Rechtbank Oost-Brabant, bodemzaak civiel recht overig

ECLI:NL:RBOBR:2026:5487

Op 29 July 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een bodemzaak procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/01/417959 / HA ZA 25-487, C/01/417960 / HA ZA 25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:5487. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/01/417959 / HA ZA 25-487, C/01/417960 / HA ZA 25
Datum uitspraak:
29 July 2026
Datum publicatie:
29 July 2026
Advocaat:
mr. B.J.P.G Roozendaal;mr. B.J.P.G Roozendaal;mr. B.J.P.G Roozendaal;mr. D.M. Lamers

Indicatie

Vordering o.g.v. groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW) vanwege schade als gevolg van avondklokrellen tijdens corona. Gevoegde zaken. Tweemaal verstek verleend (toewijzing). In de andere zaak (tegenspraak) wordt de vordering afgewezen. Onvoldoende concretisering van groepsverband.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/417959 / HA ZA 25-487

Zaaknummer: C/01/417960 / HA ZA 25-488

Zaaknummer: C/01/417961 / HA ZA 25-489

Vonnis van 29 juli 2026

in de zaak met zaaknummer 417959 HA ZA 25-487

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EINDHOVEN,

gevestigd Eindhoven,

eisende partij,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. B.J.P.G. Roozendaal,

tegen

[gedaagde in HA ZA 25-487] ,

ingeschreven zonder bekende woonplaats, verblijvend te [plaats] , [land] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde in HA ZA 25-487] ,

niet verschenen,

in de zaak met zaaknummer 417960 HA ZA 25-488

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EINDHOVEN,

gevestigd Eindhoven,

eisende partij,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. B.J.P.G. Roozendaal,

tegen

[gedaagde in HA ZA 25-488] ,

wonend in [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde in HA ZA 25-488] ,

niet verschenen,

in de zaak met zaaknummer 417961 HA ZA 25-489

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EINDHOVEN,

gevestigd Eindhoven,

eisende partij,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. B.J.P.G. Roozendaal,

tegen

[gedaagde in HA ZA 25-489] ,

wonend in [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde in HA ZA 25-489] ,

advocaat: mr. D.M. Lamers.

1
De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

In de zaak van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-487] (417959 HA ZA 25-487)

- de dagvaarding, tevens houdende incidentele vordering tot voeging, met 16 bijlagen,

- het herstelexploot met oproep,

- de akte uitlaten van de gemeente met 6 bijlagen,

- de rolbeslissing tot voeging van 15 oktober 2025, waarbij deze zaak is gevoegd met die van [gedaagde in HA ZA 25-488] en [gedaagde in HA ZA 25-489] en twee andere na de mondelinge behandeling doorgehaalde zaken,

- het tegen [gedaagde in HA ZA 25-487] verleende verstek,

In de zaak van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-488] (417960 HA ZA 25-488)

- de dagvaarding, tevens houdende incidentele vordering tot voeging, met 15 bijlagen,

- het herstelexploot met oproep,

- de rolbeslissing tot voeging van 1 oktober 2025, waarbij deze zaak is gevoegd met die van [gedaagde in HA ZA 25-487] en [gedaagde in HA ZA 25-489] en twee andere na de mondelinge behandeling doorgehaalde zaken,

- het tegen [gedaagde in HA ZA 25-488] verleende verstek,

In de zaak van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-489] (417961 / HA ZA 25-489)

- de dagvaarding, tevens houdende incidentele vordering tot voeging, met 17 bijlagen,

- het antwoord in incident,

- het vonnis in incident van 1 oktober 2025, waarbij deze zaak is gevoegd met die van [gedaagde in HA ZA 25-487] en [gedaagde in HA ZA 25-488] en twee andere na de mondelinge behandeling doorgehaalde zaken,

- de conclusie van antwoord met 1 bijlage.

1.2.

Op 16 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken. De gemeente werd ter zitting vertegenwoordigd door [A] (bestuurlijk adviseur) en mr. [B] (senior juridisch medewerker). De gemeente werd bijgestaan door haar advocaat, die spreekaantekeningen heeft overgelegd en voorgedragen. [gedaagde in HA ZA 25-489] was in persoon ter zitting aanwezig en werd bijgestaan door zijn advocaat, die eveneens spreekaantekeningen heeft overgelegd en voorgedragen. Tijdens de mondelinge behandeling werd de zaak van [gedaagde in HA ZA 25-489] gevoegd behandeld met twee andere zaken (andere zaken dan de zaken van [gedaagde in HA ZA 25-487] en [gedaagde in HA ZA 25-488] ). Met de gedaagde partijen in die zaken heeft de gemeente ter zitting een minnelijke regeling getroffen, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Vervolgens zijn deze twee procedures doorgehaald.

1.3.

Ten slotte is bepaald dat in de nog resterende zaken vandaag uitspraak wordt gedaan.

2
De feiten
2.1.

In de periode van 23 januari 2021 tot en met 28 april 2021 is in Nederland een avondklok van kracht geweest, bedoeld om het oplopen van het aantal coronabesmettingen tegen te gaan. In deze periode was het verboden om tussen 21.00 uur (en vanaf 31 maart 2021 vanaf 22.00 uur) tot 04.30 uur op straat te zijn.

2.2.

Op 24 januari 2021 hebben in verschillende gemeenten, waaronder de gemeente Eindhoven, demonstraties dan wel rellen tegen de avondklok plaatsgevonden. In de gemeente Eindhoven vonden de rellen onder meer plaats op het 18 Septemberplein en bij het centraal station. Door de relschoppers zijn uiteenlopende vernielingen aangericht aan de inrichting van de openbare ruimte.

2.3.

Meerdere personen zijn strafrechtelijk veroordeeld voor hun aandeel in de rellen op 24 januari 2021. Onder de strafrechtelijk veroordeelden behoren ook [gedaagde in HA ZA 25-487] , [gedaagde in HA ZA 25-488] en [gedaagde in HA ZA 25-489] .

2.4.

De politierechter heeft [gedaagde in HA ZA 25-487] in een mondeling vonnis van 24 februari 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren voor het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen op 24 januari 2021.

2.5.

De politierechter heeft [gedaagde in HA ZA 25-488] eveneens veroordeeld voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen op 24 januari 2021. Hij heeft een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest opgelegd gekregen.

2.6.

De politierechter heeft [gedaagde in HA ZA 25-489] in een mondeling vonnis van 24 februari 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren voor het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen op 24 januari 2021.

2.7.

De gemeente heeft zich als benadeelde partij in de strafrechtelijke procedures gevoegd en verzocht om vergoeding van de door haar geleden materiële schade. De gemeente is in deze vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

2.8.

De gemeente heeft aan twaalf personen die strafrechtelijk zijn veroordeeld (waaronder ook aan [gedaagde in HA ZA 25-487] , [gedaagde in HA ZA 25-488] en [gedaagde in HA ZA 25-489] ) een voorstel tot het treffen van een minnelijke regeling gedaan.

2.9.

Door één van deze personen is het schikkingsbedrag geheel voldaan, en de gemeente heeft met één ander een betalingsregeling afgesproken. In vijf andere gevallen is met het CJIB een betalingsregeling getroffen en in één geval is de veroordeelde in hoger beroep alsnog vrijgesproken.

2.10.

Omdat de gemeente van de vijf resterende personen geen (instemmende) reactie heeft gekregen op het schikkingsvoorstel, heeft de gemeente in deze zaken besloten een civiele procedure te starten, met het verzoek aan de rechtbank om deze vijf zaken gevoegd te behandelen. Met twee gedaagden is op de mondelinge behandeling van 16 juni 2026 (r.o. 1.2) alsnog een schikking getroffen, waarna deze twee zaken op verzoek van partijen zijn doorgehaald. De rechtbank oordeelt met dit vonnis in de drie overgebleven zaken.

3
Het geschil

In de zaken van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-487] (417959 HA ZA 25-487) en [gedaagde in HA ZA 25-488] (417960 HA ZA 25-488)

3.1.

In zowel de zaak tegen [gedaagde in HA ZA 25-487] als in de zaak tegen [gedaagde in HA ZA 25-488] vordert de gemeente betaling van een bedrag van € 109.515,37, te vermeerderen met bijkomende kosten.

3.2.

[gedaagde in HA ZA 25-487] en [gedaagde in HA ZA 25-488] zijn niet verschenen in de procedure, zodat tegen hen verstek is verleend.

In de zaak van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-489] (417961 / HA ZA 25-489)

3.3.

De gemeente heeft op de mondelinge behandeling van 16 juni 2026 haar vordering tegen [gedaagde in HA ZA 25-489] verminderd. Na vermindering van eis vordert zij – zakelijk weergegeven – veroordeling van [gedaagde in HA ZA 25-489] tot betaling van een bedrag van € 79.515,37, te vermeerderen met bijkomende kosten.

3.4.

De gemeente legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde in HA ZA 25-489] strafrechtelijk is veroordeeld voor het op 24 januari 2021 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen. Daarmee staat volgens de gemeente in deze procedure vast dat [gedaagde in HA ZA 25-489] actief heeft deelgenomen aan de rellen in Eindhoven op 24 januari 2021. [gedaagde in HA ZA 25-489] heeft onrechtmatig gehandeld jegens de gemeente door in groepsverband schade toe te brengen aan de eigendommen van de gemeente. Bovendien had [gedaagde in HA ZA 25-489] moeten begrijpen dat door het handelen van de groep gevaar zou ontstaan, maar hij heeft zich desondanks niet aan de groep onttrokken. Daarmee is voldaan aan de wettelijke vereisten voor groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers is niet van belang, zodat [gedaagde in HA ZA 25-489] hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige schade die de gemeente als gevolg van de rellen op 24 januari 2021 heeft geleden. De gemeente heeft haar schade als volgt gespecificeerd:

? Schoonmaakkosten avond van 21 januari, nacht van 21 op 22 januari en dag van 22 januari: € 7.183,35 excl. btw,

? Herstel bestrating stationsplein: € 2.240,00 excl. btw,

? Herstel bestrating en glasplaten centrum en 18 Septemberplein: € 17.425,00 excl. btw,

? Herstel ruiten aan Stationsplein 17: € 4.945,00 excl. btw,

? Herstel asfalt: € 1.693,88 excl. btw,

? Herstel palen en bebording: € 1.888,14 excl. btw,

? Herstel beplanting: € 2.500,00 excl. btw,

? Herstel camerasystemen: € 36.968,00 excl. btw,

? Herstel tekstwagen: € 30.654,00 excl. btw,

? Ambtelijke inzet van 40,00 uur: € 4.976,00.

3.5.

[gedaagde in HA ZA 25-489] heeft verweer gevoerd tegen de vordering van de gemeente. Allereerst heeft [gedaagde in HA ZA 25-489] betwist dat aan de vereisten voor groepsaansprakelijkheid is voldaan. Dat hij op enig moment bij de demonstratie aanwezig was, is volgens [gedaagde in HA ZA 25-489] onvoldoende om te behoren tot een groep in de zin van artikel 6:166 BW. Weliswaar is [gedaagde in HA ZA 25-489] strafrechtelijk veroordeeld voor het gooien van één steen naar de ME, maar hij betwist dat hij de samenwerking met anderen heeft gezocht of zich anderszins als onderdeel van een groep heeft gedragen. Bovendien is hij halverwege de middag vertrokken en was hij niet meer aanwezig bij het tweede gedeelte van de demonstratie, toen de plunderingen, vernielingen en brandstichting plaatsvonden. Zelfs als [gedaagde in HA ZA 25-489] tot een groep zou behoren, ontbreekt het aan toerekenbaarheid. Verder heeft de gemeente niet aangetoond dat de door haar opgevoerde schadeposten rechtstreeks samenhangen met de gedraging van [gedaagde in HA ZA 25-489] , zodat het causaal verband ontbreekt.

3.6.

Indien de rechtbank desondanks tot het oordeel zou komen dat [gedaagde in HA ZA 25-489] op grond van groepsaansprakelijkheid aansprakelijk kan worden gehouden voor de door de gemeente geleden schade, heeft [gedaagde in HA ZA 25-489] diverse schadeposten betwist. Allereerst heeft [gedaagde in HA ZA 25-489] aangevoerd dat hij zich aan de demonstratie heeft onttrokken voordat het asfalt beschadigd werd, brand werd gesticht en verkeersinstallaties, lantaarnpalen/bebording, camerasystemen, een tekstwagen en beplanting werden vernield. Voor deze schade kan hij dan ook niet aansprakelijk worden gehouden. Tot slot zijn diverse schadeposten (in totaal ter hoogte van € 25.500,00) niet te herleiden naar facturen, zodat [gedaagde in HA ZA 25-489] betwist dat de gemeente door toedoen van [gedaagde in HA ZA 25-489] deze kosten werkelijk heeft gemaakt. Tot slot staat de gevorderde schade niet in verhouding tot het aandeel van [gedaagde in HA ZA 25-489] in het geheel.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

Overwegingen

4
De beoordeling

In de zaken van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-487] (417959 HA ZA 25-487) en [gedaagde in HA ZA 25-488] (417960 HA ZA 25-488)

4.1.

Ondanks dat dit niet zo is opgenomen in de petita van de dagvaardingen begrijpt de rechtbank de vorderingen van de gemeente aldus dat zij veroordeling van [gedaagde in HA ZA 25-487] en [gedaagde in HA ZA 25-488] tot hoofdelijke betaling van de schadevergoeding vordert. Hoewel in het petita de hoofdelijkheid niet expliciet is opgenomen, is deze wel telkens in het lichaam van de dagvaardingen verwoord. De rechtbank leest de petita daarom in het licht van de inhoud van de dagvaardingen en zal de vorderingen hoofdelijk toewijzen, nu de schade slechts eenmaal kan worden vergoed.

4.2.

Ten aanzien van de hoofdelijkheid overweegt de rechtbank verder het volgende. Uit de vaststaande feiten blijkt dat de gemeente in meerdere zaken, zowel buitengerechtelijk als tijdens de mondelinge behandeling van de met deze zaken gevoegde procedures, schikkingen heeft getroffen. De hoofdelijke aansprakelijkheid van alle schadeveroorzakers waarop de gemeente haar schade als gevolg van de rellen op 24 januari 2021 heeft verhaald, verhaalt, wenst te verhalen brengt met zich mee dat de gemeente de in deze verstekzaken uit te spreken hoofdelijke veroordelingen slechts ten uitvoer kan leggen voor zover de desbetreffende schade niet reeds door betalingen van een of meer andere veroorzakers van de schade als gevolg van de rellen in Eindhoven van 24 januari 2021 is voldaan.

4.3.

De vorderingen komen de rechtbank verder niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen, zoals vermeld in de beslissing en met in achtneming van hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen.

In de zaak van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-487] (417959 HA ZA 25-487)

4.4.

[gedaagde in HA ZA 25-487] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

135,27

- griffierecht

6.861,00

- salaris advocaat

2.051,00

(1 punt × € 2.051,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

9.236,27

4.5.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

In de zaak van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-488] (417960 HA ZA 25-488)

4.6.

[gedaagde in HA ZA 25-488] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

120,78

- griffierecht

6.861,00

- salaris advocaat

2.051,00

(1 punt × € 2.051,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

9.221,78

4.7.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

In de zaak van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-489] (417961 / HA ZA 25-489)

4.8.

De gemeente baseert haar vordering op groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of aan de vereisten van deze bepaling is voldaan.

Beoordelingskader artikel 6:166 BW

4.9.

Artikel 6:166 BW bepaalt dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van deze schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hen kunnen worden toegerekend.

4.10.

De rechtbank stelt voorop dat uit de rechtspraak volgt dat aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW niet kan worden gebaseerd op de enkele vaststelling dat sprake is geweest van openlijke geweldpleging “in vereniging” in de zin van artikel 141 Sr. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2914) en de conclusie van de A-G (ECLI:NL:PHR:2015:713), vergt artikel 6:166 BW een zelfstandige civielrechtelijke toets, waarbij het gaat om deelneming aan gedragingen in groepsverband waarvan de kans op het aldus toebrengen van schade de deelnemers had behoren te weerhouden van hun gedragingen. De aansprakelijkheid berust op de eigen onrechtmatige gedraging die bestaat uit die deelneming zelf. Daarbij is niet vereist dat causaal verband bestaat tussen de gedraging van de individuele deelnemer en de concrete schade.

Voorts volgt uit het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 december 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:6301) dat het enkele feit dat sprake is van een menigte of van ongeregeldheden waarin personen zich “in vereniging” schuldig maken aan geweld, onvoldoende is om zonder nadere concretisering te spreken van één groep in de zin van artikel 6:166 BW, in het bijzonder wanneer sprake is van wisselende samenstellingen, een verloop in tijd en uiteenlopende gedragingen. Hoewel voor toepassing van artikel 6:166 BW geen strikte eenheid van tijd en plaats is vereist, neemt dit niet weg dat steeds sprake moet zijn van voldoende samenhang tussen de gedragingen om deze als één groepsverband te kunnen kwalificeren.

Afbakening van het gestelde groepsverband

4.11.

Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag of [gedaagde in HA ZA 25-489] in civielrechtelijke zin onderdeel is geweest van de groep relschoppers die op 24 januari 2021 schade aan de eigendommen van de gemeente heeft toegebracht. In het hiernavolgende bespreekt de rechtbank of de gemeente de gestelde groep voldoende heeft afgebakend en, zo ja, of [gedaagde in HA ZA 25-489] daarvan deel uitmaakte.

4.12.

Het is aan de gemeente om omstandigheden te stellen (en indien nodig te bewijzen) waaruit volgt dat (i) [gedaagde in HA ZA 25-489] heeft deelgenomen aan (ii) gedragingen in groepsverband, (iii) waarvan de kans op het aldus toebrengen van de schade [gedaagde in HA ZA 25-489] had behoren te weerhouden, (iv) dat diens gedragingen aan hem kan worden toegerekend en dat (v) één van de deelnemers aan de gedragingen de gemeente onrechtmatig schade heeft toegebracht.

4.13.

Gelet op het voorgaande kan de stelling van de gemeente dat [gedaagde in HA ZA 25-489] strafrechtelijk is veroordeeld voor het openlijk “in vereniging” plegen van geweld, zodat in onderhavige procedure vast staat dat [gedaagde in HA ZA 25-489] onderdeel is geweest van één groep in de zin van groepsaansprakelijkheid, niet worden gevolgd. De rechtbank moet eerst beoordelen of [gedaagde in HA ZA 25-489] in civielrechtelijke zin heeft deelgenomen aan gedragingen in groepsverband.

4.14.

Desgevraagd heeft de gemeente ter zitting gesteld dat de groep, de kring van aansprakelijke personen, ziet op alle personen die op enig moment aan de rellen in Eindhoven hebben deelgenomen op 24 januari 2021 tussen 14.00 uur en 20.30 uur. Volgens de gemeente zou sprake zijn geweest van een voortdurende actie, zonder moment van rust. Het standpunt van de gemeente komt er feitelijk dus op neer dat volgens haar sprake is geweest van één doorlopende groep vanaf het gooien van de eerste steen tot en met de laatste brandstichting, en alles wat zich daartussen heeft voorgedaan.

4.15.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Groepsaansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 BW is niet bedoeld om zonder nadere afbakening alle deelnemers die op enig moment betrokken zijn geweest bij langdurige ongeregeldheden aansprakelijk te houden voor alle schade die gedurende die ongeregeldheden is ontstaan. De kring van aansprakelijke personen dient telkens te worden bepaald aan de hand van de concrete schadeveroorzakende gedragingen en het daarbij behorende groepsverband. Daarbij kunnen de gedragingen zich overigens wel over een langere periode uitstrekken, maar is vereist dat tussen die gedragingen voldoende samenhang bestaat om deze als één groepsverband in de zin van artikel 6:166 BW aan te merken (bijvoorbeeld door het ongewijzigd blijven van de personen die deelnemen aan de groep). Het lag daarom op de weg van de gemeente om concreet te stellen welke gedragingen tezamen één groepsverband vormden, welke schade daardoor is veroorzaakt en waarom [gedaagde in HA ZA 25-489] onderdeel uitmaakte van dat groepsverband. Dat heeft de gemeente niet gedaan. De gemeente volstaat met [gedaagde in HA ZA 25-489] in algemene zin te kwalificeren als deelnemer aan de rellen. Daarmee wordt echter uit het oog verloren dat in een tijdspanne van 6,5 uur diverse gewelddadige gedragingen hebben plaatsgevonden, variërend van het gooien van stenen en brandstichtingen tot plunderingen van winkels, met steeds wisselende deelnemers en op verschillende locaties. Dat sprake was van een veranderende samenstelling van de aanwezigen, vindt steun in de verklaring van [gedaagde in HA ZA 25-489] . Uit zijn verklaring blijkt dat sprake was van een voortdurend “komen en gaan” van personen. Hij zegt dat hij na het gooien van die steen nog een sigaretje heeft staan roken, dat hij vervolgens is weggegaan richting de achterkant van de Bijenkorf, en dat hij even later nog eens is teruggelopen. Toen hij zag dat er traangras werd ingezet, is hij naar huis vertrokken. Zijn stelling dat hij Eindhoven op enig moment heeft verlaten, vindt ook steun in een bericht dat hij om 16.33 aan zijn moeder heeft gestuurd. (Voetnoot 1) De gemeente heeft die stelling weliswaar betwist, maar die betwisting is verder niet onderbouwd. De rechtbank gaat daarom aan die blote betwisting voorbij.

4.16.

Het voorgaande betekent overigens niet dat [gedaagde in HA ZA 25-489] géén deel heeft uitgemaakt van gedragingen in groepsverband waarvan de kans op het toebrengen van schade hem had behoren te weerhouden, en dat hij op grond daarvan mogelijk voor een deel van de schade aansprakelijk is. [gedaagde in HA ZA 25-489] verklaart immers zelf dat hij een steen heeft gegooid in de richting van de ME. De gemeente heeft echter onvoldoende concreet gemaakt welke gedragingen tezamen één groepsverband vormden, waarom die gedragingen als één groepsverband moet worden aangemerkt, waarom [gedaagde in HA ZA 25-489] tot dàt groepsverband behoorde en welke schade zij als gevolg van de gedragingen van dat specifieke groepsverband heeft geleden. Het is niet aan de rechtbank om, op basis van een globale duiding van “rellen” gedurende de gehele dag, zelfstandig een schadeveroorzakend groepsverband te construeren en daaraan aansprakelijkheid te koppelen.

4.17.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-489] zullen worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de door de gemeente ingestelde nevenvorderingen. Aan een inhoudelijke beoordeling van de overige door partijen ingenomen stellingen, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de schadeposten, komt de rechtbank niet meer toe.

Proceskostenveroordeling

4.18.

De gemeente is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde in HA ZA 25-489] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal de gemeente niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde in HA ZA 25-489] worden begroot op:

- griffierecht

90,00

- salaris advocaat

4.102,00

(2 punten × € 2.051,00)

- nakosten

189,00

Totaal

4.381,00

4.19.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Beslissing

5
De beslissing

De rechtbank

In de zaak van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-487] (417959 HA ZA 25-487)

5.1.

veroordeelt [gedaagde in HA ZA 25-487] hoofdelijk, om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 109.515,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 januari 2021, tot de dag van volledige betaling, met inachtneming van hetgeen onder 4.2 is overwogen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde in HA ZA 25-487] om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 1.870,15 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde in HA ZA 25-487] in de proceskosten van € 9.236,27, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in HA ZA 25-487] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt [gedaagde in HA ZA 25-487] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

In de zaak van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-488] (417960 HA ZA 25-488)

5.6.

veroordeelt [gedaagde in HA ZA 25-488] hoofdelijk, om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 109.515,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 januari 2021 tot de dag van volledige betaling, met inachtneming van hetgeen onder 4.2 is overwogen,

5.7.

veroordeelt [gedaagde in HA ZA 25-488] om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 1.870,15 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

5.8.

veroordeelt [gedaagde in HA ZA 25-488] in de proceskosten van € 9.221,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in HA ZA 25-488] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.9.

veroordeelt [gedaagde in HA ZA 25-488] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.10.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

In de zaak van de gemeente tegen [gedaagde in HA ZA 25-489] (417961 / HA ZA 25-489)

5.11.

wijst de vorderingen van de gemeente af,

5.12.

veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 4.381,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

5.13.

veroordeelt de gemeente tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.14.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Salemans en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Bijlage 1 van de conclusie van antwoord