ik was op 21 november 2025 thuis in mijn woning aan de [adres] te Assen. Ik liep naar het raam en zag dat daar mijn ex-partner, [verdachte] , stond. Ik zag dat [verdachte] aan mijn scooter, een Peugeot [kenteken] , zat. Ik heb hiervan foto's genomen. Ik zag dat [verdachte] iets deed, daarna ging direct mijn scooter in de brand. Ik zag dat er gele vlammen vanaf kwamen en dat er zwarte rook was.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 november 2025, opgenomen op pagina 27 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025315970 d.d. 22 november 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2]:
Ik had mijn fiets op 21 november op het voetpad ter hoogte van mijn woning aan de [adres] te Assen staan. Ik zag vanuit mijn raam dat de scooter van de buurvrouw in brand stond. Mijn fiets stond bij deze scooter. Ik zag dat mijn achterlampen, zadel en achterband deels weggesmolten waren. Verder heeft de fiets her en der meer brandschade opgelopen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 21 november 2025, opgenomen op pagina 30 van voornoemd dossier, inhoudend als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] , onder meer:
Op 21 november 2025 werd er door het Operationeel Centrum voor de politie-eenheid Noord-Nederland een melding van een scooterbrand uitgegeven aan de [adres] te Assen. Deze brand zou zijn ter hoogte van nummer [nummer] en een getuige zou nog achter de verdachte aanlopen.
Ter hoogte van de Venebrug zagen wij een man lopen die voldeed aan het opgegeven signalement. Deze man werd vervolgens door ons staande gehouden waarna de getuige zich meldde bij ons en verklaarde dat wij de juiste persoon hadden.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 21 november 2025, opgenomen op pagina 9 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige]:
Op 21 november 2025 was ik getuige van een brandstichting gepleegd aan de [adres] te Assen. Ter hoogte van mijn woning zag ik een brommer staan die in de brand stond. Bij de brommer zag ik een man staan. Ik zag dat de man op mij af kwam lopen. Ik zei tegen de man: “Steek jij nou die brommer in de fik?” Ik hoorde de man hierop zeggen: “Ja, die stinkhoer, ik gaf haar eten en alles en dit is alles wat ik terug krijg”.
6. De eigen waarneming van de rechtbank die bij het onderzoek op de terechtzitting van 26 februari 2026 door haar persoonlijk is gedaan in voornoemd procesdossier, voor zover inhoudende:
De rechtbank neemt op foto 3 (pagina 18) en foto 4 (pagina 19) rechts voor de brandende scooter het achterwiel van een fiets waar.
Feit 2
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 februari 2026;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 november 2025, opgenomen op pagina 6 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025315970 d.d. 22 november 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 november 2025, opgenomen op pagina 13 van voornoemd procesdossier, inhoudend de bevindingen van verbalisant [verbalisant] .
Bewijsoverwegingen
Feit 1 primair
Vaststaat dat verdachte op 21 november 2025 bij de woning van aangeefster is geweest en dat hij leidingen van haar scooter heeft losgetrokken waarna de scooter in de brand is gevlogen. Volgens verdachte is dit per ongeluk gegaan omdat zijn sigaret in de vrijgekomen benzine is gevallen. De vraag die de rechtbank daarom dient te beantwoorden is of verdachte opzet had op de brandstichting.
De rechtbank acht de hiervoor genoemde verklaring van verdachte niet geloofwaardig, nu op geen van de foto’s die de politie heeft ontvangen van aangeefster [slachtoffer 1] en waarop verdachte bij de scooter is te zien, een sigarettenpeuk zichtbaar is. Daarnaast heeft verdachte zijn verklaring voortdurend bijgesteld toen de rechtbank ter terechtzitting doorvroeg over hoe één en ander met de sigaret is gegaan, hetgeen eveneens afdoet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Voorts heeft getuige [getuige] verklaard dat verdachte aan hem de brandstichting heeft bekend. Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij met niemand een woord heeft gewisseld, maar de rechtbank heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaring van getuige [getuige] . De rechtbank acht daarom wettig bewezen dat verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht. Aan de overtuiging daarvoor draagt bij dat verdachte heeft bekend dat hij aangeefster [slachtoffer 1] eerder op dezelfde dag berichten had gestuurd waaruit volgt dat hij onder meer dreigde haar huis in de brand te steken, zoals onder 2 ten laste gelegd.
Feit 2
In de ochtend van 21 november 2025 heeft verdachte aangeefster [slachtoffer 1] verscheidene berichten gestuurd waarin hij dreigt de woning van aangeefster [slachtoffer 1] in brand te steken, haar te doden en zichzelf te doden
Voor zover verdachte met zijn stelling dat de tenlastegelegde teksten normaal taalgebruik waren tussen hem en aangeefster heeft bedoeld dat hij geen opzet had op het bedreigen van aangeefster, is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gestuurde teksten dusdanig specifiek waren en elkaar dusdanig snel hebben opgevolgd, dat verdachte door die teksten te sturen minst genomen de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daardoor bij aangeefster de vrees zou ontstaan dat deze bedreigingen ten uitvoer zouden worden gelegd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair
hij, op 21 november 2025 te Assen, opzettelijk brand heeft gesticht door vuur in aanraking te brengen met brandstof, afkomstig uit een scooter, te weten een Peugeot [kenteken] , ten gevolge waarvan die scooter en een fiets geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde scooter en fiets, te duchten was;
2
hij, op 21 november 2025 te Assen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting, door die [slachtoffer 1] via tekstberichten dreigend de woorden toe te voegen
- " of moet ik nu komen.je huis in de fik steken met jullie erin? En denk niet dat het bluf is" en
- " ik heb door jou niks meer te verliezen en ben bereid iemand te vermoorden voor ik er zelf uitstap" en
- " ik wacht je op zo ga nu centrum uit en op je route van hond lopen kom je me tegen" en
- " kom er nu aan maak jullie beide af" en
- " en [nickname] ga je me belle. Of willen jullie dood?"
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 69 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, en voor bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering bij een voorwaardelijk deel.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan bedreiging van aangeefster, tevens zijn ex-vriendin. Verdachte heeft zijn ex-vriendin tekstberichten toegezonden waarin hij onder andere dreigt haar te doden en dreigt met het in de brand steken van haar woning. Ten tweede heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan brandstichting, door de scooter van zijn ex-vriendin in brand te steken. Zowel met de bedreiging als met de brandstichting heeft verdachte zijn ex-vriendin angst aangejaagd. Dit geldt temeer, nu verdachte weliswaar niet is overgegaan tot het in de brand steken van de woning van zijn ex-vriendin, maar wel haar scooter, die zich naast haar woning bevond, in brand heeft gestoken. Daar komt tot slot nog bij dat verdachte door de brandstichting ook schade heeft toegebracht aan de fiets van een derde.
Weliswaar is brandstichting een ernstig feit vanwege de moeilijk te beheersen gevolgen, maar de gevolgen zijn in dit geval beperkt gebleven. De rechtbank houdt hier bij de bestraffing van verdachte rekening mee.
Het motief voor de daden van verdachte was boosheid en wraak omdat zijn ex-vriendin hem negeerde en hem letterlijk op straat had gezet. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij in zijn emoties over de relatieproblemen is overgegaan tot deze angstaanjagende en gevaarlijke daden. Dat zijn ex-vriendin volgens verdachte in het verleden al een woningbrand had meegemaakt, maakt zijn daden nog kwalijker. De rechtbank weegt ook strafverzwarend mee dat verdachte de status van veelpleger heeft en eerder onherroepelijk is veroordeeld voor bedreigingen en vernieling van andermans eigendom, en dat hij van die veroordelingen kennelijk niet heeft geleerd.
De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat de reclassering blijkens haar rapportage van 12 februari 2026 door het stellen van bijzondere voorwaarden mogelijkheden ziet om de kans op herhaling van soortgelijke misdrijven te verkleinen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende voorwaarden: een meldplicht, controles op het gebruik van verdovende middelen en alcohol en verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang met een daarbij behorend dagprogramma. Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard aan deze voorwaarden mee te werken.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de straf die de officier van justitie heeft geëist, passend en geboden is. De rechtbank zal dan ook aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 68 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:- ter zake feit 1 en 2: [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 650,- ter zake van materiële schade en € 500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan; - ter zake feit 1: [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 120,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van [slachtoffer 1] tot vergoeding van materiële en immateriële schade geheel wordt toegewezen, en dat de vergoeding van materiële schade voor [slachtoffer 2] wordt gematigd tot een bedrag van € 75,-, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen.
Standpunt van de verdediging
Namens verdachte is bepleit dat de vordering van [slachtoffer 1] niet kan worden toegewezen, nu onvoldoende is onderbouwd dat zij op andere wijze in haar persoon is aangetast en hoe hoog de schade aan haar scooter is geweest. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw de afwijzing bepleit, nu die vordering niet met bewijsstukken is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
Vordering van [slachtoffer 1]
De rechtbank is – anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat met het overgelegde bankafschrift voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 november 2025.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft daarnaast ter zake feit 1 en 2 vergoeding van immateriële schade gevorderd. De rechtbank overweegt daarover het volgende. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Nog daargelaten dat de reclassering in haar rapportage heeft beschreven dat verdachte en benadeelde nog contact onderhouden, is ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, door de benadeelde partij niet aangevoerd. De enkele stelling dat zij angstig is, is daartoe onvoldoende. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal dan ook worden afgewezen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering van [slachtoffer 2]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. Nu de gestelde schade niet is onderbouwd met objectieve stukken, zal de rechtbank, gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW, de schade van [slachtoffer 2] schatten. De rechtbank schat de hoogte van de schade op € 75,-. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 68 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat de veroordeelde zich binnen veertien dagen nadat de proeftijd is ingegaan meldt bij de reclassering van het Leger des Heils op het adres [adres] , en zich vervolgens meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
2. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een beschermde woonvorm van Wender of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra er plek is. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA van de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Feiten 1 en 2
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
- het bedrag van € 650,- (zegge: zeshonderdvijftig euro);
- de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 november 2025 tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van € 650,- (zegge: zeshonderdvijftig euro) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 november 2025 tot de dag van algehele voldoening.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 6 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
- het bedrag van € 75,- (zegge: vijfenzeventig euro);
- de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 november 2025 tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van € 75,- (zegge: vijfenzeventig euro) aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 november 2025 tot de dag van algehele voldoening.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. F. Sieders en
mr. L.M.B. Soppe, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2026.
Mr. F. Sieders en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.