De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 december 2025.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 20 juni 2024, te Esch, gemeente Boxtel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Hal, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- te rijden met een snelheid van ongeveer 108 km per uur, althans met een hogere snelheid dan de toen aldaar toegestane snelheid van 60 km per uur, althans met een aanmerkelijke snelheid, althans met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was,
- waardoor hij, verdachte, niet in staat was om de weg te overzien en/of tijdig te reageren op het wegverkeer en/of
- (vervolgens) tegen een op die weg rijdende bromfietser te botsen/rijden,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
hij, op of omstreeks 20 juni 2024, te Esch, gemeente Boxtel,
als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Hal,
- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 108 km per uur, althans met een hogere snelheid dan de toen aldaar toegestane snelheid van 60 km per uur, althans met een aanmerkelijke snelheid, althans met een snelheid die hoger lag dan voor een veilig verkeer ter plaatse noodzakelijk was,
- waardoor hij, verdachte, niet de weg heeft kunnen overzien en/of tijdig heeft gereageerd op het overige wegverkeer en/of
- (vervolgens) tegen een op die weg rijdende bromfietser (genaamd [slachtoffer] ) is gebotst/gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen geacht. In het bijzonder heeft de officier van justitie daartoe aangevoerd dat sprake was van verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag, gelet op het feit dat de verdachte de voorgeschreven snelheid fors heeft overschreden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak gevorderd van wat aan de verdachte onder primair en subsidiair is ten laste gelegd. In het bijzonder heeft de raadsman aangevoerd dat het causale verband tussen de snelheid die de verdachte heeft gereden en het ongeval niet is komen vast te staan. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het enkele te hard rijden, gelet op het rijgedrag van het slachtoffer (het op enig moment voorafgaand aan de aanrijding op de verkeerde weghelft rijden), onder de gegeven omstandigheden onvoldoende is om tot verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid (het primair ten laste gelegde feit) en het veroorzaken van gevaar (het subsidiair ten laste gelegde feit) te komen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsmiddelen.
In bijlage 1 heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, die de voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten.
Het beoordelingskader.
Vooreerst merkt de rechtbank op dat niet de vraag aan de rechtbank voorligt of de verdachte opzet heeft gehad op het veroorzaken van de ten laste gelegde aanrijding. Dat is ook niet het [strafrechtelijk] verwijt dat hem wordt gemaakt. De vraag die de rechtbank in deze zaak moet beantwoorden is of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat door zijn schuld een ander dodelijk letsel werd toegebracht zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
Op grond van vaste jurisprudentie gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 om het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld dient te worden of de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekort is geschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Daarbij is van belang dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat strafrechtelijk sprake is van schuld in voornoemde zin. De omstandigheden van het specifieke geval worden hierbij meegenomen.
Feitelijke gang van zaken.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende gang van zaken vast.
De verdachte heeft de avond van 20 juni 2024 in een personenauto, Ford Focus met kenteken [kenteken] , gereden over de weg, de Hal in Esch, gemeente Boxtel.
Op dezelfde weg reed toen ook het latere slachtoffer op een bromfiets. Zij kwam uit tegengestelde richting. De Hal in Esch betreft een parallelweg aan de A2, op welke weg automobilisten en (brom)fietsen de weg delen, de weg onderbroken wordt door meerdere verkeersdrempels en wegversmallingen en waar uitritten van aangrenzende woningen en bedrijven op uitkomen. De maximumsnelheid bedraagt 60 km/u.
De verdachte heeft vlak voor de plek van het ongeval veel te hard gereden. Door de politie is op verschillende manieren gemeten welke snelheid dit zal zijn geweest. De rechtbank gaat er op grond van die bevindingen vanuit dat de verdachte vlak voorafgaand aan de botsing een snelheid van 108 km/u heeft gereden. De raadsman van verdachte heeft de meetresultaten inzake de gereden snelheid niet betwist.
De auto waarin de verdachte reed en de bromfiets van het slachtoffer zijn frontaal op elkaar gebotst. Het slachtoffer is overleden aan de verwondingen die zij ten gevolgde van het ongeval heeft opgelopen.
Beoordeling rijgedrag verdachte.
De rechtbank stelt voorop dat het besturen van een auto een voortdurende verplichting tot voorzichtigheid en oplettendheid van de bestuurder vereist en het gebod om te anticiperen op wat er kan komen of wat er – ook onverwachts – kan gebeuren. In de verkeerssituatie tijdens het ongeval gold daarnaast dat de verkeersdeelnemers er rekening mee moesten houden dat de weg een smalle weg is waarop drempels zijn geplaatst en wegversmallingen zijn gemaakt. Er zijn ter plaatse weinig uitwijkmogelijkheden. Toen het ongeval plaatsvond, schemerde het. De verdachte heeft naar eigen zeggen het slachtoffer op de Hal in Esch op haar bromfiets zien rijden in tegengestelde richting. Op dat moment was zij nog een behoorlijk stuk van hem verwijderd en reed zij nog – vanuit haar bezien – op de rechter rijhelft. De verdachte heeft zijn rijgedrag toen niet aangepast, bijvoorbeeld door het gas al los te laten; dit was onder de voormelde omstandigheden wel geboden. Zeker omdat de verdachte een substantieel zwaarder voertuig bestuurde dan de bromfiets die met de snelheid waarmee die reed een stuk minder wendbaar was en werd, en omdat verdachte toen aanzienlijk harder reed dan de toegestane maximumsnelheid.
De verdachte heeft met een snelheid van 108 km/u over de smalle weg gereden. Hij heeft pas geremd toen de bromfiets met het slachtoffer dichtbij zijn auto was. Door met deze hoge snelheid te rijden heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s genomen. Hij heeft zichzelf in de positie gebracht dat hij de verkeersfout van het slachtoffer niet meer kon opvangen, ontwijken of de gevolgen daarvan beperken. Hij was ten gevolge van deze hoge snelheid niet meer bij machte een uitwijkmanoeuvre te maken richting de berm, terwijl dat de meest logische uitwijkmogelijkheid is op wegen zoals de Hal. Ook kon hij de auto niet meer op tijd tot stilstand brengen. Door het met een dermate hoge snelheid te rijden op voornoemde weg met het slachtoffer al geruime tijd in zicht, en het blijven rijden met die snelheid zonder voorafgaand te anticiperen op de omgeving of een tegenligger, heeft de verdachte het risico gecreëerd dat zijn auto - op het moment dat hij gedwongen werd tot handelen – goeddeels onbestuurbaar werd waardoor het dodelijke ongeval niet (meer) kon worden voorkomen. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat de auto van verdachte ruimschoots voor het botspunt tot stilstand zou zijn gekomen als verdachte zich aan de maximumsnelheid had gehouden.
De conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verkeersongeval redelijkerwijs als gevolg van het handelen van verdachte aan hem kan worden toegerekend. De rechtbank verwerpt derhalve de verweren van de verdediging. Wat betreft de mate van schuld oordeelt de rechtbank dat het rijgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest. De rechtbank komt niet tot de mate van schuld van “zeer onvoorzichtig” omdat de rechtbank rekening houdt met de omstandigheid dat het slachtoffer met haar brommer op de verkeerde weghelft reed.
Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen, is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” zal worden weergegeven.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
op 20 juni 2024, te Esch, gemeente Boxtel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Hal, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig,
- te rijden met een snelheid van ongeveer 108 km per uur, een hogere snelheid dan de toen aldaar toegestane snelheid van 60 km per uur,
- waardoor hij, verdachte, niet in staat was om tijdig te reageren op het wegverkeer en
- vervolgens tegen een op die weg rijdende bromfietser te botsen/rijden,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.
Oplegging van straf en bijkomende straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting mondeling de oplegging gevorderd van een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis en een rijontzegging van 365 dagen waarvan 186 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht (bijlage 2). Deze vordering bevat een kennelijke schijffout wat betreft het voorwaardelijk deel van de gevorderde rijontzegging.
Het standpunt van de verdediging.
Namens de verdachte is geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf en de bijkomende straf die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij een bestuurster van een bromfiets dusdanig ernstig gewond is geraakt, dat zij later in het ziekenhuis is overleden.
De verdachte heeft op een weg waar de maximaal toegestane snelheid 60 km/u was, gereden met een snelheid van 108 km/u. Hij kon ten gevolge van die hoge snelheid op geen enkele manier voorkomen dat de hem tegemoetkomende bestuurster van de bromfiets, die om onduidelijke redenen zelf niet voldoende rechts had gehouden, frontaal met hem in botsing is gekomen.
Door zich op deze wijze in het verkeer te gedragen, heeft de verdachte zich totaal geen rekenschap gegeven van de verantwoordelijkheid die een bestuurder van een motorvoertuig heeft ten opzichte van andere verkeersdeelnemers. En dat terwijl de verdachte pas net een paar weken zijn rijbewijs had en verkeersveiligheid dus nog goed in zijn geheugen had mogen en moeten zitten.
Door zijn rijgedrag heeft de verdachte zeer ingrijpend en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Zij zullen moeten leven met het feit dat hun dierbare ten gevolge van een noodlottig ongeval is overleden. De rechtbank realiseert zich dat de verdachte dit ongeval op geen enkele manier heeft gewenst, maar dat neemt niet weg dat door het handelen van de verdachte levens ingrijpend en blijvend zijn veranderd.
Bij haar beslissing over de strafsoorten en de hoogte van de straffen heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In het geval van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en een dodelijke afloop van een verkeersongeval is het oriëntatiepunt een taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar.
De rechtbank zal aan de verdachte een taakstraf van 240 uur opleggen, zoals de officier van justitie deze ook heeft gevorderd. De rechtbank ziet daarbij geen reden om af te wijken van voornoemd uitgangspunt. De rechtbank neemt daarbij ook mee dat de verdachte op verschillende momenten in het onderzoek geen volledige openheid van zaken heeft gegeven wat betreft de gereden snelheid en de uitkomst van diverse onderzoeksresultaten heeft betwist of ontkend. Of de verdachte op dat moment er mentaal ‘niet bij kon’ dat hij met een dergelijke snelheid op die plek had gereden kan de rechtbank niet vaststellen. Wat de rechtbank wel kan vaststellen is dat de nabestaanden ter terechtzitting hebben verklaard dat de verdachte zijn verantwoordelijkheid niet neemt voor de gemeten snelheid die de verdachte moet hebben gereden, en dat die proceshouding er voor zorgt dat de nabestaanden nog moeite hebben met het volledig kunnen aangaan van hun rouw. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een onvoorwaardelijke rijontzegging van 365 dagen op te leggen. Redenen hiervoor zijn de baan die de verdachte heeft als timmerman waarvoor hij een rijbewijs nodig heeft en het tijdsverloop tussen het ongeval in juni 2024 en de datum van dit vonnis.
De rechtbank zal, in navolging van de vordering van de officier van justitie, van een deel van de rijontzegging bepalen dat deze voorwaardelijk aan hem zal worden opgelegd.
Deze voorwaardelijke straf acht de rechtbank geboden om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen; in het bijzonder een verkeersfeit. De verdachte heeft het bewezenverklaarde feit gepleegd op het moment dat hij nog maar ongeveer 5 weken zijn rijbewijs had. Na het noodlottige verkeersongeval heeft hij naar eigen zeggen om verschillende redenen geen motorrijtuig meer bestuurd. Omdat de verdachte dus zeer beperkte rijervaring heeft, zal de rechtbank aan de voorwaardelijke rijontzegging een proeftijd van 3 jaar koppelen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;
6, 175, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf en bijkomende straf:
? een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;
? een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 365 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994 waarvan 186 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.H. van de Kant, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. S. Zuithoff, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 19 januari 2026.