Rechtbank Oost-Brabant, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RBOBR:2026:6991

Op 4 September 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursprocesrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is SHE 25/2186, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:6991. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
SHE 25/2186
Datum uitspraak:
4 September 2026
Datum publicatie:
29 September 2026

Indicatie

De Dienst Toeslagen heeft niet voldaan aan de opdracht, die hij heeft gekregen in twee eerdere tussenuitspraken. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de Dienst Toeslagen op om opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/2186

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit ' [woonplaats] , eiser

en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigden: mr. E. Grondman en mr. F.F.M. van de Kamp).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om compensatie

op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dit verzoek is afgewezen omdat niet

eiser zelf in het verleden kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, maar zijn voormalige

echtgenote. Eiser is het niet eens met de afwijzing, stelt dat hij slachtoffer is van de

toeslagenaffaire en daarom in aanmerking moet komen voor compensatie.

1.1.

In twee tussenuitspraken (Voetnoot 1) heeft de rechtbank geoordeeld dat de Dienst Toeslagen had moeten onderzoeken of er aanleiding was om toepassing te geven aan de zogeheten hardheidsclausule. De rechtbank heeft de Dienst Toeslagen opgedragen dat alsnog te doen.

1.2.

In deze einduitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de opdracht in de tweede tussenuitspraak. De rechtbank zal de Dienst Toeslagen opdragen dit alsnog te doen.

Procesverloop

Procesverloop

2. De rechtbank verwijst naar de tussenuitspraak van 9 juni 2026 voor het procesverloop tot die uitspraak.

2.1.

De Dienst Toeslagen heeft een reactie op de tussenuitspraak van 9 juni 2026 ingezonden.

2.2.

Eiser heeft naar aanleiding van deze reactie een brief ingezonden.

2.3.

De rechtbank heeft bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en vervolgens het onderzoek gesloten (Voetnoot 2).

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Standpunten van partijen

3. In zijn reactie op de tussenuitspraak heeft de Dienst Toeslagen voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2017 per jaar een opsomming gegeven voor welk bedrag en wanneer het voorschot is vastgesteld, en voor welk bedrag en wanneer de kinderopvangtoeslag definitief is vastgesteld. Uit deze gegevens blijkt volgens de Dienst Toeslagen niet dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard of actuele schrijnende omstandigheden. Dit leidt tot de conclusie dat geen toepassing gegeven kan worden aan de hardheidsclausule in artikel 9.1 van de Wht en dat de Dienst Toeslagen niet gehouden is om nader onderzoek te verrichten. Verder zijn volgens de Dienst Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken al overgelegd.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de Dienst Toeslagen opnieuw geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de herstelopdracht van de rechtbank. De gegevens die de Dienst Toeslagen per toeslagjaar heeft opgesomd, waren al bekend. Een nader zelfstandig onderzoek naar de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, hardheid van het stelsel of andere bijzondere omstandigheden heeft de Dienst Toeslagen niet verricht. Daar komt bij dat de Dienst Toeslagen geen gegevens over het toeslagjaar 2011 heeft verstrekt. De Dienst Toeslagen heeft wel gegevens over de jaren 2016 en 2017 verstrekt, terwijl die jaren buiten de herstelopdracht vallen.

De redenen voor de beslissing van de rechtbank

5. Deze uitspraak bouwt voort op de twee tussenuitspraken. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraken heeft overwogen. In de eerste tussenuitspraak heeft de rechtbank al overwogen dat de Dienst Toeslagen gehouden is om zelf te onderzoeken of er aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule. In rechtsoverweging 10 van de tweede tussenuitspraak heeft de rechtbank concreet uiteengezet waaruit dit onderzoek zal moeten bestaan. De Dienst Toeslagen moet in zijn eigen systemen nagaan of bij het verlenen van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2011 tot en met 2015 aan de voormalige echtgenote van eiser sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld.

6. De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen in essentie heeft volstaan met een herhaling van zijn standpunten. De Dienst Toeslagen heeft, hoewel daartoe opgedragen, het onder 5 genoemde onderzoek niet verricht en ook niet alle gedingstukken verstrekt. De opsomming van genoemde gegevens voor enkele toeslagjaren voldoet niet aan de opdracht die de rechtbank heeft gegeven. Bovendien heeft de Dienst Toeslagen geen gegevens voor het toeslagjaar 2011 genoemd, zoals eiser terecht opmerkt.

Conclusie en gevolgen

7. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en het bestreden besluit van 5 augustus 2025 zal vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak voorzien, zoals eiser heeft verzocht. Dat zou alleen kunnen als de rechtbank beschikt over voldoende gegevens om dat te kunnen doen. Dat is niet het geval: de rechtbank kan met de beschikbare gegevens niet beoordelen of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld.

8. De rechtbank zal de Dienst Toeslagen daarom opdragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in de tussenuitspraken en in deze uitspraak is overwogen. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat de Dienst Toeslagen in dat besluit niet kan volstaan met een herhaling van zijn standpunten. Dit is nu al de derde uitspraak waarin de Dienst Toeslagen dezelfde opdracht krijgt; de rechtbank zal bij een beroep van eiser tegen een volgend besluit, waarin de Dienst Toeslagen een zelfde standpunt inneemt, dat standpunt opvatten als een weigering om aan de opdracht te voldoen, en daaraan mogelijk maatregelen verbinden. Als de Dienst Toeslagen niet aan de opdracht in deze uitspraak wenst te voldoen, zal het in hoger beroep tegen deze uitspraak moeten gaan.

9. De rechtbank zal de Dienst Toeslagen opdragen om aan eiser het betaalde griffierecht te vergoeden. Van proceskosten aan de zijde van eiser is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 5 augustus 2025;

draagt de Dienst Toeslagen op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de tussenuitspraken en deze uitspraak;

bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van

drs. J.G.J. van Geesink, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Tussenuitspraak van 25 maart 2026 (ECLI:NL:RBOBR:2026:1924) en tussenuitspraak van

9 juni 2026 (ECLI:NL:RBOBR:2026:3994).

Voetnoot 2

Artikel 8:57, tweede lid, onder c, en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).