Rechtbank Oost-Brabant, eerste aanleg - meervoudig socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:RBOBR:2026:5044

Op 3 July 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van socialezekerheidsrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 25/3348, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:5044. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
25/3348
Datum uitspraak:
3 July 2026
Datum publicatie:
16 July 2026

Indicatie

Pw. Herziening wegens mentorschap. De mentorvergoeding die wordt ontvangen bestaat uit twee componenten. Enkel de beloningscomponent van de mentorvergoeding is aan te merken als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw en de onkostencomponent dus niet. Vernietiging voor zover het de inhouding van de mentorvergoeding betreft. Het is aan het college om vast te stellen welk deel van de mentorvergoeding moet worden aangemerkt als onkostencomponent en welk deel als beloningscomponent. Opdracht nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 25/3348

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R. Akkaya),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college

(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening van de bijstandsuitkering van eiseres vanwege een vergoeding die zij ontvangt omdat zij mentor is van haar vader. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de mentorvergoeding niet volledig op de bijstandsuitkering van eiseres kon inhouden. De mentorvergoeding omvat namelijk ook een onkostencomponent en die is niet aan te merken als inkomen wat gekort kan worden. De rechtbank zal het besluit daarom vernietigen. Het college moet een nieuw besluit nemen en daarin rekening houden met deze uitspraak. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Totstandkoming van het bestreden besluit en procesverloop

2. Vanaf 1 april 2022 is eiseres de mentor van haar vader. Dit is vastgelegd in een beschikking van de kantonrechter van 9 maart 2022.

2.1.

Bij besluit van 14 juli 2022 zijn, in het kader van een toekenning van bijzondere bijstand, aan eiseres aanvullende verplichtingen opgelegd. Eiseres moet afschriften van drie bankrekeningen van haar vanaf 1 februari 2022 aanleveren. Verder moet zij het college informeren over de bedragen die zij ontvangt of gaat ontvangen vanuit het familiair mentorschap, omdat de ontvangsten behoren tot haar inkomen. De verzochte bankafschriften zijn aangeleverd, maar eiseres en haar bewindvoerder hebben geen inkomsten uit mentorschap doorgegeven.

2.2.

Op 23 januari 2023 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor algemene bijstand, wegens het eindigen van haar Ziektewetuitkering. Bij deze aanvraag heeft eiseres niet doorgegeven dat zij inkomen uit mentorschap ontvangt.

2.3.

Bij besluit van 15 februari 2023 is aan eiseres met ingang van 27 januari 2023 een bijstandsuitkering toegekend, waarbij geen rekening is gehouden met de inkomsten uit mentorschap.

2.4.

Het college heeft op 4 juni 2025 bij eiseres nadere informatie opgevraagd over de bedragen die zij ontvangt over de periode vanaf 27 januari 2023 vanuit het familiair mentorschap ten aanzien van haar vader.

2.5.

Op 10 juni 2025 heeft het college van de bewindvoerder een overzicht van de kosten van mentorschap over de periode van 27 januari 2023 tot en met 10 juni 2025 ontvangen. Van 1 februari 2023 tot en met 2 januari 2024 ontving eiseres een bedrag van

€ 68,06 per maand, vanaf 1 februari 2024 tot en met 31 januari 2025 € 59,58 per maand, op 4 februari 2025 € 3,75 en van 28 februari 2025 tot en met 2 juni 2025 € 63,33 per maand.

2.6.

Met het (primaire) besluit van 1 juli 2025 heeft het college het recht op bijstand van eiseres herzien. Met ingang van 1 juni 2025 heeft eiseres recht op de voor haar geldende bijstandsnorm minus haar inkomsten uit mentorschap. Ook heeft het college het recht op bijstand over de periode van 27 januari 2023 tot 1 juni 2025 herzien. Het college heeft het recht van eiseres over die periode vastgesteld op de voor haar geldende bijstandsnorm minus de inkomsten uit mentorschap. Daardoor heeft eiseres over een bedrag van € 316,65 netto en € 1.669,25 bruto te veel aan bijstandsuitkering ontvangen.

2.7.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.8.

Met het (bestreden) besluit van 19 november 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college afgezien van de terugvordering. De herziening van het recht op bijstand is wel in stand gelaten. Dit betekent dat vanaf 1 juni 2025 de inkomsten uit mentorschap worden ingehouden op de bijstandsuitkering van eiseres.

2.9.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, voor zover het college daarbij de maandelijkse korting op haar bijstandsuitkering heeft gehandhaafd.

2.10.

De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Bestreden besluit

3. Met het (bestreden) besluit van 19 november 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat er sprake is van inkomsten waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de hoogte van de uitkering. Het college wijst hiertoe op een uitspraak van 27 juni 2017 van de Centrale Raad van Beroep (Voetnoot 1) (de Raad) waaruit volgens het college blijkt dat het bedrag dat maandelijks als beloning wordt ontvangen moet worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (Pw). Dit inkomen kan aangewend worden voor de kosten van levensonderhoud. Het college heeft ook in ogenschouw genomen dat de inkomsten vallen onder het belastbaar inkomen in de zin van de belastingwetgeving (inkomsten uit overige werkzaamheden). Eiseres heeft in haar bezwaarschrift aangegeven dat de beloning wordt aangewend voor het betalen van onkosten, namelijk de kosten van het bezit en gebruik van een auto, maar het college is van mening dat er een onderscheid gemaakt kan worden in de taken die eiseres als mentor uitvoert en de (mantelzorg)taken die zij als dochter op zich neemt. Het college is van mening dat voor het uitvoeren van de mentortaken – waaronder overleg met het behandelteam en overleg over voeding, medicatie en dergelijke – een auto niet noodzakelijk is. Deze momenten zijn over het algemeen planbaar en kunnen met het openbaar vervoer bezocht worden (dit is voor eiseres gratis), of kunnen telefonisch plaatsvinden. Het dag- en nacht beschikbaar zijn om direct naar het verpleeghuis te gaan en vader rustig te krijgen, is volgens het college geen taak van een mentor. Wanneer vader een professionele mentor, of een bekende die verder van hem af staat, als mentor zou hebben, zou niet van de mentor verwacht worden dat deze hem (fysiek) kwam kalmeren. Dit gaat volgens het college verder, en is persoonlijker, dan belangenbehartiging en vertegenwoordiging. Het college stelt zich op het standpunt dat het terecht is dat de inkomsten daadwerkelijk worden ingehouden op de uitkering vanaf 1 juni 2025. Wel heeft het college in het besluit op bezwaar besloten om af te zien van de terugvordering, omdat er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht en het college een groot aandeel heeft gehad in het ontstaan van de schuld. Daarnaast heeft het college meegewogen dat eiseres een bewindvoerder heeft die een en ander niet heeft opgemerkt en eiseres net een schuldentraject succesvol heeft afgerond. Beroepsgronden

4. Eiseres is het niet eens met het deel van de beslissing op bezwaar waarbij het college de maandelijkse korting op haar uitkering heeft gehandhaafd. Het college heeft namelijk ten onrechte de bijzondere situatie dat zij én mentor én dochter is van de persoon die mentorschap en zorg nodig heeft, onvoldoende bij de casus betrokken. Het college heeft die twee rollen uit elkaar gehaald, terwijl die twee rollen in dit geval heel erg met elkaar verweven zijn. Het uit elkaar trekken van de mentorschaps- en dochterrol is onterecht en zorgt in dit geval voor een onevenredig besluit. Verder haalt eiseres geen financieel voordeel uit deze situatie. De kosten van de auto zijn namelijk hoger dan de vergoeding voor het mentorschap. Hierdoor is er geen vrij besteedbaar voordeel voor eiseres, waardoor de inhouding ervoor zorgt dat zij een te lage uitkering krijgt. Over de door het college genoemde uitspraak van de Raad van 27 juni 2017 (Voetnoot 2) merkt eiseres op dat uit rechtsoverweging 4.6. van deze uitspraak kan worden opgemaakt dat er een bedrag van

€ 216,- als onkostenvergoeding is betaald en een bedrag van € 674,- voor de verrichte werkzaamheden als curator. De onkostenvergoeding is bij de maandelijkse inkomsten voor de bijstand, buiten beschouwing gebleven. In die zaak is de Raad er dus niet van uitgegaan dat al het geld ter zake de curatorbeloning als inkomen dient te worden aangemerkt. In deze kwestie van eiseres is dat ten onrechte wel gebeurd. Voorts is de vergoeding niet bedoeld voor haar kosten van levensonderhoud. Dit blijkt ook uit het gegeven dat het niet eens voldoende is voor de autokosten, laat staan de kosten van levensonderhoud. De vergoeding dient als vermogen te worden beoordeeld waarbij er pas bij oververmogen, eventueel consequenties aan verbonden dienen te worden.

Juridisch kader

5. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Pw, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

5.1.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Pw wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking komende middelen voor zover deze:

(a) betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

(b) betrekking hebben op de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

5.2.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 32, eerste lid, van de Wet werk en bijstand – deze bepaling is gelijkluidend aan artikel 32, eerste lid, van de Pw – valt af te leiden dat de bedoeling van de wetgever was dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen, zoals inkomsten uit arbeid en uitkeringen, en kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud, als inkomen in aanmerking moeten worden genomen. Verder valt uit die geschiedenis af te leiden dat de wetgever niet heeft beoogd een uitputtende opsomming van de in beginsel als inkomen in aanmerking te nemen middelen te geven, maar om een aantal inkomensbronnen als voorbeeld te vermelden. De wetgever heeft daarbij benoemd dat ook eenmalig ontvangen bedragen die naar hun aard hiermee overeenkomen als inkomen in aanmerking moeten worden genomen. Een tweede criterium voor het in aanmerking nemen van middelen als inkomen heeft betrekking op de periode waarop de inkomsten betrekking hebben. (Voetnoot 3)

5.3.

Op grond van vaste rechtspraak van de Raad (Voetnoot 4) worden bijschrijvingen en stortingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.

Beoordeling

6. Allereerst volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat het college geen onderscheid kon maken tussen haar rol als mentor en die als mantelzorger. Beide hoedanigheden hebben namelijk een andere juridische grondslag en dat geldt ook voor een (eventuele) beloning die daaruit wordt ontvangen. Hierna zal de rechtbank ingaan op de juridische grondslag van mentorschap, de beloning daarvoor en wat dit betekent voor het beroep.

6.1.

Het mentorschap van eiseres is wettelijk geregeld in titel 20 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Tussen partijen is niet in geschil dat de vergoeding die eiseres als mentor ontvangt is gebaseerd op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. (Voetnoot 5) Een familiementor ontvangt een jaarbeloning van € 883,- inclusief onkostenvergoeding. (Voetnoot 6) In de toelichting op voornoemde regeling wordt uitgelegd dat de jaarbeloning een forfaitaire vergoeding betreft inclusief onkostenvergoeding en exclusief BTW. Met onkosten worden bedoeld de kosten die de vertegenwoordiger in het belang van een goede uitvoering van zijn taken maakt. Het betreft eventuele reiskosten, telefoonkosten, kosten van het opmaken van de rekening en verantwoording, kosten van het uitbesteden van taken voor zover de betrokkene deze voorheen zelf verrichte.

6.2.

De vraag die de rechtbank hierna zal beantwoorden is of het college de forfaitaire mentorvergoeding die eiseres op haar bankrekening betaald krijgt onder de vermelding van ‘Mentorschap’ in het geheel kon aanmerken als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid van de Pw en mocht korten op haar bijstandsuitkering.

6.3.

Hiervoor is de uitspraak van de Raad 27 juni 2017 (Voetnoot 7) van belang, waarop beide partijen ook een beroep doen. In rechtsoverweging 4.6 van deze uitspraak overweegt de Raad:

4.6.

Bij beschikking van de kantonrechter van 1 februari 2013 zijn appellanten benoemd tot curatoren en zijn zij gemachtigd om met ingang van 1 mei 2013 1/12e gedeelte van het toepasselijke jaartarief volgens de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) maandelijks als beloning bij de betrokkene in rekening te brengen. In de Aanbevelingen curatele zoals deze op 8 juni 2015 door het LOVCK zijn vastgesteld (aanbevelingen), is in onderdeel C2 de beloning van de curator voor werkzaamheden verricht voor 1 januari 2015 vastgesteld. In punt 14 van onderdeel C2 is voor een familiecurator het forfaitaire tarief van € 890,- opgenomen. Dit bedrag bevat, blijkens punt 14, een component voor onkostenvergoeding van € 216,- en een component voor de beloning voor de verrichte werkzaamheden van € 674,-. Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat het college dit bedrag van € 674,- op goede gronden als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW heeft aangemerkt. Van belang is voorts dat appellanten dit inkomen hebben kunnen aanwenden voor de kosten van levensonderhoud. Dat zij dit feitelijk zouden hebben aangewend ter bestrijding van kosten die samenhangen met het curatorschap doet daar niet aan af. Daarbij heeft het college er terecht op gewezen dat, indien de kosten die samenhangen met het curatorschap hoger waren dan de forfaitaire vergoeding van € 216,-, appellanten deze extra kosten aan de kantonrechter hadden kunnen voorleggen en, na goedkeuring van de kantonrechter, bij de curandus in rekening hadden kunnen brengen.

6.4.

Uit deze uitspraak, die ziet op curatele maar naar het oordeel van de rechtbank ook kan worden toegepast op mentorschap, volgt dat voor zover de vergoeding ziet op een beloning voor verrichte werkzaamheden deze voor de kosten van levensonderhoud kan worden aangewend en daarmee als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw. Maar uit deze uitspraak volgt ook dat voor zover de vergoeding ziet op het deel onkosten, deze niet als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw kan worden aangemerkt.

6.5.

Voor de beloning verwijst de Raad naar de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) en de op 8 juni 2015 vastgestelde Aanbevelingen curatele. Daarin wordt de forfaitaire beloning concreet onderscheiden in een beloningscomponent en een onkostencomponent, zoals ook benoemd in de uitspraak van de Raad. Voor deze aanbevelingen is de huidige Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, in de plaats gekomen. Op de zitting is besproken dat die Regeling enkel vermeldt dat de beloning inclusief een onkostenvergoeding is, maar niet langer concrete bedragen vermeldt als onkosten- en beloningscomponent. Dit betekent evenwel niet dat de beloning geen beloningscomponent of onkostencomponent meer heeft. In artikel 1, tweede lid van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren staat namelijk expliciet benoemd dat de vergoeding inclusief een onkostenvergoeding is. En in de toelichting op deze regeling wordt bevestigd dat familievertegenwoordigers aanspraak kunnen maken op een forfaitaire jaarbeloning inclusief onkostenvergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat de mentorvergoeding die wordt ontvangen uit twee componenten bestaat en dat enkel de beloningscomponent van de mentorvergoeding is aan te merken als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw en de onkostencomponent dus niet.

6.6.

Omdat het college de volledige mentorvergoeding heeft aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw en dat kort op de bijstandsuitkering van eiseres, kan het bestreden besluit geen standhouden. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen voor zover het de inhouding van de mentorvergoeding op de uitkering van eiseres betreft. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien nu het aan het college is om vast te stellen welk deel van de mentorvergoeding moet worden aangemerkt als onkostencomponent en welk deel als beloningscomponent. Het college zal dus een nieuw besluit moeten nemen, waarin het voldoende zorgvuldig gemotiveerd zal moeten worden welk deel van de mentorvergoeding moet worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid van de Pw om dat te kunnen inhouden op de bijstandsuitkering van eiseres. Het college zal daarbij eveneens de hoogte van het reeds onterecht ingehouden deel van de mentorvergoeding moeten berekenen en terugbetalen aan eiseres. Daarbij merkt de rechtbank op dat op de zitting is besproken dat de uitspraak van de Raad van 27 juni 2017 en de daarin aangehaalde aanbevelingen van het LOVCK wellicht handvatten kunnen bieden. Het college heeft namelijk opgemerkt dat daaruit blijkt dat de vergoeding voor ongeveer 75 % ziet op beloning en voor 25 % ziet op onkosten, hetgeen de gemachtigde van eiseres ook heeft onderkend.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Het besluit wordt vernietigd voor zover het de inhouding van de mentorvergoeding op de uitkering van eiseres betreft. De rechtbank ziet, zoals hiervoor weergegeven, geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien.

7.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van 4 weken.

7.2.

Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank het college in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover het de inhouding van de mentorvergoeding op de bijstandsuitkering betreft;

draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak binnen 4 weken na verzending daarvan een nieuw besluit te nemen;

veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Geuze, voorzitter, en mr. R.H. van Marle en mr. R.B.H. Hebbink leden, in aanwezigheid van drs. M.T. Petersen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.

griffier

Voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:CRVB:2017:2320

Voetnoot 2

ECLI:NL:CRVB:2017:2320

Voetnoot 3

Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 58-59

Voetnoot 4

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1055)

Voetnoot 5

Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 november 2014, nr. 577811 houdende de invoering van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren)

Voetnoot 6

Artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, geldend per 1-1-2026

Voetnoot 7

ECLI:NL:CRVB:2017:2320