Rechtbank Oost-Brabant, voorlopige voorziening omgevingsrecht

ECLI:NL:RBOBR:2026:4434

Op 16 June 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van omgevingsrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 26/1384T OWHAND en 26/1372 OWHAND, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:4434. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
26/1384T OWHAND en 26/1372 OWHAND
Datum uitspraak:
16 June 2026
Datum publicatie:
19 June 2026

Indicatie

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een besluit waarin het college aan verzoekster drie lasten onder dwangsom heeft opgelegd, voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 (petroleum) in een opslagtank, het niet voldoet aan de voorgeschreven afstanden van de gasflessen opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens en de omvalvoorziening voor gasflessen. In de tussenuitspraak oordeelt de voorzieningenrechter dat het beroep tegen de eerste en de derde last niet kan slagen. Dat is anders voor wat betreft de tweede last. Daar beschikt de voorzieningenrechter over onvoldoende informatie en schakelt hij de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) in. Gelet daarop schorst de voorzieningenrechter alleen de tweede last tot de einduitspraak onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 26/1384T OWHAND en 26/1372 OWHAND

tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekster], uit [vestigingsplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M.C.H. van de Ven),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maashorst, het college

(gemachtigde: mr. M. de Laat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een besluit waarin het college aan verzoekster drie lasten onder dwangsom heeft opgelegd. Daarin stelt het college dat (last 1) verzoekster niet beschikt over een omgevingsvergunning voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 (petroleum) in een opslagtank, (last 2) zij niet voldoet aan de afstanden van de gasflessen opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens en aan de afstanden van de gasflessen opslagvoorziening tot bouwwerken of brandbare objecten binnen haar bedrijf en (last 3) zij voorzieningen moet treffen zodat de gasflessen beschermd zijn tegen omvallen op de momenten dat niet met de betreffende gasflessen wordt gewerkt.

2. Verzoekster is het niet eens met de lasten. Zij heeft daarom beroep ingesteld en heeft verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de drie lasten.

2.1.

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen de eerste en de derde last niet kan slagen. Dat is anders voor wat betreft de tweede last. Daar beschikt de voorzieningenrechter over onvoldoende informatie en schakelt hij de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) in. Gelet daarop schorst de voorzieningenrechter alleen de tweede last tot de einduitspraak onder voorwaarden.

Procesverloop

Procesverloop

3. Met het bestreden besluit van 30 maart 2026 op het bezwaar van verzoekster heeft het college het bezwaar tegen last 1. gegrond verklaard gebleven en voor het overige, met een wijziging van last 2. en een aanvullende motivering van last 3., de bezwaren ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.

3.1.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster alsmede de eigenaar van verzoekster [naam] en de veiligheidstoezichthouder van verzoekster, [naam] en de gemachtigde van het college, vergezeld van de toezichthouder [naam].

3.2.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. (Voetnoot 1)

Feiten en omstandigheden

4. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de volgende relevante feiten en omstandigheden

- Verzoekster oefent al meer dan 35 jaar haar bedrijf uit aan de [adres] in [vestigingsplaats]. Het bedrijf houdt zich bezig met de opslag en verkoop gasflessen en het vullen van gasflessen vanuit een propaantank met een vulstation type B. Het bedrijf werd onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aangemerkt als een type C-inrichting, omdat de activiteiten die zij verricht die zijn genoemd in categorie 2.7 bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht. Het college heeft op 7 maart 2018 een omgevingsvergunning verleend, die van toepassing is voor de volgende milieubelastende activiteiten:

• het opslaan van verstikkende gassen van ADR-klasse 2 die tot vloeistof zijn verdicht in een opslagtank met een inhoud van meer dan 300 liter voor zover het gaat om het opslaan van propaan of propeen, als propaan of propeen in de vloeistoffase wordt afgetapt

• het opslaan van gevaarlijke stoffen van ADR klasse 2, 3,4.1, 4.2, 4.3,5. 1, 5.2, 6.1, 6.2 of 8 voor zover het gaat om het in een opslagplaats opslaan van 10.000 kg of meer in totaal van de gevaarlijke stoffen.

- Op 27 februari 2023 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst Brabant Noord (de Omgevingsdienst) het bedrijf van verzoekster gecontroleerd, waarvan een bezoekverslag is opgemaakt. In zijn brief van 27 april 2023 heeft de Omgevingsdienst verzoekster gevraagd om binnen twee maanden na de datum van deze brief een aantal acties uit te voeren. Op 18 april 2024 hebben twee toezichthouders van de Omgevingsdienst een onaangekondigde hercontrole op het bedrijf uitgevoerd, waarna het college op 2 mei 2024 aan verzoekster een voornemen last onder dwangsom heeft toegezonden. Daarin heeft het college verzoekster verzocht om voor 1 augustus 2024 de volgende acties uit te voeren:

1. het beschikken over een omgevingsvergunning (verandering) voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 (petroleum) in een opslagtank of de activiteit stoppen door de opslagtank te verwijderen van uw bedrijf.

2. voldoen aan de afstandseisen voor de opslagvoorziening voor gasflessen.

3. de gasflessen beschermen tegen omvallen.

Verzoekster heeft geen zienswijze tegen het voornemen kenbaar gemaakt.

Op 3 februari 2025 heeft een onaangekondigde hercontrole plaatsgevonden bij het bedrijf van verzoekster, uitgevoerd door een toezichthouder en de buitengewoon opsporingsambtenaar grijs van de Omgevingsdienst onder begeleiding van de wijkagent en een collega van de politie Uden. Volgens de toezichthouder zijn de overtredingen niet beëindigd.

4.1.

Op 13 mei 2025 heeft het college aan verzoekster de drie lasten opgelegd. De lasten strekken ertoe dat verzoekster uiterlijk op 1 september 2025 de hierboven genoemde drie overtredingen moet beëindigen en beëindigd te houden

4.2.

In het bestreden besluit van 30 maart 2026 heeft het college de lasten naar aanleiding van het bezwaar van verzoekster heroverwogen en de drie lasten gewijzigd..

Overwegingen

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Eerste last

5. In het bestreden besluit is last 1 als volgt gewijzigd:

Verzoekster dient de overtreding van artikel 5.1 van de Omgevingswet (Ow) juncto artikel 3.25, lid 1, aanhef en onder a, en artikel 3.24 aanhef en onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) uiterlijk op 1 september 2026 te beëindigen en beëindigd te houden. Als de overtreding dan niet is beëindigd en beëindigd is gehouden, moet verzoekster een dwangsom betalen van €2.750,- per week, niet worden nageleefd, met een maximum van € 16.500, -. Om deze overtreding te beëindigen en beëindigd te houden, moet verzoekster beschikken over een omgevingsvergunning voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 (petroleum) in een opslagtank. Verzoekster kan er ook voor kiezen om de opslag van deze stoffen te hebben beëindigd en beëindigd te houden.

5.1.

Volgens verzoekster geldt voor de bovengrondse tank met een inhoud van 3000 liter (= 3 m³) slechts een meldingsplicht gelet op paragraaf 4.94 van het Bal en meer specifiek artikel 4.927 (de meldingsplicht voor bovengrondse opslagtanks met diesel/huisbrandolie/petroleumachtige stoffen). Zij leest in de aanwijzing van de vergunningplicht in paragraaf 3.2.8 Bal dat de vergunningplicht pas ontstaat bij tanks met een inhoud groter dan 150 m³ of bepaalde gevaarlijke stoffen. Zij merkt in dit kader op dat volgens opgave van de leverancier de geleverde petroleum een vlampunt gelijk of meer dan 55 °C heeft.

5.2.

Volgens het college is wel sprake van een vergunningplicht voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 (petroleum) in een opslagtank. Volgens het college is de opslag in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 m³ een aparte vergunningplichtige categorie in artikel 3.25, eerste lid, onder h. van het Bal. In het geval van verzoekster is sprake is van een andere categorie, namelijk opslag van ADR-klasse 3 stoffen. De uitzonderingen op de vergunningplicht genoemd in artikel 3.25, tweede lid, van het Bal zijn niet van toepassing. Er is geen sprake van het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55°C of hoger maar van petroleum. Op grond van artikel 4.927, vierde lid, van het Bal kan niet worden volstaan met een melding.

5.3.

De omgevingsvergunning van 7 maart 2018 zag niet op de opslagtank voor petroleum. In het bestreden besluit is het college ervan uitgegaan dat voor deze tank een melding op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) is ingediend op 18 juli 2022. De ligging en de omvang van de tank is tussentijds niet gewijzigd. Ten tijde van het primair besluit gold, gelet op artikel 4.14 van de Invoeringswet Omgevingswet, tot 1 januari 2026 een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar en was reeds daarom geen sprake van een overtreding. Het bestreden besluit is genomen na 1 januari 2026. Daarom moest het college vaststellen of thans een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid onder b. van de Ow is vereist.

5.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college terecht opmerkt dat niet kan worden volstaan met een melding als bedoeld in artikel 4.927 van het Bal, omdat in hoofdstuk 3 van het Bal is bepaald dat voor de activiteit een omgevingsvergunning is vereist, gelet op artikel 4.927 vierde lid, van het Bal.

5.5.

Op basis van artikel 3.24 van het Bal is de opslag van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3, zoals petroleum, in een opslagtank met een inhoud van meer dan 250 liter, aangewezen als een milieubelastende activiteit. Op basis van artikel 3.25, eerste lid van het Bal geldt de vergunningplicht voor een milieubelastende activiteit in artikel 5.1, tweede lid onder b, van de Ow voor 8 categorieën, waaronder de opslag van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3. Anders dan verzoekster is de voorzieningenrechter van oordeel dat de categorie in artikel 3.25, eerste lid onder h. niet kan worden gelezen als een uitzondering op de overige categorieën in artikel 3.25, eerste lid onder a tot en met g. Gelet op de tekst van artikel 3.25, eerste lid (het gebruik van het woordje ‘of’) zijn het 8 afzonderlijke categorieën. Dat betekent niet dat een omgevingsvergunning is voor de opslag van een enkele liter petroleum want het moet wel gaan om een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.24 van het Bal. Ook de uitzonderingen in artikel 3.25 van het Bal zijn niet van toepassing. Petroleum is iets anders dan huisbrandolie en de opslag vindt plaats in een tank van 3.000 liter en niet in een tank van 300 liter of minder. Daarom geldt de vergunningplicht voor een milieubelastende activiteit in artikel 5.1, tweede lid onder b, van de Ow en kan na 1 januari 2026 niet worden volstaan met een melding. Verzoekster zal vóór 1 september 2026 een dergelijke omgevingsvergunning voor de opslagtank moeten aanvragen en verkrijgen.

5.6.

Het beroep met betrekking tot de eerste last zal daarom ongegrond worden verklaard. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster voldoende tijd heeft voor het aanvragen en verkrijgen van de benodigde omgevingsvergunning en ziet geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

Derde last

6. In het bestreden besluit is last 3 als volgt gewijzigd:

Om de overtreding van de voorschriften 5.1.4 en 5.1.7. van de omgevingsvergunning van 7 maart 2018 te beëindigen en beëindigd te houden, moet verzoekster uiterlijk 11 mei 2026 (zes weken na het bestreden besluit) voorzieningen treffen zodat de gasflessen beschermd zijn tegen omvallen op de momenten dat niet met de betreffende gasflessen wordt gewerkt. Weliswaar zijn er enige voorzieningen aanwezig die beschermen tegen het omvallen van gasflessen, maar op de momenten dat deze gasflessen - onbeheerd en terwijl hier niet actief mee wordt gewerkt - buiten de opvangvoorziening staan, zijn er geen voorzieningen getroffen om de betreffende gasflessen tegen omvallen te beschermen.

6.1.

Verzoekster stelt dat zij de gasflessen op zorgvuldige en veilige wijze heeft opgeslagen in speciale bakken, die elk bestemd zijn voor een bepaald type gas, afmeting en vorm. Deze staan ver genoeg uit elkaar en zijn specifiek ingericht voor de veilige opslag van gasflessen, wat voorkomt dat de flessen kunnen omvallen of ongecontroleerd kunnen worden verplaatst. Verzoekster heeft inmiddels voorzieningen getroffen voor de flessen die worden afgegeven door particulieren en foto’s hiervan op zitting laten zien.

6.2.

Het college heeft bij de controle van 3 februari 2025 vastgesteld dat gasflessen buiten de opslagvoorziening zijn opgeslagen en er geen voorzieningen zijn getroffen tegen omvallen. Ook is vastgesteld dat er geen voorzieningen zijn getroffen dat gasflessen in de opslagvoorziening kunnen omvallen. Ter zitting heeft het college nog een luchtfoto getoond met een opslagvoorziening met een openstaande klep. Het college heeft niet weersproken dat de door verzoekster getoonde voorzieningen voldoende zijn om omvallen te voorkomen. Het college merkt wel op dat toezichthouders al enige tijd door de houding van verzoekster moeite hebben om controles op de locatie uit te voeren.

6.3.

In voorschrift 5.1.4 en 5.1.7 van de omgevingsvergunning van 2018 is het volgende bepaald:

5.1.4.

Gasflessen moeten steeds bereikbaar zijn en er moeten voorzieningen zijn getroffen dat ze niet kunnen omvallen.

5.1.7.

Lege gasflessen moeten worden opgeslagen overeenkomstig de voorschriften voor volle gasflessen van deze vergunning.

6.4.

De omgevingsvergunning van 2018 met de daaraan verbonden voorschriften geldt als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op basis van artikel 4.13 eerste en tweede lid van de Invoeringswet Omgevingswet.

6.5.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekster toezichthouders van het college zal moeten toelaten op de locatie. Als verzoekster weigert mee te werken, kan het college uitgaan van de voorgaande constateringen.

6.6.

Met het controlerapport van de controle van 3 februari 2025 heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat op de locatie gasflessen staan die niet tegen omvallen zijn beperkt en dat sprake is van een overtreding. Gelet op voorschrift 5.1.7 maakt het niet uit of de gasflessen vol of leeg zijn. Het college was bevoegd om handhavend op te treden. Het beroep met betrekking tot de derde last zal daarom ongegrond worden verklaard.

6.7.

De voorzieningenrechter stelt ook vast dat verzoekster in staat is om aan de last te voldoen en dat op dit moment ook aan de last lijkt te worden voldaan. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

Tweede last

7. In het bestreden besluit is last 2 als volgt gewijzigd:

Verzoekster dient de overtreding van voorschrift 5.1.5 en 5.1.6 van de omgevingsvergunning (oprichting) van 7 maart 2018 en artikel 5.5 van de Ow, in samenhang met voorschriften 6.2.5 en 6.2.6 en tabel 6.1 van de PGS 15:2016 uiterlijk op 1 september 2026 te beëindigen en beëindigd te houden. Als de overtreding dan niet is beëindigd en beëindigd is gehouden, moet verzoekster een dwangsom betalen van €1.000,- per week, met een maximum van € 6.000, -. Om deze overtreding te beëindigen en beëindigd te houden, moet verzoekster voldoen aan de afstanden van de gasflessen opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens en aan de afstanden van de gasflessen opslagvoorziening tot bouwwerken of brandbare objecten binnen uw bedrijf volgens tabel 6.1 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 (PGS15:2016).

7.1.

Verzoekster merkt in de eerste plaats op dat in het bestreden besluit nu ook handhavend wordt opgetreden tegen de vermeende overtreding van de voorgeschreven afstand van de opslagvoorziening tot de loods van het bedrijf zelf. Zij is van mening dat dit een nieuw primair besluit is. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat een inhoudelijk oordeel wordt gegeven over de tweede last.

7.2.

Het college merkt op dat ten tijde van het primaire besluit werd voldaan aan de voorgeschreven afstand van de opslagvoorziening tot de loods op het terrein. Ergens in de tweede helft van 2025 heeft verzoekster de gasflessenopslag uitgebreid op het terrein. Dit heeft het college in januari 2026 vastgesteld, dus na het opleggen van het primaire besluit en voor het nemen van de beslissing op bezwaar. Het gaat wel om een overtreding van hetzelfde vergunningsvoorschrift en hangt nauw samen met de overtreding van de voorgeschreven afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens. In het bestreden besluit is wel een nieuwe begunstigingstermijn geboden tot 1 september 2026.

7.3.

In voorschrift 5.1.6 van de omgevingsvergunning van 2018 is het volgende bepaald:

5.1.6.

Een uitpandige opslagvoorziening voor gasflessen moet zijn geconstrueerd, uitgevoerd en worden gebruikt overeenkomstig paragraaf 3.2 en voorschriften 6.2.4 en 6.2.5 van PGS 15:2016. In paragraaf 3.2 en voorschriften 6.2.4 en 6.2.5 van PGS 15:2016 (en in tabel 6.1) zijn afstanden voorgeschreven voor de afstanden van de opslagvoorziening tot brandbare objecten.

7.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit ook heeft kunnen optreden tegen de (na het primaire besluit geconstateerde) verdere overtreding van het vergunningsvoorschrift. Het gaat om hetzelfde vergunningsvoorschrift en het is in zoverre dezelfde overtreding en het gaat om dezelfde buitenpandige opslagvoorziening. Bovendien wordt verzoekster hierdoor (mede gelet op de ruimere begunstigingstermijn) niet onevenredig benadeeld. Hierna zal worden beoordeeld of sprake is van een overtreding.

8. Verzoeker voert aan dat op het bedrijf een totale waterinhoud van brandbare gassen van minder dan 2.500 liter aanwezig is, onder verwijzing naar een renvooilijst van 7 maart 2018 waaruit blijkt dat er op die datum een werkvoorraad was van 1.250 liter. Daarom valt het bedrijf in tabel 6.1 van de PGS 15 onder de kolom van totale waterinhoud minder dan 2.500 liter. Volgens verzoekster heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat de werkvoorraad meer dan 2.500 liter bedroeg. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat zeer incidenteel iets meer dan 2.500 liter aan waterinhoud gasflessen aanwezig kan zijn. Volgens verzoekster wordt met een afstand van één meter tot van de gasflessenopslag aan de inrichtingsgrens, voldaan aan de veiligheidseisen. De loods van het buurperceel is later gebouwd. Bij de bouw van die loods is als voorwaarde gesteld dat de muur ervan 60 minuten brandwerend zou moeten zijn en verzoekster gaat ervan uit dat dit is gebeurd. Dan zou de afstand tot aan de inrichtingsgrens volgens de tabel zelfs nul meter mogen bedragen. Op de vergunning voor de eigen loods is aangegeven dat de wand van de loods op eigen terrein ook 60 minuten brandwerend is. Deze wand is ook zo uitgevoerd. Ter zitting heeft verzoekster hieraan toegevoegd dat de brandbare gasflessen op een afstand van minimaal vijf meter van de loods van de buren en van de eigen loods worden opgeslagen. Het hek van de opslagvoorziening staat op één meter en er wordt verder voldoende ruimte vrijgelaten om te voorzien in voldoende vluchtroutes en ruimte voor de brandweer om te blussen. Als een legioblokken muur zou worden geplaatst, dan kan de brandweer niet meer blussen. Verzoekster benadrukt dat haar bedrijf wordt gecontroleerd ten behoeve van de (veiligheids)certificering en dat zij voldoet aan alle vereisten. Verder stelt verzoekster dat deze wijze van opslag in ieder geval moet worden gezien als een gelijkwaardige voorziening.

8.1.

Het college merkt op dat de uitpandige gasflessenopslag is omringd met een open hek dat niet brandwerend is. De afstand tussen het hek aan de achterzijde is circa één meter van de erfgrens. Daarmee wordt niet voldaan aan de afstandseis en het college vindt het niet relevant of de muur van de loods op het naburig perceel brandwerend is uitgevoerd. De brandwerendheid moet in beide richtingen voldoende zijn, omdat op beide locaties branden kunnen ontstaan waarvan het overslaan moet worden voorkomen. Het college denkt op basis van andere bouwtekeningen en inrichtingstekeningen dat de brandwerendheid van de wand van de loods op het eigen terrein 30 minuten bedraagt en is van mening dat verzoekster hierover duidelijkheid moet verschaffen. Het college is uitgegaan van de vergunde hoeveelheid waterinhoud van gasflessen. In de omgevingsvergunning van 2018 is vermeld dat binnen het bedrijf 11.300 liter aan waterinhoud van gasflessen wordt opgeslagen. De vergunde capaciteit is doorslaggevend. De renvooilijst bij een vergunning leidt niet tot een ander oordeel.

8.2. “

“In de omgevingsvergunning van 2018 is het volgende vermeld:

“Binnen de inrichting wordt er 11.300 liter aan waterinhoud aan gasflessen opgeslagen. In de aanvraag is aangegeven dat het om acetyleen, brandbare, inerte gassen gaat. Deze gasflessen bevinden zich in een uitpandige opslagvoorziening. Deze gasflessen kunnen bij brandrisico’s opleveren voor de omgeving. De PGS 15 heeft betrekking op de opslag van meer dan 1 25 liter hervulbare verpakkingen van klasse 2 van het ADR. Deze stoffen dienen conform de voorschriften van de PGS 15 te worden opgeslagen. Aan deze voorschriften wordt voldaan. Hiervoor hebben wij voorschriften aan deze vergunning verbonden.”

8.3.

In tabel 6.1 van de PGS 15:2016 zijn de afstandseisen genoemd tot de inrichtingsgrens respectievelijk bouwwerken of brandbare objecten binnen de eigen inrichting. Deze afstanden zijn afhankelijk van de totale waterinhoud van de opgeslagen gasflessen. Als de totale waterinhoud van de opgeslagen gasflessen minder bedraagt dan 2.500liter worden kortere afstanden gehanteerd. De opslagvoorziening op het terrein van verzoekster is een buitenpandige opslagvoorziening.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college terecht is uitgegaan van de vergunde capaciteit voor de opslagvoorziening van gasflessen en niet de feitelijk aanwezige capaciteit. Niets staat verzoekster in de weg om meer gasflessen op te slaan dan is vermeld op de renvooilijst. De voorzieningenrechter hecht meer (zelfs doorslaggevende) betekenis aan de tekst van de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften dan aan de vermelding van een hoeveelheid op een tekening of een renvooilijst. De omgevingsvergunning van 2018 is onherroepelijk en daarom gaat de voorzieningenrechter uit van de juistheid van deze lijst. De voorzieningenrechter plaatst wel een kanttekening hierbij. Als verzoekster minder gasflessen opslaat en de totale waterinhoud van de opgeslagen gasflessen minder bedraagt dan 2.500 liter worden kortere afstanden gehanteerd. Als alternatieve maatregel om aan de last te voldoen kan zij vragen om de omgevingsvergunning te wijzigen zodat de kortere afstandseisen gelden.

8.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de buitenpandige opslagvoorziening op het terrein van verzoekster is omringd met een hek met anti-aanrijvoorzieningen. Dit hek als zodanig is niet brandwerend. De voorzieningenrechter kan niet beoordelen of de wijze van opslaan van gasflessen binnen de buitenpandige opslagvoorziening gelijkwaardig is aan de veiligheidseisen in de PGS 15:2016.

8.5.

Met betrekking tot de voorgeschreven afstand tot de loods op het eigen terrein is de brandwerendheid van de muur van de loods niet van doorslaggevend belang. De brandwerendheid van de muur van de loods is wel relevant voor een beoordeling van de veiligheidsrisico’s. In dit verband merkt de voorzieningenrechter wel op dat, als het college de brandwerendheid van de muur van de loods op eigen terrein betrekt bij de belangenafweging bij de last onder dwangsom, het wel op de weg van het college ligt om de brandwerendheid eenduidig vast te stellen. Nu is onduidelijk hoe de brandwerendheid van de muur van de loods zou moeten zijn op basis van de voor de loods verleende vergunning en of de muur van de loods daadwerkelijk zo is uitgevoerd.

8.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de afstandseisen zijn gebaseerd op de wijze van uitvoering van de buitenpandige opslag zelf en niet op de wijze van uitvoering van een nabijgelegen pand. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter naar de tekst van voorschrift 3.2.3 in de PGS (bijlage 2 bij deze uitspraak). Bovendien geldt een afstandseis tot de inrichtingsgrens en de loods van de buren ligt buiten de inrichtingsgrens. De voorzieningenrechter plaatst ook hierbij een kanttekening. In de PGS 15:2016 is aangegeven dat binnen de gegeven afstanden geen opslag van brandbare stoffen dan wel brandgevaarlijke activiteiten (m.u.v. laad- en losactiviteiten ten behoeve van de opslagvoorziening) plaats mogen vinden die een brand kunnen veroorzaken of waarlangs een brand zich kan voortplanten naar de opslagvoorziening. Verzoekster heeft aangegeven dat zij geen gasflessen met brandbare gassen plaatst binnen de betreffende afstanden. De voorzieningenrechter kan niet beoordelen of in dit geval wel of geen opslag in strijd met de PGS 15:2016 plaatsvindt.

8.7.

In het advies dat ten grondslag ligt aan bestreden besluit zijn twee maatregelen genoemd om aan de last te voldoen: het aanbrengen van een brandmuur rondom de opslagvoorziening of het beëindigen van de opslag. Beide maatregelen hebben gevolgen voor verzoekster. Hierboven is al geoordeeld dat onduidelijkheid bestaat over de brandwerendheid van de muur van de loods op eigen terrein. Bovendien kan niet op voorhand worden uitgesloten dat verzoekster aan de last zou kunnen voldoen als zij minder gasflessen in de opslag opslaat. De voorzieningenrechter kan daarom nu niet beoordelen of last 2 van het bestreden besluit evenredig is in het licht van de belangen van verzoekster en het algemeen belang.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepsgronden tegen last 1 en last 3 slagen niet. De voorzieningenrechter heeft onvoldoende informatie om een oordeel te geven over last 2, gelet op de hierboven genoemde onduidelijkheden. De voorzieningenrechter wil hierover wel duidelijkheid hebben. Daarom doet de voorzieningenrechter een tussenuitspraak.

9.1.

De voorzieningenrechter schakelt de StAB in met de volgende vraagstelling

Voldoet de opslagvoorziening aan de PGS 15:2016?

Kan de opslagvoorziening voldoen aan de PGS 15:2016 indien wordt geborgd dat de totale waterinhoud van de opgeslagen gasflessen minder bedraagt dan 2.500 liter?

Biedt de opslagvoorziening met inachtneming van de huidige maatregelen en voorzieningen voldoende bescherming tegen de in het bestreden besluit genoemde risico’s bij brand op het terrein van verzoekster dan wel brand op naburige percelen?

9.2.

De voorzieningenrechter verzoekt de StAB een bezoek ter plaatse te brengen in aanwezigheid van verzoekster en het college (en de toezichthouders). De voorzieningenrechter heeft verzoekster aangegeven dat zij hieraan volledige medewerking dient te verlenen. Indien verzoekster verzuimt of weigert om medewerking te verlenen kan de voorzieningenrechter hieraan gevolgen verbinden die hem geraden voorkomen.

9.3.

De voorzieningenrechter verzoekt de StAB om uiterlijk 1 augustus 2026 verslag uit te brengen en dit verslag rechtstreeks toe te zenden aan partijen en aan de rechtbank. Het is niet noodzakelijk om eerst een concept van dit verslag aan partijen voor te leggen. Partijen krijgen vier weken de tijd te reageren op het StAB advies.

9.4.

De voorzieningenrechter stelt het college in de gelegenheid om een nieuw besluit te nemen dan wel het bestreden besluit nader te motiveren en hierbij het uitgebrachte StAB advies te betrekken, binnen acht weken nadat de StAB verslag is uitgebracht. Tijdens de zitting is de inschakeling van de StAB besproken. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het college gebruik zal maken van de geboden gelegenheid. Verzoekster krijgt vier weken de tijd om een zienswijze in te dienen op de reactie van het college. Hierna zal de voorzieningenrechter, in beginsel zonder tweede zitting, een einduitspraak doen.

9.5.

Omdat de begunstigingstermijn van last 2 eindigt per 1 september 2026, schorst de voorzieningenrechter last 2 van het bestreden besluit met ingang van 31 augustus 2026 tot de einduitspraak. De voorzieningenrechter bepaalt dat deze voorziening van rechtswege (automatisch) vervalt indien de totale waterinhoud van de opgeslagen gasflessen in de buitenpandige opslagvoorziening meer dan 2.500 liter bedraagt. Met andere woorden, als verzoekster na 31 augustus 2026 en voor de einduitspraak glasflessen met een totale waterinhoud van meer dan 2.500 liter opslaat in haar buitenpandige opslagvoorziening, riskeert zij het verbeuren van een dwangsom.

9.6.

Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De voorzieningenrechter houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat over de proceskosten (en het griffierecht) nu nog geen beslissing wordt genomen.

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter:

schorst last 2 van het bestreden besluit vanaf 31 augustus 2026 tot en met de einduitspraak;

bepaalt dat deze voorziening van rechtswege (automatisch) vervalt indien de totale waterinhoud van de opgeslagen gasflessen in de buitenpandige opslagvoorziening meer dan 2.500 liter bedraagt;

stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na het uit te brengen advies van de StAB te reageren met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet

Artikel 5.1

2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een bouwactiviteit,

b. een milieubelastende activiteit,

(. )

Artikel 5.5. (verbod handelen in strijd met voorschriften omgevingsvergunning)

1. Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor;

a. een omgevingsplanactiviteit, voor zover dat voorschrift is gesteld met het oog op:

l°. het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu,

2°. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen,

3°. het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk,

4°. het beschermen van monumenten of archeologische monumenten,

b. een rijksmonumentenactiviteit,

c. een stortingsactiviteit op zee,

d. een milieubelastende activiteit,

Besluit activiteiten leefomgeving

Artikel 3.24.

Als milieubelastende activiteit als bedoeld In artikel 2.1 wordt aangewezen het opslaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 250 I of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 250 l, van:

a. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3;

b. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.2;

c. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.3;

d. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.1;

e. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2;

f. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1;

g. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8;

h. vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen;

i. vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening;

j. oliën of vetten; of

k. pekel.

Artikel 3.25 Besluit activiteiten leefomgeving (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3 24, voor zover het gaat om het opslaan:

a. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3,

b. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.2;

c. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 4.3;

d. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2;

e. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1;

f. van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep I;

g. van vloeibare gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3,

bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening; of

h. in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 m3 of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 150 m3.

2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet voor:

a. het opslaan in een ondergrondse opslagtank;

b. het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 *C of hoger; of

c. het opslaan in een opslagtank die;

l°. een inhoud heeft van 300 l of minder; en

2°. niet vanuit een tankwagen wordt gevuld.

Artikel 4.927. (melding)

1. Het is verboden de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 4.926, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

2. Een melding bevat een aanduiding van de stoffen die worden opgeslagen en de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen.

3. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

4. Dit artikel is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3.

Voorschriften omgevingsvergunning

5.1.4. Gasflessen moeten steeds bereikbaar zijn en er moeten voorzieningen zijn getroffen dat ze niet kunnen omvallen.

5 1.5. De opslag van gasflessen (ADR klasse 2) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaats vinden en moet, voor zover niet anders geregeld in de hierna volgende voorschriften, voldoen aan de voorschriften van de paragrafen 6.1.2, 6.1.3, 6.2 en 6.3 van de richtlijn PGS15: 2016.

5.1.6. Een uitpandige opslagvoorziening voor gasflessen moet zijn geconstrueerd, uitgevoerd en worden gebruikt overeenkomstig paragraaf 3.2 en voorschriften 6.2.4 en 6.2.5 van PGS 15:2016.

5.1.7. Lege gasflessen moeten worden opgeslagen overeenkomstig de voorschriften voor volle gasflessen van deze vergunning.

PGS 15:2016

Voor een uitpandige opslag geldt dat de WBDBO van 60 min ook behaald kan worden met afstand: ? indien de afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, minder dan 5 m bedraagt, moet de brandwerendheid van de wanden, het dak en de draagconstructie van de opslagvoorziening ten minste 60 min bedragen. Deuren, ventilatieopeningen, leidingdoorvoeren of rookluiken in deze constructie mogen geen afbreuk doen aan de vereiste brandwerendheid; ? indien de afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 m bedraagt, moet de brandwerendheid van de wanden, het dak en de draagconstructie van de opslagvoorziening ten minste 30 min bedragen. Deuren, ventilatieopeningen, leidingdoorvoeren of rookluiken in deze constructie mogen geen afbreuk doen aan de vereiste brandwerendheid; ? indien de afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 m bedraagt is ten aanzien van de brandwerendheid van de wanden, het dak en de verder gekeken kan tegen een brandwerende 60 min gevel als er muren zijn Een variant is een opslag van stoffen tegen de gevel van een gebouw, mits deze gevel een brandwerendheid heeft van ten minste 60 minuten, over de gehele hoogte boven de opgeslagen stoffen en ten minste 2 meter aan weerszijden van de opgeslagen stoffen. Daarbij moet gevaar van aanstraling van de opgeslagen stoffen naar de omgeving en vice versa evenzeer worden voorkomen door hetzij bouwkundige voorzieningen, hetzij afstand, hetzij een combinatie van beide. Indien aan de zijkanten niet aan de afstandseisen kan worden voldaan, en/of aan de bovenkant niet aan een brandwerendheid van 60 minuten, kan gekozen worden voor zijmuren resp. een dak van voldoende afmetingen hetgeen inhoudt dat deze moeten uitsteken vóór de opgeslagen stoffen. Deze constructie, ook wel bushokje genoemd, heeft dan minimaal één open zijde waarvoor de genoemde afstandseis onverkort geldt waarbinnen zich geen stralingsbronnen (of brandbare objecten) van enige betekenis mogen bevinden.

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.