De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 september 2025 te Schijndel, gemeente Meierijstad, althans in Nederland,
opzettelijk
brand heeft gesticht, door (met een aansteker) open vuur in aanraking te brengen met een gordijn en/of goederen in de woning (gelegen aan de [adres] ) en/of open vuur met een (ont)brandbare (vloei)stof in aanraking te brengen in de woning (gelegen aan de [adres] ),
tengevolge waarvan de woning aan de [adres] geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen in voornoemde woning (te weten de inboedel) en/of voor (een of meer goederen in) de aangrenzende en/of naastgelegen woning(en) te duchten was en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer aanwezige perso(o)n(en) in de aangrenzende en/of naastgelegen woning(en), te duchten was;
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat opzettelijke brandstichting kan worden bewezenverklaard. Ook kan worden bewezenverklaard dat van die brand gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten was.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd voor wat betreft de opzettelijke brandstichting waarvan gevaar voor goederen was te duchten. Met betrekking tot het te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit omdat het dossier daarvoor onvoldoende bewijsmiddelen bevat.
De bewijsmiddelen.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in dit vonnis. Na de uitwerking en opgave van de bewijsmiddelen zal de rechtbank nog enkele overwegingen wijden aan het bewijs.
1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb op 20 september 2025 brand gesticht in mijn woning aan de [adres] in Schijndel door met een aansteker mijn gordijnen in brand te steken. Ik deed dit omdat ik zelfmoord wilde plegen.
2) Een proces-verbaal van aangifte van 22 september 2025, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 1] , p. 77-78, voor zover inhoudende:
De woning aan de [adres] is volledig uitgebrand en op dit moment niet meer bewoonbaar. De appartementen recht boven [adres] , links naast [adres] en links schuin-boven [adres] hebben allen rook en roetschade opgelopen door de brand.
3) Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 21 september 2025, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] , p. 73-74, voor zover inhoudende:
Hij rende door het vuur naar binnen en trok de gordijnen dicht in het vuur. De man kneep in een doorzichtige fles en spoot vloeistof op het vuur waardoor de vlammen nog hoger werden.
4) Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 21 september 2025, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] , p. 75-76, voor zover inhoudende:
Ik zag dat de bewoner van die hoekwoning naar binnen ging door de vlammen. Ik zag dat de bewoner terugkwam en meer spiritus over de vlammen spoot.
Ik denk dat dit spiritus of een andere brandbare vloeistof was omdat het uit een fles werd geknepen en in een straal eruit spoot. Toen het op de brand kwam zag ik het direct ontvlammen.
5) Een proces-verbaal van bevindingen van 22 september 2025, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , p. 52-53, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Wij zagen dat er roet- rook- en overige brandschade door de hele woning aanwezig was.
Er staat een uitgebrand bankstel in de woonkamer. Ook is te zien dat aan de bovenzijde van de deur een voorwerp zit wat op een gordijnrails heeft geleken.
Het opzettelijk brandstichten.
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij suïcidale gedachten had en met een aansteker de gordijnen van zijn woning in brand had gestoken. Verdachte kon zich niet meer herinneren wat er daarna is gebeurd en weet dus niet of hij een (ont)brandbare vloeistof met het vuur in aanraking heeft gebracht. Door twee getuigen is waargenomen dat verdachte een vloeistof op het vuur spoot waardoor de vlammen hoger reikten.
Op grond van de verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen kan de opzettelijke brandstichting, door het gordijn in brand te steken met een aansteker én door het vuur in contact te brengen met een (ont)brandbare vloeistof, wettig en overtuigend worden bewezen.
Het gemeen gevaar voor goederen.
De inboedel van verdachte in de woning is door de brand verloren gegaan. Ook is er roet-, rook- en brandschade in de woning en aan de naast en bovengelegen appartementen. Dat door de brandstichting gemeen gevaar te duchten was voor voormelde goederen is door de verdediging ook niet betwist. De rechtbank acht het gemeen gevaar voor goederen dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Het levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen.
De rechtbank kan op basis van het dossier het ten laste gelegde ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen” niet vaststellen. Het dossier bevat bijvoorbeeld onvoldoende onderbouwde informatie over de grootte van de brand of de kans dat de brand oversloeg naar andere appartementen en hoe snel dat dan zou gaan. Ook bevat het dossier geen informatie over bijvoorbeeld de gevolgen van de aanwezige brandvertragende stoffering en meubelen in het appartementencomplex.
Voor dit onderdeel van de tenlastelegging biedt het dossier dan ook onvoldoende aanknopingspunten. Gelet hierop spreekt de rechtbank verdachte partieel vrij van het ‘te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen’.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
op 20 september 2025 te Schijndel, gemeente Meierijstad,
opzettelijk
brand heeft gesticht, door met een aansteker open vuur in aanraking te brengen met een gordijn in de woning gelegen aan de [adres] en open vuur met een (ont)brandbare vloeistof in aanraking te brengen,
ten gevolge waarvan de voornoemde woning is verbrand,
terwijl daarvan
gemeen gevaar voor goederen in voornoemde woning (te weten de inboedel) en voor (goederen in) de aangrenzende woningen te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Voor het voorwaardelijke deel van de straf geldt een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht, ambulante behandeling zolang de reclassering dat nodig acht en begeleid wonen indien de reclassering dat nodig acht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht om een lagere gevangenisstraf op te leggen; van 8 maanden onvoorwaardelijk. Voor wat betreft een voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel daaraan gekoppelde voorwaarden heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft brand gesticht in zijn woning in een wooncomplex van [slachtoffer] . Dat is een ernstig feit. Verdachte heeft hiermee immers niet alleen schade veroorzaakt aan goederen van zichzelf en van [slachtoffer] , maar ook een potentieel gevaarlijke en bedreigende situatie gecreëerd voor andere (kwetsbare) personen en medewerkers van [slachtoffer] in het wooncomplexen voor de betrokken hulpdiensten. Brandstichting veroorzaakt bovendien sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft bovendien grote materiële schade veroorzaakt.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat verdachte het strafbare feit heeft gepleegd in een poging zichzelf van het leven te beroven en het feit gepleegd lijkt te zijn vanuit wanhoop en ontreddering. Verdachte heeft er bovendien vrijwel direct na de brandstichting (en ook ter terechtzitting) blijk van gegeven dat hij de ernst van het door hem gepleegde feit en de gevolgen voor anderen inziet en hij heeft oprecht berouw getoond. Verdachte heeft het door hem gepleegde strafbare feit direct toegegeven en ook verder zijn volledige medewerking aan het onderzoek verleend.
Uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door M. Heuten, GZ-psycholoog en R.J.A. van Helvoirt, GZ-psycholoog, van 20 januari 2026 blijkt dat het door hem gepleegde strafbare feit in verminderde mate aan hem kan worden toegerekend. Dit rapport houdt kort weergegeven in:
Betrokkene is een 48-jarige, sociaal-emotioneel zeer geremde man met een gemiddelde intelligentie, bij wie sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met schizoïde trekken, een ernstige stoornis in alcoholgebruik en een lichte stoornis in cannabisgebruik (DSM-5-TR29).
Ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was sprake van de beschreven stoornissen.
De eventuele psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening beïnvloedde gedragskeuzes en gedragingen van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde.
Betrokkene is een bekennende verdachte, echter weet hij niet waarom hij tot het ten laste gelegde is gekomen. Hierdoor kan de onderzoeker slechts een hypothetische doorwerking beschrijven. Met name de functiestoornissen betreffende zijn alcoholverslaving, tekortschietende copingvaardigheden, emotieregulatieproblemen en interpersoonlijke beperkingen zijn relevant en vermoedelijk van invloed geweest op het ten laste gelegde. Op basis van de hypothetische doorwerking is aannemelijk dat de beschreven functiestoornissen hebben geleid tot een verstoring van het inschattings- en sturingsvermogen van betrokkene en zodoende hebben doorgewerkt in het ten laste gelegde. De onderzoeker adviseert om hem het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.
Het risico op geweldsrecidive wordt als laag ingeschat, bij diverse beschermende factoren.
Gezien het laag ingeschatte recidiverisico, is een behandeling binnen de forensische zorg niet geïndiceerd en adviseert de onderzoeker geen juridisch kader.
Gelet op hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd stelt de rechtbank vast dat er bij verdachte sprake is van een stoornis die ook bestond ten tijde van het delict. De rechtbank neemt het advies van de deskundigen over en zal het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toerekenen.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 10 februari 2026. Uit dit rapport volgt dat verdachte al langere tijd begeleiding krijgt voor psychische klachten en dat hij gemotiveerd was (en is) om verslavingsbehandeling te volgen. De reclassering schat het recidiverisico in op gemiddeld. De reclassering acht het noodzakelijk dat verdachte hulp krijgt bij zijn verslavingsproblematiek en de huidige ondersteuning bij zijn psychische klachten blijft continueren. De reclassering adviseert negatief over het opleggen van bijzondere voorwaarden. Ook interventies of toezicht binnen een forensisch kader zijn volgens de reclassering niet nodig. Verdachte moet de reeds ingezette hulpverlening vanuit het FACT van [slachtoffer] voortzetten en daarnaast verslavingsbehandeling volgen. Hij is bereid dit in een vrijwillig kader te doen.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de na te melden duur. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank zal, gelet op de Pro-Justitia rapportage en het reclasseringsrapport, aan het voorwaardelijke strafdeel geen bijzondere voorwaarden koppelen. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om bijzondere voorwaarden op te leggen, gelet op de adviezen van de deskundigen. De reeds ingezette hulpverlening vanuit het FACT van [slachtoffer] wordt voortgezet en daarnaast zal verdachte verslavingsbehandeling volgen, zoals hij ook al wilde voordat hij het feit pleegde. De rechtbank acht dit vrijwillige kader passend.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen. De rechtbank is verder van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Een kortere gevangenisstraf zou geen recht doen aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. De tijd die door verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht, komt hierop in mindering.
Gelet op de straf die aan verdachte zal worden opgelegd zal de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen, met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.
DE UITSPRAAK
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
Een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
De rechtbank heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde vrijheidsstraf.
Beslissing op de vordering van [benadeelde]
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.V. Vullings, voorzitter,
mr. C.A. Mandemakers en mr. C.W.H. Houg, leden,
in tegenwoordigheid van R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 25 maart 2026.