3.4.2.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
? Heeft verdachte opzettelijk het slachtoffer om het leven gebracht?
De gedragingen van verdachte, inhoudende het meermaals gericht steken van het 84-jaar oude slachtoffer in de borst met een groot mes, zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan dan dat het opzet van verdachte daarop gericht was. De rechtbank acht “vol” opzet bewezen.
? Moord of doodslag?
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Met andere woorden: is er sprake van moord of van doodslag? De rechtbank oordeelt dat er sprake is van moord en overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten aanzien van sommige relevante feiten en omstandigheden steeds wisselend heeft verklaard. Hierom zal de rechtbank het tijdspad voorafgaand aan en ten tijde van de moord reconstrueren aan de hand van de in het dossier vastgestelde objectieve onderzoeksgegevens en verklaringen van getuigen. De hierna weergegeven conclusies van de rechtbank volgen steeds uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
De periode voorafgaand aan de moord.
Op 27 juli 2024 belt verdachte met zijn zus, dochter, die in Spanje woont. Kleindochter is op dat moment bij haar op bezoek. Verdachte vertelt zijn zus dat hij is geschrokken van de mentale toestand van het slachtoffer. Tijdens dit gesprek spreekt verdachte ook over het geld van het slachtoffer en haar kluis. Verdachte vertelt zijn zus dat hij de kluis wil leeghalen en het geld wil wegsluizen zodat de Belastingdienst er niet aan zou kunnen komen. Verdachte heeft het daarbij ook over de gelden op de bankrekeningen van het slachtoffer. Het een en ander moet volgens verdachte op korte termijn plaats gaan vinden.
Op 4 augustus 2024 gaat kleindochter op bezoek bij het slachtoffer. Zij stelt vast dat het – ook mentaal – goed gaat met het slachtoffer. Zij laat vervolgens het slachtoffer tekstberichten lezen die door verdachte aan haar en aan dochter zijn gestuurd, waarin verdachte onder andere schrijft dat het slachtoffer dementerend is. Het slachtoffer is hier boos over en confronteert verdachte hiermee. Het slachtoffer wil even niks met verdachte te maken hebben.
Op 5 augustus 2024 stuurt de vriendin van verdachte hem advertenties door van personenauto’s. Op 6 augustus 2024 heeft verdachte voor het eerst contact met de autodealer waar hij later een auto zou gaan aanschaffen. Op 7 augustus 2024 neemt verdachte door middel van een WhatsApp bericht contact op met het slachtoffer. Hij vraagt haar in dat bericht om € 12.000,-- in plaats van de € 58.000,-- waar hij kennelijk eerder om had gevraagd. Het slachtoffer maakt verdachte vervolgens duidelijk dat zij nog steeds boos en kwaad op hem is, dat ze zich afvraagt hoe verdachte zulke berichten over haar heeft kunnen schrijven, dat zij nog geen excuses heeft gehoord en dat zij hierover (over het geld) nog moet nadenken.
Op 10 augustus 2024 stuurt verdachte een WhatsApp bericht naar zijn vriendin waarin hij zegt dat hij de auto (à € 25.000,--) heeft betaald en € 100.000,-- heeft overgesluist. Uit een analyse van de bankrekeningen is gebleken dat verdachte in de periode van 9 tot en met 11 augustus 2024 in totaal € 80.000,-- toebehorende aan het slachtoffer heeft overgemaakt naar zijn privérekening. Het slachtoffer “reageert toch niet” en is volgens verdachte een “Gek wijf”. Zijn vriendin laat hem weten dat zij zijn gedrag niet goed vindt. Hierop reageert verdachte: “Ja ha is mijn geld”.
De handelingen van verdachte vlak voor en tijdens de moord.
Op 15 augustus 2024 staat verdachte rond 18:00 uur aan de deur kleindochter. Hij vraagt aan kleindochter om die avond met hem mee te gaan naar het slachtoffer omdat er gepraat moet worden. Daarnaast is verdachte – nog steeds – boos op kleindochter omdat zij de tekstberichten van verdachte over het slachtoffer aan het slachtoffer heeft laten lezen. Kleindochter geeft aan niet mee te gaan.
Verdachte gaat die avond in eerste instantie naar bed. Omstreeks middernacht staat hij op en pakt een mes, een pet en handschoenen op verschillende plekken in zijn woning. Hij vertrekt aanvankelijk omstreeks kwart over twaalf ’s nachts met zijn auto naar de woning van het slachtoffer in Oss. Hij zet pas na het rijden van een aantal meters zijn koplampen aan. Halverwege realiseert hij zich dat hij de sleutel van de woning van het slachtoffer vergeten is. Hierop keert hij terug naar zijn woning. Omstreeks kwart voor één ’s nachts komt hij daar aan en is hij te zien op camerabeelden van de hoofdingang van het appartementencomplex. Bij het betreden van de hal houdt hij zijn rechterhand voor zijn gezicht ter hoogte van de camera van het appartementencomplex. Vijf minuten later, ongeveer tien voor één ’s nachts, vertrekt verdachte opnieuw vanuit het appartementencomplex, waarbij hij ditmaal vanuit de achterzijde zonder camera het gebouw verlaat, en rijdt hij alsnog naar de woning van het slachtoffer in Oss.
Eenmaal bij het slachtoffer aangekomen “vermomt” verdachte zich met de pet en een zonnebril die in zijn auto lag en opent hij de voordeur van de woning met de sleutel die het slachtoffer hem had toevertrouwd. Verdachte betreedt de woning van het slachtoffer en loopt meteen door naar de slaapkamer.
Als verdachte in de slaapkamer het slachtoffer aantreft, begint hij meteen met steken. Hij zegt niks. Hij steekt het slachtoffer meermaals. Hierbij verwondt verdachte ook zichzelf. Het slachtoffer overlijdt als gevolg van twee steekletsels in de borst.
Nadat hij het slachtoffer heeft neergestoken gaat verdachte naar de kluis toe. Hij voelt of de kluissleutel in de kluis zit. Dit is niet het geval. Hij voelt nog aan de bovenzijde van de kluis of de sleutel daar ligt, wat niet zo is, en probeert de kluis mee te nemen. Ook dat lukt niet. Verdachte verlaat vervolgens de woning zonder (de inhoud van) de kluis.
Conclusie ten aanzien van feit 1.
Uit het hierboven geschetste tijdspad leidt de rechtbank af dat het niet anders kan dan dat verdachte het vooropgezette plan had het slachtoffer van het leven te beroven. Hij nam het besluit hiertoe, als hij dat niet al eerder had genomen, toen hij opstond rond middernacht in de nacht van 15 op 16 augustus 2024 en op verschillende plekken in zijn woning de ‘attributen’ bij elkaar ging zoeken waarmee hij naar het huis van het slachtoffer ging: het mes, de latex handschoenen en de pet. Ook uit de daaropvolgende handelingen blijkt dat verdachte vervolgens, vóór de daadwerkelijke uitvoering van zijn daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft kunnen geven en heeft gegeven. Dit blijkt naast het verzamelen van de spullen ook uit het weer met de auto naar huis terugkeren voor de huissleutel en daarna opnieuw vertrekken naar het huis van zijn moeder. Bij het halen van de huissleutel verricht verdachte voorts een aantal handelingen waaruit blijkt dat hij er ook op dat moment bewust mee bezig is dat hij niet gezien wil worden (hand voor gezicht bij de camera, zijn appartementencomplex via een andere uitgang verlaten, met gedoofd licht wegrijden, vermomming opdoen voordat hij bij het complex van zijn moeder is). De rechtbank leidt uit al deze handelingen af dat verdachte steeds, vanaf het moment van opstaan tot het moment dat hij bij zijn moeder in de kamer staat en meteen begint met steken, hetzelfde plan in zijn hoofd heeft gehad en naar dat plan heeft gehandeld.
De verklaring van verdachte dat hij, zoals hij zelf zegt, mogelijk vanwege het afbouwen van zijn antidepressivamedicatie, wakker werd in een “waas” en vanuit die “waas” heeft gehandeld, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Het hiervoor uiteengezette tijdspad en de door hem verrichte handelingen maken juist duidelijk dat verdachte planmatig heeft gehandeld en op diverse momenten steeds een nieuw wilsbesluit heeft genomen om door te gaan met zijn plan. Zoals ook de psychiater in het PBC-rapport heeft aangegeven, waarover later meer, verhoudt dit zich niet met het bestaan van een waas als gevolg van het afbouwen van medicatie. Verdachte weet ter terechtzitting ook nog alle stappen en handelingen te reconstrueren.
Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat verdachte slechts voor de inhoud van de kluis naar het slachtoffer ging, een mes meenam om haar zo nodig te bedreigen, en pas in haar woning het besluit heeft genomen om haar om het leven te brengen omdat hij verrast was dat zij wakker was, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte begint, zoals hij zelf telkens heeft verklaard, meteen zodra hij het slachtoffer ziet met het steken. Er is geen woord door hem of zijn moeder gesproken, en dus ook niet gesproken over de kluis. Dit past niet bij het geschetste scenario dat het mes slechts bedoeld was om mee te dreigen. Ook valt niet in te zien waarom verdachte zou denken dat hij voor de uitvoering van dat plan een mes nodig zou hebben. Immers was het slachtoffer een vrouw op leeftijd die gemakkelijk door verdachte overmeesterd had kunnen worden. Tot slot weegt mee dat verdachte tegenover de politie ook nooit heeft verklaard dat het meenemen van het mes slechts gericht zou zijn geweest op het afdreigen van de inhoud van de kluis, en dat deze verklaring ook haaks staat op zijn ándere verklaring dat hij “in een waas” zou hebben gehandeld.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord bewezen.
? Heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot (gekwalificeerde) diefstal?
Verdachte heeft de huissleutel van het slachtoffer gebruikt om de woning in te komen. Dat betreft naar het oordeel van de rechtbank onbevoegd gebruik van de huissleutel, welk gebruik deze sleutel volgens bestendige jurisprudentie in juridische zin vals maakt.
Zoals hiervoor onder het kopje “de handelingen van verdachte vlak voor en tijdens de moord” uiteen is gezet, heeft verdachte na de moord op zijn moeder gevoeld of de sleutel in de kluis zat, bovenop de kluis naar de sleutel gezocht, en geprobeerd de kluis mee te nemen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich, nadat hij het slachtoffer om het leven heeft gebracht, ook schuldig heeft gemaakt aan een poging tot gekwalificeerde diefstal ten aanzien van de (inhoud van de) kluis, zoals hierna is bewezenverklaard.
? ( (gekwalificeerde) diefstal?
Uit de gang van zaken zoals hiervoor geschetst onder het kopje “de periode voorafgaand aan de moord” blijkt zonder meer dat verdachte onbevoegd gebruik heeft gemaakt van de bankgegevens en de bankrekening van het slachtoffer door geldbedragen over te maken van die rekening naar zijn privérekening. Dat hij zich daarmee geldbedragen die toebehoorden aan het slachtoffer heeft toegeëigend, staat niet ter discussie. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of dit handelen in juridische zin (gekwalificeerde) diefstal oplevert, zoals primair tenlastegelegd, of dat sprake is van verduistering, zoals subsidiair ten laste is gelegd.
Centraal voor de beantwoording van deze vraag is of verdachte het geld op het moment van toe-eigening al onder zich had, of dat hij het geld – al dan niet door het gebruik van een valse sleutel – heeft weggenomen van het slachtoffer.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het geld dat verdachte heeft overgeboekt afkomstig was van een en/of bankrekening met als tenaamgestelden het slachtoffer en verdachte. Verdachte was bevoegd tot internetbankieren met deze bankrekening. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte de geldbedragen niet heeft weggenomen van het slachtoffer, maar al onder zich had op het moment van toe-eigening. Dat betekent dat verdachte geld dat aan het slachtoffer toebehoorde, en dat hij anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toe-geëigend.
Dit betekent dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering ten aanzien van de geldbedragen van in totaal € 80.000,--.