Rechtbank Oost-Brabant, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOBR:2026:1838

Op 6 March 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 01/993376/21, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:1838. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
01/993376/21
Datum uitspraak:
6 March 2026
Datum publicatie:
20 March 2026

Indicatie

Vordering 552f Sv. Vordering 552f Sv toegewezen omdat sprake is van overtreding van artikel 225 Sr door gebruik van een vals document. Zending 3-MMC wordt in de Air Way Bill opzettelijk

omschreven als “Frangrances”. Verzoek om compensatie afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

parketnummer : 01.993376-21

raadkamernummer : 25-024823

datum uitspraak : 06 maart 2026

Beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek van de officier van justitie op grond van artikel 552f Wetboek van Strafvordering.

Deze beschikking betreft een ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de

officier van justitie van 19 december 2022 als bedoeld in artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) strekkende tot onttrekking aan het verkeer van een partij goederen met de omschrijving “344 kg bruto Fragrances” die op 15 september 2021 in beslag is genomen onder:

[betrokkene] .,

gevestigd op het adres [adres 1] ,

woonplaats kiezende op het kantoor van [naam 1] ,

[adres 2] ,

hierna te noemen: beslagene.

Inleiding

De inbeslagneming van bovenstaande partij goederen heeft plaatsgevonden op grond van artikel 94 Sv, ten behoeve van de waarheidsvinding. Uit onderzoek door het Douane Laboratorium bleek dat deze partij goederen de stof 3-MMC bevatte.

Op 17 maart 2023 heeft de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant de vordering tot onttrekking aan het verkeer van bovenstaande partij goederen toegewezen. Op 24 juni 2025 heeft de Hoge Raad deze beslissing vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Oost-Brabant.

Op 6 februari 2026 hebben officieren van justitie een nadere vordering onttrekking aan het verkeer ingediend.

Behandeling van de vordering

De vordering is op 20 februari 2026 in openbare raadkamer behandeld. Namens beslagene is de bestuurder van [betrokkene] ., de heer [verdachte] , in raadkamer verschenen. Tevens is de raadsman van beslagene, [naam 1] , in raadkamer verschenen. De rechtbank heeft kennisgenomen van hetgeen door de aanwezigen naar voren is gebracht.

Vordering

De vordering strekt tot onttrekking aan het verkeer van een partij goederen met de omschrijving “344 kilogram bruto Fragrances” (IBN-code [nummer 1] , UVN: [nummer 2] ).

Door de officier van justitie is aangevoerd met betrekking tot het inbeslaggenomene dat

hoewel de stof 3 MMC ten tijde van het strafrechtelijke beslag op zichzelf nog niet strafbaar was, er wel sprake is geweest van een of meer strafbare feiten. Volgens het Openbaar Ministerie is sprake geweest van overtreding van:

artikel 10:5 (toenmalig), lid 1, onder a, van de Algemene Douanewet (onjuiste aangifte);

artikel 10:5, lid 1, onder b, sub 1, van de Algemene Douanewet (verstrekken van onjuiste/onvolledige informatie/gegevens);

artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr);

artikel 18 van de Warenwet.

Standpunt van beslagene

De raadsman is primair van mening dat de vordering tot onttrekking aan het verkeer afgewezen dient te worden. Nu sprake is van een vordering tot een afzonderlijke rechterlijke beschikking moet voldaan zijn aan één van de eisen van artikel 36c of 36d Sr. Dit betekent dat het voorwerp in verband moet staan tot een begaan strafbaar feit. De raadsman meent dat geen sprake is van strafbare feiten.

De raadsman heeft de rechtbank een voorwaardelijk verzoek gedaan. Indien de rechtbank het standpunt van het Openbaar Ministerie - dat sprake is van schadelijkheid/bijzondere gevaren voor de gezondheid – volgt, dan verzoekt de raadsman om [getuige-deskundige] op te roepen als getuige-deskundige. Dit ter onderbouwing van zijn standpunt dat onvoldoende (klinisch) onderzoek is verricht om te kunnen concluderen dat er sprake is van een schadelijke/gevaarlijke stof.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om, indien de partij goederen wordt onttrokken aan het verkeer, een geldelijke tegemoetkoming toe te kennen om te voorkomen dat klaagster onevenredig zou worden getroffen door de onttrekking. De raadsman heeft verzocht om aan beslagene een bedrag van € 598.638,08 (verkoopwaarde) plus wettelijke rente ter compensatie toe te kennen. Meer subsidiair pleit de raadsman voor het toekennen van een vergoeding ter hoogte van de inkoopwaarde van de partij goederen.

Overwegingen

Beoordeling

Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat medio 2021 de douane heeft geconstateerd dat meerdere zendingen met goederen voor [betrokkene] . binnen het grondgebied van Nederland werden gebracht. Vijf zendingen bevatten met betrekking tot de inhoud een chemische benaming en één zending bevatte de goederenomschrijving “344 kilogram bruto Fragrances”. Onderzoek door het Douane Laboratorium wees uit dat deze zending 3-methylmethcathinon (3-MMC, een designerdrug) betrof. Op 15 september 2021 is strafrechtelijk beslag gelegd op deze zending.

Het Openbaar Ministerie heeft beslagene een voorstel tot sepot met afstand van de inbeslaggenomen zending gedaan. [betrokkene] . heeft dit voorstel niet geaccepteerd. Op 4 oktober 2022 heeft de rechtbank het verzoek van beslagene de strafzaak met bovenstaand parketnummer te beëindigen toegewezen. Dit betekent dat [betrokkene] . niet wordt vervolgd in deze zaak en dat de vordering in de onderhavige zaak behandeld kan worden.

De rechtbank stelt voorop dat de rechter die bij afzonderlijke beschikking als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4°, Sr de onttrekking aan het verkeer beveelt, zal moeten vaststellen dat het inbeslaggenomen voorwerp in een in artikel 36c of 36d Sr beschreven verband staat tot een begaan strafbaar feit. Voor de vaststelling dat een strafbaar feit is begaan, volstaat niet het redelijke vermoeden dat zo’n feit is begaan.

Uit artikel 36c, aanhef en onder 2°, Sr volgt dat vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn alle voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat 3-MMC sinds 28 oktober 2021, dus na het aantreffen van de partij goederen door de douane, op lijst II van de Opiumwet is opgenomen en op 16 april 2024 op lijst I van de Opiumwet is geplaatst. Dit betekent dat 3-MMC medio 2021 nog niet op lijst I of II van de Opiumwet was opgenomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gesproken kan worden van overtreding van de Opiumwet.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat wel gesproken kan worden van overtreding van artikel 225, eerste lid, Sr en dat de inbeslaggenomen 3-MMC hiermee in verband staat. De zending 3-MMC wordt anders dan bij de andere zendingen in de [naam 2] omschreven als “Fragrances” en niet als 3-MMC (bij de andere zendingen staat de op die lading toepasselijke chemische aanduiding). Door deze opzettelijke onjuiste omschrijving wordt de [naam 2] een vals document dat is gebruikt bij de invoer van de inbeslaggenomen partij 3-MMC. Immers, de rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat bij degene die de omschrijving “Fragrances” op de [naam 2] heeft aangebracht, het opzet bestond om de vaten 3-MMC onder een valse omschrijving in te voeren om de ware aard van de stof te verhullen en dat diegene daarmee een strafbaar feit heeft gepleegd. Ten tijde van de invoer van de inbeslaggenomen partij 3-MMC (medio 2021) was algemeen bekend dat de Nederlandse regering het voornemen had 3-MMC als verboden stof op een van de lijsten van de Opiumwet te plaatsen. Voor een ter zake deskundige partij die de vaten 3-MMC heeft verzonden zal dit voornemen zeker bekend zijn geweest en de term “Fragrances” is met opzet gebruikt om de partij 3-MMC langs de douane te krijgen. Er is derhalve een strafbaar feit begaan en dat strafbare feit is begaan met betrekking tot het inbeslaggenomene.

Gelet op het voorgaande en op het feit dat inmiddels 3-MMC mede vanwege gezondheidsrisico’s bij ongecontroleerd gebruik is geplaatst op lijst I van de Opiumwet, is de rechtbank van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van de onderhavige partij in strijd is met het algemeen belang. De rechter zal de vordering toewijzen.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen en daarmee de omstandigheid dat de rechtbank zich niet heeft uitgelaten met betrekking tot overtreding van de Warenwet, zal de rechtbank het voorwaardelijk verzoek van de verdediging afwijzen.

Ingevolge artikel 36b, tweede lid, en artikel 33c, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan aan degene aan wie de inbeslaggenomen voorwerpen toebehoren door de rechter een vergoeding ter compensatie worden toegekend om te voorkomen dat diegene onevenredig wordt getroffen door onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen. Het al dan niet toekennen van een geldelijke tegemoetkoming moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In dit geval is, naar het oordeel van de rechtbank, het nadeel voor [betrokkene] niet zozeer ontstaan door onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen partij 3-MMC, maar door de wijze waarop de stof, namelijk onder een valse naam op de [naam 2] , Nederland is binnengekomen. Daarnaast is ter zitting niet aangevoerd, noch gebleken dat beslagene heeft betaald voor de niet aan haar geleverde partij. Gelet hierop en op de aard van het inbeslaggenomen goed, zal de rechtbank geen compensatie toekennen.

De rechtbank:

- wijst het voorwaardelijk verzoek van de verdediging [getuige-deskundige] op te roepen als

getuige-deskundige af;

- wijst de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer van

voornoemde 344 kilogram bruto Fragrances (IBN-code [nummer 1] , UVN: [nummer 2]

), toe;

- wijst het verzoek van de verdediging om een vergoeding ter compensatie af.

Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. M.J.C. van der Vegte en E.L. Traag, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W. van Welzen, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 06 maart 2026.