Rechtbank Oost-Brabant, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOBR:2026:110

Op 13 January 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 01.263596.24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:110. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
01.263596.24
Datum uitspraak:
13 January 2026
Datum publicatie:
9 January 2026

Indicatie

Onderzoek Aurelia, verdenking van moord (feit 1), poging tot (gekwalificeerde) diefstal (feit 2) en gekwalificeerde diefstal (feit 3 primair) of verduistering (feit 3 subsidiair). Ten aanzien van alle feiten is het slachtoffer de moeder van verdachte. De rechtbank verwerpt het preliminaire verweer van de verdediging strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie. Anders dan door de verdediging is bepleit is de rechtbank van oordeel dat binnen de wettelijke termijn van artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht gebleken is van wens tot vervolging. De rechtbank reconstrueert aan de hand van het dossier de aanloop naar de moord toe en is van oordeel dat verdachte planmatig te werk is gegaan en meerdere mogelijkheden heeft gehad om af te zien van zijn plan. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een koelbloedige moord. Na de moord heeft verdachte gepoogd om de kluis van het slachtoffer leeg te halen. Voorafgaand aan de moord heeft verdachte in totaal € 80.000,-- van zijn moeders geld weggesluisd. De rechtbank houdt bij haar strafoplegging onder meer rekening met de ernst van deze koelbloedige moord en de het gegeven dat verdachte het vertrouwen van zijn moeder heeft misbruikt. Daarnaast rekent zij het verdachte aan dat hij geen duidelijk antwoord heeft gegeven op de vraag waarom hij zijn moeder om het leven heeft gebracht. Ten slotte bespreekt de rechtbank de inhoud van de rapportage van het Pieter Baan Centrum. Alles overwegende acht de rechtbank verdachte volledig toerekeningsvatbaar voor de door hem gepleegde feiten en veroordeelt hem tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren. De vordering van de benadeelde partij wijst de rechtbank volledig toe.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01.263596.24

Datum uitspraak: 13 januari 2026.

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1963] ,

thans gedetineerd te: Justitieel Complex Zeist.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 november 2024, 21 januari 2025, 1 mei 2025, 10 juli 2025, 7 oktober 2025, 11 december 2025 en 6 januari 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

1
De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 oktober 2024.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 1 mei 2025 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

ten aanzien van feit 1:

hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te Oss, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in de borst, in elk geval in het bovenlichaam, te steken;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te Oss en/of Veghel, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in de borst, in geval in het bovenlichaam, te steken; welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van een of meer strafbare feiten, te weten

* poging tot (gekwalificeerde) diefstal door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel van (de inhoud van) een kluis van die [slachtoffer] (als bedoeld in art. 310/311 lid 1 aanhef en onder 5 Sr) en/of

* (gekwalificeerde) diefstal door middel van een valse sleutel en/of verduistering van een hoeveelheid geld van die [slachtoffer] , meermalen gepleegd (in totaal € 80.000,-), althans een groot geldbedrag, (als bedoeld in art. 310/311 lid 1 aanhef en onder 5 Sr of art. 321 Sr) en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om dat feit/die feiten voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te Oss, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in de borst, in elk geval het bovenlichaam, te steken.

ten aanzien van feit 2:

hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (de inhoud van) een kluis, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel, hebbende hij verdachte:

zich de toegang tot de woning verschaft middels een sleutel tot welk gebruik hij, verdachte, op dat moment niet gerechtigd was en/of

in die woning gezocht naar de kluis en/of de kluissleutel en/of

die kluis vastgepakt en getracht mee te nemen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 3:

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 augustus 2024 tot en met 11 augustus 2024 te Veghel, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) één of meer geldbedrag(en) (van in totaal € 80.000,-), in elk geval enig geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of de weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel te weten (telkens) door middel van onbevoegde overboekingen middels internetbankieren geldbedragen over te schrijven van de bankrekening met nummer [IBAN] (t.n.v. [slachtoffer] en/of [verdachte] ) naar een bankrekening met het nummer [IBAN] (t.n.v. [verdachte] );

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de pleegperiode van 9 augustus 2024 tot en met 11 augustus 2024 te Veghel, althans in Nederland, opzettelijk, één of meer geldbedrag(en) (van in totaal € 80.000,-), in elk geval enig geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke geldbedrag(en) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gemachtigde van de bankrekening met nummer [IBAN] (t.n.v. [slachtoffer] en/of [verdachte] ), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2
De formele voorvragen

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van feiten 2 en 3.

2.1

Het preliminaire verweer van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting van 11 december 2025 de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de vervolging van de onder 2 en 3 ten laste gelegde strafbare feiten (hierna: “de ten laste gelegde vermogensdelicten”). Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet is voldaan aan het klachtvereiste van artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De klacht van 3 december 2025 van klachtgerechtigde [dochter slachtoffer] is namelijk niet ingediend binnen de daarvoor geldende, absolute termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 66 Sr. Een na het verstrijken van voornoemde termijn kenbaar gemaakte wil tot vervolgen is niet voldoende. De raadsvrouw heeft gelet hierop geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging met betrekking tot de ten laste gelegde vermogensdelicten en heeft hiertoe onder andere verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2242).

2.2

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting erkend dat de wettelijke termijn van drie maanden is overschreden. Dit hoeft echter, aldus de officier van justitie, niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie met betrekking tot de ten laste gelegde vermogensdelicten. Naar huidig recht kan namelijk worden gesteld dat de essentie bij klachtdelicten is dat vast dient te staan dat vervolging van de verdachte de instemming geniet van het slachtoffer, in dit geval van diens enige erfgenaam [dochter slachtoffer] , welke instemming blijkt uit het dossier. De officier van justitie verwijst naar een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 28 oktober 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:11153).

2.3

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwerpt het preliminaire verweer van de verdediging en overweegt hiertoe als volgt. De ten laste gelegde vermogensdelicten ter zake waarvan verdachte wordt vervolgd zijn als misdrijven strafbaar gesteld volgens artikelen 310 Sr, 311 Sr en 321 Sr. Verdachte is de zoon van het overleden slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) en de broer van klachtgerechtigde [dochter slachtoffer] (hierna in dit onderdeel van de uitspraak: ‘klachtgerechtigde’). Op grond van de artikelen 316 tweede lid Sr en 324 Sr heeft de vervolging voor deze feiten jegens een bloed-of aanverwant alleen plaats op een tegen hem gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. De klacht kan, gelet op artikel 66 Sr, worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Die termijn vangt volgens artikel 316 derde lid Sr aan op de dag nadat ook de identiteit van de verdachte aan de klachtgerechtigde bekend werd. Wanneer de klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar wel vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn van drie maanden moeten zijn gebleken. Daarbij geldt dat verdachte geen profijt behoort te hebben van een regeling die strekt ter bescherming van de rechten van slachtoffers.

De rechtbank stelt vast dat de klacht van 3 december 2025 inderdaad buiten de termijn van artikel 66 Sr is ingediend, maar is van oordeel dat binnen die termijn wel is gebleken van een wens van klachtgerechtigde tot vervolging van verdachte voor de ten laste gelegde vermogensdelicten. Op 16 augustus 2024 is klachtgerechtigde te weten gekomen dat het slachtoffer was overleden. Op 17 augustus 2024 is haar broer, verdachte, aangehouden. De ten laste gelegde vermogensdelicten waren op dit punt nog niet voldoende onderzocht om te kunnen spreken van een concrete verdenking. Het onderzoek focuste zich immers, logischerwijs, voornamelijk op het overlijden van het slachtoffer en de verdenking richting verdachte met betrekking tot enig aandeel in dat overlijden.

Op 5 september 2024 heeft verdachte de moord en ook het “wegsluizen” van geld van de bankrekening van het slachtoffer bekend. Alhoewel de rechtbank geen partij is geweest bij de informatieverstrekking aan klachtgerechtigde is het alleszins aannemelijk dat klachtgerechtigde in een relatief korte periode na 5 september 2024 kennis heeft genomen van de algemene procespositie van verdachte en zijn rol als – inmiddels - verdachte. Ook is het aannemelijk dat klachtgerechtigde vanwege het overlijden van het slachtoffer en haar (toekomstige) positie als (mogelijk) enig erfgenaam, in diezelfde periode zicht heeft gekregen op de bankrekeningen van het slachtoffer en de door verdachte weggesluisde geldbedragen.

Op 3 oktober 2024 heeft mr. Sommen zich als slachtofferadvocaat van klachtgerechtigde gesteld. Voorafgaand aan de pro-forma zitting van 29 november 2024 heeft klachtgerechtigde, middels een door haar advocaat ondertekend wensenformulier van 26 november 2024, kenbaar gemaakt schadevergoeding te willen vorderen. De door klachtgerechtigde geuite wens van 26 november 2024 om schadevergoeding te vorderen dient in deze zaak, waar de aandacht van zowel de opsporing als klachtgerechtigde logischerwijs steeds met name heeft gelegen bij de oorzaak van het overlijden van het slachtoffer, naar het oordeel van de rechtbank zo uitgelegd te worden dat klachtgerechtigde vervolging wenste ten aanzien van alle verdenkingen, waaronder van de ten laste gelegde vermogensdelicten. Een deel van de later gevorderde schade, waar toen zeer waarschijnlijk al zicht op bestond, berust ook op schade geleden door de ten laste gelegde vermogensdelicten.

De juistheid van deze uitleg vindt steun in het feit dat klachtgerechtigde, door middel van haar spreekrecht, ter terechtzitting heeft bevestigd dat zij steeds en van meet af aan gewild heeft dat verdachte vervolgd zou worden voor de ten laste gelegde vermogensdelicten. Bovendien heeft zij, nadat de tenlastelegging op 1 mei 2025 is gewijzigd en de ten laste gelegde vermogensdelicten zijn toegevoegd aan de verdenkingen jegens verdachte, niet kenbaar gemaakt dat zij de vervolging niet zou wensen. Zij heeft juist een concreet verzoek tot schadevergoeding ingediend dat ook ziet op door verdachte weggesluisde gelden, hetgeen opnieuw haar reeds van meet af aan bestaande wens tot vervolging ten aanzien daarvan bevestigt. De verweren van de verdediging, de inhoud van de door de verdediging aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad en de daarin aangehaalde wetsgeschiedenis, staan aan deze ruime uitleg niet in de weg.

Nu binnen de wettelijke termijn als bedoeld in artikel 66 Sr is gebleken van een wens tot vervolging kan het bestaan van de klacht worden aangenomen. Hiermee is de officier van justitie ontvankelijk in haar vervolging.

De overige formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en er zijn geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Beslissing

3
De bewijsbeslissing.
3.1

De inleiding.

Op vrijdag 16 augustus 2024 krijgen dochter [dochter slachtoffer] (hierna: dochter) en kleindochter [kleindochter slachtoffer] (hierna: kleindochter) geen contact meer met het slachtoffer (hun moeder en oma). Nadat kleindochter de politie belt omdat het slachtoffer haar deur niet open doet, wordt door de politieagenten in de woning het stoffelijk overschot van het slachtoffer aangetroffen. In de borst van het slachtoffer is een mes te zien. Hierop start de politie een grootschalig opsporingsonderzoek genaamd: “Aurelia”.

Op basis van de resultaten van forensisch onderzoek naar aangetroffen bloedsporen van het slachtoffer en de vermoedelijke dader, wordt verdachte in de ochtend van 17 augustus 2024 aangehouden. Tijdens het verhoor van 5 september 2024 bekent verdachte het slachtoffer met messteken om het leven te hebben gebracht.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft – op basis van de in haar schriftelijk requisitoir beschreven gronden – gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder feit 1 primair ten laste gelegde moord en de onder feiten 2 en 3 ten laste gelegde vermogensdelicten. Ten aanzien van de ten laste gelegde vermogensdelicten kan, aldus de officier van justitie, ook een bewezenverklaring volgen van de in de tenlastelegging beschreven strafverzwarende omstandigheden.

3.3

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de ten laste gelegde moord bepleit dat er contra-indicaties bestaan voor het aannemen van voorbedachte raad. Hiertoe heeft de raadsvrouw – zakelijk weergegeven en onder meer – bepleit dat verdachte steeds uitdrukkelijk heeft ontkend dat het zijn plan was om het slachtoffer te doden. Het plan van verdachte was, aldus de verdediging, slechts gericht op het meenemen van de inhoud van de kluis en het veiligstellen van het geld zodat hier geen (erf)belasting over zou worden geheven. Het meenemen van het mes en het vermommen van het uiterlijk moeten ook in dat licht worden bezien. De raadsvrouw verzoekt om vrijspraak van feit 1 primair.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging geen inhoudelijk verweer gevoerd nu zij de rechtbank heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van feit 3 primair is door de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte het geldbedrag niet heeft weggenomen nu hij gemachtigd was over de rekening te beschikken. Voor zover dit niet gevolgd wordt, heeft verdachte niet het weg te nemen goed onder zijn bereik gebracht door middel van een valse sleutel nu er sprake was van een “en/of” rekening en het weg te nemen goed – nu verdachte tevens tenaamgestelde is van voornoemde rekening - reeds onder zijn bereik was.

3.4

Het oordeel van de rechtbank.

3.4.1.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

3.4.2.

Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.

? Heeft verdachte opzettelijk het slachtoffer om het leven gebracht?

De gedragingen van verdachte, inhoudende het meermaals gericht steken van het 84-jaar oude slachtoffer in de borst met een groot mes, zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan dan dat het opzet van verdachte daarop gericht was. De rechtbank acht “vol” opzet bewezen.

? Moord of doodslag?

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Met andere woorden: is er sprake van moord of van doodslag? De rechtbank oordeelt dat er sprake is van moord en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten aanzien van sommige relevante feiten en omstandigheden steeds wisselend heeft verklaard. Hierom zal de rechtbank het tijdspad voorafgaand aan en ten tijde van de moord reconstrueren aan de hand van de in het dossier vastgestelde objectieve onderzoeksgegevens en verklaringen van getuigen. De hierna weergegeven conclusies van de rechtbank volgen steeds uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

De periode voorafgaand aan de moord.

Op 27 juli 2024 belt verdachte met zijn zus, dochter, die in Spanje woont. Kleindochter is op dat moment bij haar op bezoek. Verdachte vertelt zijn zus dat hij is geschrokken van de mentale toestand van het slachtoffer. Tijdens dit gesprek spreekt verdachte ook over het geld van het slachtoffer en haar kluis. Verdachte vertelt zijn zus dat hij de kluis wil leeghalen en het geld wil wegsluizen zodat de Belastingdienst er niet aan zou kunnen komen. Verdachte heeft het daarbij ook over de gelden op de bankrekeningen van het slachtoffer. Het een en ander moet volgens verdachte op korte termijn plaats gaan vinden.

Op 4 augustus 2024 gaat kleindochter op bezoek bij het slachtoffer. Zij stelt vast dat het – ook mentaal – goed gaat met het slachtoffer. Zij laat vervolgens het slachtoffer tekstberichten lezen die door verdachte aan haar en aan dochter zijn gestuurd, waarin verdachte onder andere schrijft dat het slachtoffer dementerend is. Het slachtoffer is hier boos over en confronteert verdachte hiermee. Het slachtoffer wil even niks met verdachte te maken hebben.

Op 5 augustus 2024 stuurt de vriendin van verdachte hem advertenties door van personenauto’s. Op 6 augustus 2024 heeft verdachte voor het eerst contact met de autodealer waar hij later een auto zou gaan aanschaffen. Op 7 augustus 2024 neemt verdachte door middel van een WhatsApp bericht contact op met het slachtoffer. Hij vraagt haar in dat bericht om € 12.000,-- in plaats van de € 58.000,-- waar hij kennelijk eerder om had gevraagd. Het slachtoffer maakt verdachte vervolgens duidelijk dat zij nog steeds boos en kwaad op hem is, dat ze zich afvraagt hoe verdachte zulke berichten over haar heeft kunnen schrijven, dat zij nog geen excuses heeft gehoord en dat zij hierover (over het geld) nog moet nadenken.

Op 10 augustus 2024 stuurt verdachte een WhatsApp bericht naar zijn vriendin waarin hij zegt dat hij de auto (à € 25.000,--) heeft betaald en € 100.000,-- heeft overgesluist. Uit een analyse van de bankrekeningen is gebleken dat verdachte in de periode van 9 tot en met 11 augustus 2024 in totaal € 80.000,-- toebehorende aan het slachtoffer heeft overgemaakt naar zijn privérekening. Het slachtoffer “reageert toch niet” en is volgens verdachte een “Gek wijf”. Zijn vriendin laat hem weten dat zij zijn gedrag niet goed vindt. Hierop reageert verdachte: “Ja ha is mijn geld”.

De handelingen van verdachte vlak voor en tijdens de moord.

Op 15 augustus 2024 staat verdachte rond 18:00 uur aan de deur kleindochter. Hij vraagt aan kleindochter om die avond met hem mee te gaan naar het slachtoffer omdat er gepraat moet worden. Daarnaast is verdachte – nog steeds – boos op kleindochter omdat zij de tekstberichten van verdachte over het slachtoffer aan het slachtoffer heeft laten lezen. Kleindochter geeft aan niet mee te gaan.

Verdachte gaat die avond in eerste instantie naar bed. Omstreeks middernacht staat hij op en pakt een mes, een pet en handschoenen op verschillende plekken in zijn woning. Hij vertrekt aanvankelijk omstreeks kwart over twaalf ’s nachts met zijn auto naar de woning van het slachtoffer in Oss. Hij zet pas na het rijden van een aantal meters zijn koplampen aan. Halverwege realiseert hij zich dat hij de sleutel van de woning van het slachtoffer vergeten is. Hierop keert hij terug naar zijn woning. Omstreeks kwart voor één ’s nachts komt hij daar aan en is hij te zien op camerabeelden van de hoofdingang van het appartementencomplex. Bij het betreden van de hal houdt hij zijn rechterhand voor zijn gezicht ter hoogte van de camera van het appartementencomplex. Vijf minuten later, ongeveer tien voor één ’s nachts, vertrekt verdachte opnieuw vanuit het appartementencomplex, waarbij hij ditmaal vanuit de achterzijde zonder camera het gebouw verlaat, en rijdt hij alsnog naar de woning van het slachtoffer in Oss.

Eenmaal bij het slachtoffer aangekomen “vermomt” verdachte zich met de pet en een zonnebril die in zijn auto lag en opent hij de voordeur van de woning met de sleutel die het slachtoffer hem had toevertrouwd. Verdachte betreedt de woning van het slachtoffer en loopt meteen door naar de slaapkamer.

Als verdachte in de slaapkamer het slachtoffer aantreft, begint hij meteen met steken. Hij zegt niks. Hij steekt het slachtoffer meermaals. Hierbij verwondt verdachte ook zichzelf. Het slachtoffer overlijdt als gevolg van twee steekletsels in de borst.

Nadat hij het slachtoffer heeft neergestoken gaat verdachte naar de kluis toe. Hij voelt of de kluissleutel in de kluis zit. Dit is niet het geval. Hij voelt nog aan de bovenzijde van de kluis of de sleutel daar ligt, wat niet zo is, en probeert de kluis mee te nemen. Ook dat lukt niet. Verdachte verlaat vervolgens de woning zonder (de inhoud van) de kluis.

Conclusie ten aanzien van feit 1.

Uit het hierboven geschetste tijdspad leidt de rechtbank af dat het niet anders kan dan dat verdachte het vooropgezette plan had het slachtoffer van het leven te beroven. Hij nam het besluit hiertoe, als hij dat niet al eerder had genomen, toen hij opstond rond middernacht in de nacht van 15 op 16 augustus 2024 en op verschillende plekken in zijn woning de ‘attributen’ bij elkaar ging zoeken waarmee hij naar het huis van het slachtoffer ging: het mes, de latex handschoenen en de pet. Ook uit de daaropvolgende handelingen blijkt dat verdachte vervolgens, vóór de daadwerkelijke uitvoering van zijn daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft kunnen geven en heeft gegeven. Dit blijkt naast het verzamelen van de spullen ook uit het weer met de auto naar huis terugkeren voor de huissleutel en daarna opnieuw vertrekken naar het huis van zijn moeder. Bij het halen van de huissleutel verricht verdachte voorts een aantal handelingen waaruit blijkt dat hij er ook op dat moment bewust mee bezig is dat hij niet gezien wil worden (hand voor gezicht bij de camera, zijn appartementencomplex via een andere uitgang verlaten, met gedoofd licht wegrijden, vermomming opdoen voordat hij bij het complex van zijn moeder is). De rechtbank leidt uit al deze handelingen af dat verdachte steeds, vanaf het moment van opstaan tot het moment dat hij bij zijn moeder in de kamer staat en meteen begint met steken, hetzelfde plan in zijn hoofd heeft gehad en naar dat plan heeft gehandeld.

De verklaring van verdachte dat hij, zoals hij zelf zegt, mogelijk vanwege het afbouwen van zijn antidepressivamedicatie, wakker werd in een “waas” en vanuit die “waas” heeft gehandeld, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Het hiervoor uiteengezette tijdspad en de door hem verrichte handelingen maken juist duidelijk dat verdachte planmatig heeft gehandeld en op diverse momenten steeds een nieuw wilsbesluit heeft genomen om door te gaan met zijn plan. Zoals ook de psychiater in het PBC-rapport heeft aangegeven, waarover later meer, verhoudt dit zich niet met het bestaan van een waas als gevolg van het afbouwen van medicatie. Verdachte weet ter terechtzitting ook nog alle stappen en handelingen te reconstrueren.

Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat verdachte slechts voor de inhoud van de kluis naar het slachtoffer ging, een mes meenam om haar zo nodig te bedreigen, en pas in haar woning het besluit heeft genomen om haar om het leven te brengen omdat hij verrast was dat zij wakker was, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte begint, zoals hij zelf telkens heeft verklaard, meteen zodra hij het slachtoffer ziet met het steken. Er is geen woord door hem of zijn moeder gesproken, en dus ook niet gesproken over de kluis. Dit past niet bij het geschetste scenario dat het mes slechts bedoeld was om mee te dreigen. Ook valt niet in te zien waarom verdachte zou denken dat hij voor de uitvoering van dat plan een mes nodig zou hebben. Immers was het slachtoffer een vrouw op leeftijd die gemakkelijk door verdachte overmeesterd had kunnen worden. Tot slot weegt mee dat verdachte tegenover de politie ook nooit heeft verklaard dat het meenemen van het mes slechts gericht zou zijn geweest op het afdreigen van de inhoud van de kluis, en dat deze verklaring ook haaks staat op zijn ándere verklaring dat hij “in een waas” zou hebben gehandeld.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord bewezen.

? Heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan poging tot (gekwalificeerde) diefstal?

Verdachte heeft de huissleutel van het slachtoffer gebruikt om de woning in te komen. Dat betreft naar het oordeel van de rechtbank onbevoegd gebruik van de huissleutel, welk gebruik deze sleutel volgens bestendige jurisprudentie in juridische zin vals maakt.

Zoals hiervoor onder het kopje “de handelingen van verdachte vlak voor en tijdens de moord” uiteen is gezet, heeft verdachte na de moord op zijn moeder gevoeld of de sleutel in de kluis zat, bovenop de kluis naar de sleutel gezocht, en geprobeerd de kluis mee te nemen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich, nadat hij het slachtoffer om het leven heeft gebracht, ook schuldig heeft gemaakt aan een poging tot gekwalificeerde diefstal ten aanzien van de (inhoud van de) kluis, zoals hierna is bewezenverklaard.

? ( (gekwalificeerde) diefstal?

Uit de gang van zaken zoals hiervoor geschetst onder het kopje “de periode voorafgaand aan de moord” blijkt zonder meer dat verdachte onbevoegd gebruik heeft gemaakt van de bankgegevens en de bankrekening van het slachtoffer door geldbedragen over te maken van die rekening naar zijn privérekening. Dat hij zich daarmee geldbedragen die toebehoorden aan het slachtoffer heeft toegeëigend, staat niet ter discussie. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of dit handelen in juridische zin (gekwalificeerde) diefstal oplevert, zoals primair tenlastegelegd, of dat sprake is van verduistering, zoals subsidiair ten laste is gelegd.

Centraal voor de beantwoording van deze vraag is of verdachte het geld op het moment van toe-eigening al onder zich had, of dat hij het geld – al dan niet door het gebruik van een valse sleutel – heeft weggenomen van het slachtoffer.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het geld dat verdachte heeft overgeboekt afkomstig was van een en/of bankrekening met als tenaamgestelden het slachtoffer en verdachte. Verdachte was bevoegd tot internetbankieren met deze bankrekening. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte de geldbedragen niet heeft weggenomen van het slachtoffer, maar al onder zich had op het moment van toe-eigening. Dat betekent dat verdachte geld dat aan het slachtoffer toebehoorde, en dat hij anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toe-geëigend.

Dit betekent dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering ten aanzien van de geldbedragen van in totaal € 80.000,--.

4
De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 16 augustus 2024 te Oss, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst te steken;

ten aanzien van feit 2:

op 16 augustus 2024 te Oss ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (de inhoud van) een kluis, die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel, hebbende hij verdachte:

zich de toegang tot de woning verschaft middels een sleutel tot welk gebruik hij, verdachte, op dat moment niet gerechtigd was en

in die woning gezocht naar de kluis en de kluissleutel en

die kluis heeft vastgepakt en getracht mee te nemen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 3:

op tijdstippen in de periode van 9 augustus 2024 tot en met 11 augustus 2024 te Veghel, althans in Nederland, , opzettelijk, geldbedragen van in totaal € 80.000,-, geheel toebehorende aan [slachtoffer] , en welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gemachtigde van de bankrekening met nummer [IBAN] (t.n.v. [slachtoffer] en/of [verdachte] ), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

5
De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6
De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

7
De oplegging van straf.
7.1

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

7.2

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft opgemerkt dat zij in het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) aanwijzingen ziet dat het stoppen met de medicatie van invloed is geweest op het handelen van verdachte. Ook kan een beginnende vorm van dementie bij verdachte niet worden uitgesloten. De verdediging heeft de rechtbank verzocht hier in strafmatigende zin rekening mee te houden. Daarbij heeft zij verwezen naar hetgeen door vrienden, familie en buurtbewoners is gezegd over gedragsveranderingen die verdachte in de aanloop naar het delict heeft laten zien. Ten slotte heeft verdachte goed gedrag laten zien in de penitentiaire inrichting en heeft de verdediging de rechtbank verzocht rekening te houden met de leeftijd van verdachte (62 jaar) en zijn blanco strafblad.

Gelet op het voorgaande heeft de verdediging de rechtbank verzocht aan verdachte geen hogere straf op te leggen dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

7.3

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord. Hij heeft zijn eigen moeder in de nacht van 15 op 16 augustus 2024 in haar eigen woning koelbloedig om het leven gebracht door haar meermalen gericht met een groot mes in haar borst te steken.

In de aanloop naar deze moord is hij planmatig te werk gegaan. Hij heeft thuis een vermomming en een mes gepakt, handschoenen aangetrokken en is met zijn auto vertrokken naar zijn moeders woning. Halverwege besefte hij dat hij de sleutel van zijn moeders woning was vergeten en is hij teruggekeerd naar zijn woning. Vervolgens is hij opnieuw vertrokken om de moord uit te voeren. Al deze momenten had verdachte kunnen en moeten benutten om een andere keuze te maken. Verdachte heeft keer op keer de mogelijkheid gehad om af te zien van zijn plan en heeft er willens en wetens voor gekozen om deze moord te plegen. De koelbloedigheid van de moord blijkt ook uit het feit dat hij vlak na de moord ook nog geld heeft proberen te stelen uit de kluis van het slachtoffer.

Moord is het meest ernstige delict dat ons Wetboek van Strafrecht kent. De rechtsorde is door de verdachte gepleegde feiten ernstig geschokt. De dood van het slachtoffer, de manier waarop zij is gedood en achtergelaten moet veel beroering, afschuw en gevoelens van angst en onveiligheid in de plaatselijke gemeenschap hebben veroorzaakt. Dergelijke delicten dienen zwaar bestraft te worden.

Daarnaast heeft verdachte, voorafgaand aan de moord, € 80.000,-- verduisterd uit het bezit van zijn moeder. Hij was de enige die naast zijn moeder toegang had tot de bankrekening waar dit geld op stond, zoals hij ook de enige was aan wie zijn moeder haar huissleutel had toevertrouwd. Hij heeft zowel bij de moord en de daaropvolgende poging tot diefstal, als bij de verduistering misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn moeder in hem had.

Uit de communicatie die verdachte in de periode voorafgaand aan en na de moord met zijn vriendin heeft gevoerd, blijkt dat verdachte meende dat hij recht had op al die gelden. Hij heeft zich laatdunkend over zijn moeder uitgelaten en hij heeft zijn gedrag over het “oversluizen van het geld” – ook na weerwoord van zijn vriendin – goedgepraat. Na de bewuste nacht heeft verdachte zijn verhaal op essentiële onderdelen meermaals gewijzigd. Alhoewel uit het handelen van de verdachte duidelijk blijkt dat hij uit was op geld van het slachtoffer, is het voor de rechtbank niet duidelijk geworden of de moord ook (zuiver) om deze reden is gepleegd. Het is ook voorstelbaar dat verdachte de moord heeft gepleegd omdat hij wist dat zijn moeder erachter zou komen dat hij gelden van haar had weggesluisd. Wellicht was er een andere reden, die alleen verdachte kent. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij de nabestaanden geen antwoord heeft gegeven op de vraag waarom hij heeft gedaan wat hij heeft gedaan. Deze houding heeft het leed bij zijn familie des te meer vergroot, wat ook naar voren is gekomen uit de aangrijpende slachtofferverklaringen.

Uit het handelen van verdachte blijkt een ultiem gebrek aan respect voor het leven van het slachtoffer. De gruwelijkheid van zijn gedragingen jegens haar en al haar dierbaren laat zich moeilijk vangen in woorden. De nabestaanden van het slachtoffer is enorm en onherstelbaar verdriet aangedaan. Zij zullen hun moeder, grootmoeder en overgrootmoeder voor de rest van hun leven moeten missen en moeten leven met het feit dat het hun broer en (oud)oom is geweest die haar dood op zijn geweten heeft.

De persoon van verdachte

Verdachte is uitvoerig onderzocht door het PBC. Om tot een zorgvuldig en volledig onderzoek te komen hebben de deskundigen besloten hem langer dan de gebruikelijke zes weken opgenomen te houden in het PBC. Nadien is nog aanvullend neurologisch onderzoek gedaan. Er is door de deskundigen geen stoornis bij verdachte vastgesteld, noch tijdens het onderzoek, noch ten tijde van het ten laste gelegde. In reactie op de verklaring van verdachte dat hij vanwege het stoppen met zijn antidepressiva in “een waas” zou hebben gehandeld, hebben de deskundigen aangegeven dat gedragsontremming een gevolg kan zijn van het plots staken van een antidepressivum, maar dat dat niet past bij de voorbereidingshandelingen en diverse overwegingsmomenten die vooraf zijn gegaan aan wat verdachte heeft gedaan. Voor wat betreft de vraag of sprake kan zijn van beginnende dementie, hebben de deskundigen aangegeven dat er geen beperkingen zijn in betrokkenes functioneren en nauwelijks geheugenproblemen zijn geobserveerd, terwijl daarvoor ook in het neurologisch onderzoek onvoldoende aanwijzingen worden gezien.

De rechtbank neemt deze conclusies over en stelt derhalve vast dat er geen aanleiding bestaat om het gebeurde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen, anders dan de verdediging lijkt te hebben bedoeld te bepleiten. Dat verdachte zich in de periode voorafgaand aan de moord volgens zijn omgeving anders gedroeg dan normaal, vormt zonder een verklaring waar die gedragsverandering vandaan komt naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door de verdediging bepleit, geen strafmatigende omstandigheid.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 21 oktober 2024 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.

Het uitgangspunt.

De rechtbank zoekt bij haar beslissing over de hoogte van de straf doorgaans aansluiting bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en jurisprudentie. Ten aanzien van moord zijn er geen landelijke oriëntatiepunten. Daarom kijkt de rechtbank naar straffen die rechters in soortgelijke zaken hebben opgelegd. Uit recente jurisprudentie, onder meer van deze rechtbank, volgt dat voor een enkelvoudige moord een gevangenisstraf tussen de 18 en 22 jaren in beginsel passend en geboden is. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord en (poging tot) gekwalificeerde diefstal.

De straf.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van zeer lange duur op zijn plaats. Gelet op het koelbloedige karakter van de moord, de voorafgaande verduistering en de poging tot diefstal met gebruikmaking van een valse sleutel vlak na de moord, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren opleggen.

De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

8
De beslissing met betrekking tot het beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 950,-- aan verdachte. De rechtbank komt tot dit oordeel nu dit voorwerp, anders dan door de officier van justitie is gesteld, niet vatbaar is voor verbeurdverklaring. Voorts verzet het belang van strafvordering zich niet tegen de teruggave van dit geldbedrag.

9
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [dochter slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vervolging voor de ten laste gelegde vermogensdelicten. Gelet daarop heeft de verdediging de vordering niet inhoudelijk betwist.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2024 tot de dag der algehele voldoening. Uit proceseconomisch oogpunt wordt de rente toegewezen vanaf genoemde datum.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2024 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

10
De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f, 45, 57, 289, 310, 311, 321 van het Wetboek van Strafrecht

11
DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

moord

Ten aanzien van feit 2:

poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel

Ten aanzien van feit 3:

verduistering, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [dochter slachtoffer] .

De rechtbank:

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [dochter slachtoffer] , tot een bedrag van 107.502,16 euro bestaande uit 90.002,16 euro aan materiële schade en 17.500,-- aan immateriële schade;

- vermeerdert de vergoeding van materiële en immateriële schade met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter slachtoffer] , van een bedrag van 107.502,16 euro;

- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit 90.002,16 euro materiële schade en 17.500,-- immateriële schade;

- vermeerdert de vergoeding van materiële en immateriële schade met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat verdachte van haar schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover zij heeft voldaan aan een van de haar opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.C. Palmboom, voorzitter,

mr. S.J.H. van de Kant en mr. G.F.A.M. de Graauw, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,

en is uitgesproken op 13 januari 2026.