Rechtbank Noord-Nederland, raadkamer strafrecht overig

ECLI:NL:RBNNE:2026:333

Op 9 February 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland een raadkamer procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 028765-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBNNE:2026:333. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
028765-25
Datum uitspraak:
9 February 2026
Datum publicatie:
9 February 2026

Indicatie

De veroordeelde heeft, terwijl hij in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling liep, bewust de confrontatie opgezocht en een nieuw strafbaar feit gepleegd (zie: ECLI:NL:RBNNE:2026:332 inhoudelijke vonnis). De rechtbank verklaart het bezwaar van de veroordeelde deels gegrond en beveelt de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 300 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Groningen

parketnummer : 21-000741-24 (rechtsmiddel van 18-029335-22)

v.i. nummer : 89-000105-47 raadkamernummer : 028765-25

datum : 9 februari 2026

beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering van:

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerde in de [instelling] , hierna te noemen: de veroordeelde.

Raadsman: mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.

Feiten

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de veroordeelde bij arrest van 22 juli 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een gevangenisstraf voor de duur van 46 maanden.

Het Openbaar Ministerie heeft de veroordeelde bij beslissing van 12 mei 2025 voorwaardelijke invrijheidstelling verleend. Deze beslissing is diezelfde dag aan de veroordeelde betekend, waarna de veroordeelde op 13 mei 2025 feitelijk in vrijheid is gesteld en de proeftijd is gestart.

Het Openbaar Ministerie heeft op 6 november 2025 beslist de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde te herroepen voor de duur van 433 dagen.

Een kennisgeving van de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 10 november 2025 aan de veroordeelde betekend.

Procedure

Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 10 november 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op 11 december 2025 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 26 januari 2026 het bezwaar gelijktijdig met de inhoudelijke behandeling van de zaak onder parketnummer 18-281216-25 behandeld.

De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. W. Hendrickx en de officier van justitie mr. T. Pitstra op zitting gehoord.

Bezwaar

De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) van de veroordeelde te herroepen.

Namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij en zijn familie ernstig bedreigd worden en dat in de inhoudelijke zaak sprake is van noodweer. De veroordeelde meende zich te moeten verdedigen en er is enkel sprake van een incident tijdens de v.i. Het ging verder goed met de veroordeelde en door een volledige herroeping van v.i., worden alle voorwaarden die door de reclassering noodzakelijk worden geacht, beƫindigd. Het bezwaarschrift moet om deze redenen gegrond, dan wel gedeeltelijk gegrond worden verklaard.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen. Door de rechter-commissaris en de raadkamer zijn de ernstige bezwaren aangenomen voor poging tot doodslag. Daarmee bestaan er ernstige redenen voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zodat de voorwaardelijke invrijheidstelling kon worden herroepen. Bij bewezenverklaring is de algemene voorwaarde niet nageleefd en dit maakt herroeping van de gehele v.i. proportioneel. Voorts heeft het kader van de v.i. niet kunnen voorkomen dat de veroordeelde opnieuw een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd.

Overwegingen

Beoordeling

Alhoewel de rechtbank in de inhoudelijke zaak tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie komt dan de officier van justitie, is zij op grond van artikel 6:6:9, eerste lid 1 Sv van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De veroordeelde heeft namelijk, terwijl hij in het kader van de v.i. liep, bewust de confrontatie opgezocht en een nieuw strafbaar feit gepleegd. De rechtbank neemt bij haar overweging evenwel in aanmerking dat een voorwaardelijk kader behulpzaam kan zijn voor de veroordeelde en hem, nadat hij zijn detentie heeft afgerond, opnieuw ondersteuning kan bieden bij zijn re-integratie in de maatschappij. De rechtbank zal het bezwaarschrift daarom deels gegrond verklaren.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar deels gegrond.

Beveelt de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 300 dagen.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 februari 2026.

Mr. T.R. Bosker is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.