Rechtbank Oost-Brabant, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOBR:2026:213

Op 16 January 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 01.299206.24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:213. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
01.299206.24
Datum uitspraak:
16 January 2026
Datum publicatie:
15 January 2026

Indicatie

Veroordeling voor verkrachting van twee puberjongens tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, DNA-match, werkwijze verdachte.

Oplegging maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, géén DUT, géén 38z.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummers: [01.299206.24 en 01.375633.2]

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01.299206.24 en 01.375633.24 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 16 januari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te: P.I. Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 januari 2025, 28 januari 2025, 25 april 2025, 16 juli 2025, 7 oktober 2025, 18 december 2025 en 6 januari 2026 (sluiting).

Op 28 januari 2025 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 december 2024 (parketnummer 01.299206.24) en bij dagvaarding van 27 december 2024 (parketnummer 01.375633.24).

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01.299206.24 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 september 2024 in de gemeente Eindhoven, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2010] ,

een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het vastpakken en/of betasten en/of wrijven over het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] en/of

- het vastpakken van de billen en/of anus van die [slachtoffer 1] en/of

- het brengen van zijn/een vinger in de anus en/of tussen de billen van die [slachtoffer 1] ,

en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door op die fietsende [slachtoffer 1] af te lopen en/of het stuur van de fiets van die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of onverhoeds het geslachtsdeel en/of de billen en/of de anus van die [slachtoffer 1] te betasten en/of onverhoeds zijn hand in de onderbroek van die [slachtoffer 1] te stoppen en/of met kracht in de onderbroek te houden en/of onverhoeds zijn vinger in de anus en/of tussen de billen van die [slachtoffer 1] te brengen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 september 2024 in de gemeente Eindhoven, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2010] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - het vastpakken en/of betasten en/of wrijven over het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] en/of - het vastpakken van de billen en/of anus van die [slachtoffer 1] en/of - het brengen van zijn/een vinger bij/tegen de anus en/of tussen de billen van die [slachtoffer 1] ,

en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door op die fietsende [slachtoffer 1] af te lopen en/of het stuur van de fiets van die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of onverhoeds het geslachtsdeel en/of de billen en/of de anus van die [slachtoffer 1] te betasten en/of onverhoeds zijn hand in de onderbroek van die [slachtoffer 1] te stoppen en/of met kracht in de onderbroek te houden en/of onverhoeds zijn vinger bij/tegen de anus en/of tussen de billen van die [slachtoffer 1] te brengen;

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01.375633.24 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 februari 2019 te Boxtel door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door het grote leeftijdsverschil en/of overwicht dat hij op [slachtoffer 2] had en/of door die [slachtoffer 2] mee te nemen en/of aan de mouw vast te pakken en/of mee te trekken naar een park, althans naar een afgelegen plaats en/of door die [slachtoffer 2] vast te pakken en/of te houden en/of door het onverhoedse karakter van de hierna genoemde seksuele handelingen, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten het in de mond nemen van de penis van die [slachtoffer 2] en/of het in de mond brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] en/of het klaarkomen in de mond van die [slachtoffer 2] en/of het brengen van een vinger in en/of tegen de anus van die [slachtoffer 2] en/of het zoenen op de mond en/of in de nek van die [slachtoffer 2] en/of het brengen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer 2] ;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een bewezenverklaring van het aan verdachte onder parketnummer 01.299206.24 ( [slachtoffer 1] ) primair en het onder parketnummer 01.375633.24 ( [slachtoffer 2] ) ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van parketnummer 01.299206.24 ( [slachtoffer 1] ) heeft de raadsman verzocht om verdachte van de primair ten laste gelegde verkrachting vrij te spreken. Het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] kan volgens de raadsman niet worden bewezen. Wel kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft aangerand door zijn geslachtsdeel te betasten.

Het onder parketnummer 01.375633.24 ( [slachtoffer 2] ) ten laste gelegde kan volgens de raadsman ook niet worden bewezen. Hoewel op grond van het aangetroffen DNA-materiaal van verdachte kan worden aangenomen dat er seksueel contact tussen aangever en verdachte heeft plaatsgevonden, kan niet worden uitgesloten dat dit contact vanuit de zijde van aangever vrijwillig heeft plaatsgevonden. De verklaring die aangever over de gedragingen van verdachte heeft afgelegd is volgens de raadsman niet betrouwbaar. Omdat niet is voldaan aan het bewijsminimum, heeft de raadsman vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van parketnummer 01.299206.24 ( [slachtoffer 1] ):  (Voetnoot 1)

1. een proces verbaal opgemaakt en ondertekend op 13 september 2024 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , inhoudende de aangifte [slachtoffer 1] , geboren op [2010] , voor zover van belang, zakelijk weergegeven: (proces-verbaal pag. 53 t/m 63)

Ik ging gisteren (De rechtbank begrijpt: 12 september 2024) vanuit school fietsend naar huis. Die man kwam met zijn telefoon open op een vertalingsapp naar mij toe. Toen pakte hij met zijn linkerhand mijn stuur vast, zodat ik niet verder kon. Op die telefoon stond in de vertalingsapp: als jij mij je piemel laat zien dan krijg je honderd euro. Ik zei: nee dat wil ik niet. Toen hield hij mij vast. Toen greep hij al een beetje naar mijn poepgat en naar mijn piemel. Toen begon hij al een beetje te wrijven. Een beetje heel irritant te wrijven, soms een beetje te knijpen. Uiteindelijk ging hij steeds meer in mijn broek. Huid op huid bij mijn geslachtsdeel en bij mijn poepgat. Daar gebruikte hij zijn handen en zijn vingers om te wrijven, te knijpen en soms te trekken. Ik probeerde met mijn rechterhand zijn hand uit mijn broek te trekken. Hij liet dit niet toe. Hij gebruikte kracht om zijn hand in mijn onderbroek te houden. Toen gebruikte hij zijn vingers om in mijn poepgat te komen. En omdat hij daar wilde komen, werd ik van mijn zadel getild om daar te komen. Dus ik moest gaan staan. Toen deed hij zijn linkerhand uit mijn onderbroek bij mijn geslachtsdeel. En hij hield zijn rechterhand bij mijn poepgat en ging met zijn vingers in mijn anus.

2. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en ondertekend op 12 september 2024 door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , voor zover van belang, zakelijk weergegeven (proces-verbaal pagina’s 48 en 49):

Op 12 september 2024 omstreeks 15:50 uur bevonden wij ons ter hoogte van de milieustraat van Eindhoven Airport aan de Luchthavenweg in Eindhoven. Wij werden aangesproken door een jong manspersoon. Hij kwam naar ons toe gefietst over de Luchthavenweg uit de richting van het Beatrixkanaal. Wij zagen dat hij hoog in de emotie zat omdat hij tranen in zijn ogen had. Wij zagen dat hij in paniek verkeerde en hij vroeg om hulp. Hij vertelde dat hij op het fietspad naast de Spotterweg in Eindhoven aan de overkant van het Beatrixkanaal fietste toen hij een man zag rijden op een scooter. De man sprak hem aan met zijn telefoon in zijn hand met daarop via google-translate vertaald: “Laat mij een foto van je penis maken voor 100 euro”. Hij had gezegd dat hij dit niet wilde. De man was in zijn broek gaan voelen, was met zijn hand in zijn broek gegaan en had hem aan zijn geslachtsdeel en anus gevoeld met zijn handen. Hij had de man in zijn gezicht geslagen en was weggegaan.

3. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 januari 2025, voor zover van belang zakelijk weergegeven:

In de zaak uit 2024 klopt het dat ik aan de intieme delen van het slachtoffer onder

de kleding heb gezeten.

Ten aanzien van parketnummer 01.375633.24 ( [slachtoffer 2] ):  (Voetnoot 2)

4. een proces-verbaal opgemaakt en ondertekend op 8 maart 2019 door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] inhoudende de aangifte: door [slachtoffer 2] , voor zover van belang, zakelijk weergegeven: (proces-verbaal pag. 27-32)

[slachtoffer 2] (De rechtbank begrijpt [slachtoffer 2] ) heeft het verhaal tegen [persoon] verteld. Hij vertelde tegen haar dat hij bij de Huts winkel ergens vlak bij de Kruidvat te Boxtel was en dat hij daar een man tegen gekomen is. De man zwaaide en [slachtoffer 2] dacht in eerste instantie dat de man het niet tegen hem had. [slachtoffer 2] zou toen om zich heen hebben gekeken en niemand te zien die hierop reageerde waarop hij dacht dat die man het wel tegen hem had. Hij heeft gezegd dat hij met de man naar Stapelen is gegaan. Daar heeft de man de broek van [slachtoffer 2] naar beneden getrokken en hem daar gepijpt en gekust. V: Wanneer is dit gebeurd? A: 24 februari 2019. [persoon] is meteen met [slachtoffer 2] die avond naar de politie gegaan. Ziekenhuis sporenonderzoek.

5. een proces-verbaal van studioverhoor opgemaakt en ondertekend op 26 april 2019 door verbalisant [verbalisant 7] , inhoudende het verhoor van [slachtoffer 2] , voor zover van belang, zakelijk weergegeven: (proces-verbaal pag. 36-42)

Ik was dus weggelopen van de instelling en kwam in het dorp aan en stond bij de Huts, dat is een soort actie van een winkel. Die man liep opeens achter mij en ik dacht van, wie ben jij. Hij keek mij ook aan van, kom eens. Ik wilde eerst niet komen maar toen liep ik mee. Toen zijn we bij het bos van Stapelen geweest en daar trok hij mijn broek uit en heeft hij allerlei dingen bij mij gedaan. Ik moest ook dingen bij hem doen die ik niet wou.

V: Hoe wist je dat jij mee moest lopen?A: Omdat hij mij mee trok, aan mijn mouw.V: Waar liepen jullie in dat bos?A: Een beetje ver weg, een beetje bij de weilanden.V: Wat doen jullie dan als jullie daar staan?A: Ik vroeg van, wat doen we hier? En toen ging hij mijn broek uittrekken.V: Hoe deed hij dat?A: Met zijn handen.

V: Jij had het er ook over dat hij jou zoende. V: Wat voor zoen was dat die hij jou gaf? A: Gewoon een kus en daarna een tongzoen. V: Was dat iets wat je al eerder gedaan had? A: Ja, maar dat wou ik niet met hem. Dat vond ik vreemd. V: Waarom vond jij dat vreemd? A: Omdat ik hem niet kende.

V: Hoe liet jij merken dat jij niet wilde?A: Ik draaide mijn hoofd weg.

V: Je vertelde dat hij ook probeerde in jouw kont. Vertel eens hoe dat ging?A: Hij ging het eerst nat maken en toen zei ik, doe maar niet. Hij ging toen eerstmet zijn vinger erin en toen probeerde hij dat en ging hij een stukje erin en toenhij vroeg of het pijn deed en zei ik van, "doe maar niet."

A: Dat hij dat in mijn kont deed, een beetje buiten en binnen. En toen deed hij eerst met zijn vinger een beetje erin.V: Hoe weet jij dat dit zijn vinger was?A: Dat voelde ik.V: Wat voelde jij dan?A: Dat hij er hard in ging.V: Zei jij toen wat?A: Ik zei; "au".

6. een proces-verbaal forensisch medisch onderzoek, opgemaakt en ondertekend op 25 februari 2019 door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , voor zover van belang, zakelijk weergegeven (proces-verbaal pag. 49-50)

Op maandag 25 februari 2019, tussen 00:45 uur en 01:10 uur, werd door forensische

arts dr. Rijkers, in aanwezigheid van ons, verbalisanten, en een forensisch

verpleegkundige, in een onderzoekskamer van het Centrum Seksueel Geweld, gelegen in het

Jeroen Bosch ziekenhuis te 's-Hertogenbsoch, een onderzoek ingesteld in en aan het

lichaam van benadeelde [slachtoffer 2] , met als doel het veiligstellen van eventueel op

of in het lichaam aanwezige sporen en het vaststellen van het eventueel aan het lichaam

ontstane letsel.

Het onderzoek ving aan om 00:45 uur. Er werd gebruik gemaakt van een onderzoeksset

zedendelicten. De onderzoeksset, evenals alle veilig gestelde sporen in de

onderzoeksset zijn voorzien van identiteitszegels met het volgende kenmerk:

[nummer] .

7. een ander geschrift, te weten een rapport van the Maastricht Forensic Institute, opgemaakt en ondertekend door Dr. P.J. Herbergs NRGD-geregistreerd forensisch DNA-deskundigeop 22 mei 2019 met bijlage bijlage DNA-profielcluster 59782, voor zover van belang zakelijk weergegeven: (proces-verbaal pag. 78-82)

Tabel 3- Resultaat van het DNA-onderzoek aan de bemonsteringen zedenkit [nummer]

Binnenkant

tandenrij

onderkaak en

tongbasis

[nummer] # [nummer]

DNA-profiel van een man. De frequentie van het DNA

profiel is kleiner dan één op één miljard.

Het DNA-profiel matcht

met het DNA-profiel van

slachtoffer [slachtoffer 2] ,

In de anus

[nummer] # [nummer]

DNA-profiel van een man. De frequentie van het DNA

profiel is kleiner dan één op één miljard.

Een onbekende man A kan donor zijn.

Bijlage bij NFI-zaaknummer 2024.09.13.100:

Overzicht van de overeenkomende DNA-profielen die bij het NFI zijn geregistreerd onder

DNA-profielcluster 59782.

Omschrijving onderzoeksmateriaal: een referentiekaart van [verdachte] (geboren op [1990] )

Delict: zedenmisdrijf

Datum opname DNA-databank: 21 oktober 2024

NFI-zaaknummer 2019.06.27.051:

SIN/DNA-identiteitszegel: [nummer] # [nummer]

Delict: zeden/verkrachting.

Datum opname DNA-databank: 12 juli 2019

Bewijsoverweging.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangevers als betrouwbaar kunnen worden beoordeeld en of er aan het bewijsminimum als bedoeld in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Werkwijze verdachte.

De rechtbank stelt voorop dat de aangevers onafhankelijk van elkaar hebben verklaard over met elkaar vergelijkbare feiten die onder vergelijkbare omstandigheden hebben plaatsgevonden.

De beide slachtoffers zijn op klaarlichte dag op straat aangesproken. Zij waren op dat moment puberjongens van respectievelijk dertien en zestien jaar oud. De pleger van de feiten nam direct na de ontmoeting controle over de situatie door het stuur van de fiets van [slachtoffer 1] vast te pakken en te houden, respectievelijk door [slachtoffer 2] aan zijn mouw mee te trekken naar het bos. Hierna is de pleger kordaat overgegaan tot het verrichten van seksuele handelingen, waarbij hij in de beide gevallen de anus van de slachtoffers met een vinger is binnengedrongen.

De verklaringen van de beide slachtoffers steunen elkaar.

Bovendien vindt de verklaring van [slachtoffer 1] steun in het proces-verbaal van bevindingen van de disclosure getuigen, te weten de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] . De verklaring van [slachtoffer 2] wordt gesteund door de uitslag van het DNA-onderzoek.

Betrouwbaarheid en schakelbewijs.

De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop, de context waarbinnen en de omstandigheden waaronder de seksuele handelingen zijn begaan op essentiële punten met elkaar overeenkomen en elkaar over en weer ondersteunen. In dat licht acht de rechtbank de verklaringen die de jongens hebben afgelegd betrouwbaar.

Dwang.

Uit de bewijsmiddelen volgt bovendien dat de slachtoffers de hierna bewezenverklaarde seksuele handelingen niet hebben willen ondergaan en dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop welbewust heeft aanvaard.

Slotsom.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van twee minderjarige jongens.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van parketnummer 01.299206.24 primair:

op 12 september 2024 in de gemeente Eindhoven, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2010] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het vastpakken en betasten en wrijven over het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] en

- het vastpakken van de billen en anus van die [slachtoffer 1] en

- het brengen van een vinger in de anus van die [slachtoffer 1] ,

en welke verkrachting werd voorafgaan door en vergezeld van dwang, door op die fietsende [slachtoffer 1] af te lopen en het stuur van de fiets van die [slachtoffer 1] vast te pakken en onverhoeds het geslachtsdeel en de billen en de anus van die [slachtoffer 1] te betasten en onverhoeds zijn hand in de onderbroek van die [slachtoffer 1] te stoppen en met kracht in de onderbroek te houden en onverhoeds zijn vinger in de anus van die [slachtoffer 1] te brengen;

Ten aanzien van parketnummer 01.375633.24:

op 24 februari 2019 te Boxtel door een andere feitelijkheid te weten door het grote leeftijdsverschil en overwicht dat hij op [slachtoffer 2] had door die [slachtoffer 2] mee te nemen en aan de mouw vast te pakken en mee te trekken naar een park en door die [slachtoffer 2] vast te pakken en door het onverhoedse karakter van de hierna genoemde seksuele handelingen, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten het brengen van een vinger in de anus van die [slachtoffer 2] en het brengen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer 2] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Daarnaast moet aan verdachte de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, worden opgelegd.

Verder heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte op te leggen de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding als bedoeld in artikel 38z Sr.

De officier van justitie vraagt daarbij om te bevelen dat de maatregel van tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Mocht verdachte op enig moment niet meewerkend worden, dan biedt de dadelijke uitvoerbaarheid echter geen soelaas.

Om die reden heeft de officier van justitie tevens gevorderd om de voorlopige hechtenis te schorsen onder dezelfde voorwaarden zoals genoemd in het rapport van de reclassering ten behoeve van de tbs-maatregel, tot het moment dat het vonnis onherroepelijk is.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft primair verzocht om de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te koppelen aan een voorwaardelijk strafdeel dat naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte kan worden opgelegd.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze bijzondere voorwaarden kunnen worden gekoppeld aan een maatregel van tbs waarbij tevens een korte gevangenisstraf kan worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf en maatregel die aan verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten.

Verdachte, een destijds 29 respectievelijk 34-jarige man, heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een zestien- en een dertienjarige jongen.

Verdachte heeft op 12 september 2024 een jongen die – vanuit school naar huis fietste – tegengehouden, zijn hand in de broek van de jongen gestoken en hem bij zijn geslachtsdeel betast. Daarna heeft verdachte met zijn vinger in de anus van de jongen gebracht. Het slachtoffer heeft vervolgens mogelijkheid gezien om verdachte een vuistslag in het gezicht te geven, waarop de verdachte op zijn scooter is weggereden. Naar aanleiding van de aangifte en aanhouding in deze zaak is bij verdachte DNA-materiaal afgenomen en opgenomen in de DNA-databank van het NFI. Dit heeft geleid tot een match met dadersporen uit 2019. Op 24 februari 2019 heeft verdachte een zestienjarige jongen aan zijn mouw meegenomen naar een bos, waar verdachte met het slachtoffer zeer vergaande seksuele handelingen heeft verricht. In ieder geval bij het inbrengen van een vinger in de anus en een tongzoen is aantoonbaar sprake geweest van dwang.

Verdachte is dus verantwoordelijk voor de verkrachting van twee jonge jongens.

De rechtbank houdt in de eerste plaats rekening met de zeer ernstige aard van de handelingen en de zorgwekkende omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. De feiten zijn ogenschijnlijk uit het niets gepleegd bij minderjarige slachtoffers en de feiten hebben in de openbare ruimte plaatsgevonden.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zijn eigen seksuele verlangens vooropgesteld heeft en geen oog heeft gehad voor de mogelijke schadelijke gevolgen van zijn handelen voor deze twee jonge jongens. Verdachte heeft een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers en is hun normale en gezonde seksuele ontwikkeling - waar ieder kind recht op heeft - ruw verstoord.

Dat verdachte met zijn handelen de slachtoffers veel psychisch leed heeft berokkend, volgt uit de toelichtingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] en het spreekrecht dat namens [slachtoffer 2] is uitgeoefend. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De persoon van verdachte.

Strafblad.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte weliswaar niet recentelijk, maar wel eerder (in Polen) is veroordeeld voor een pedoseksueel delict.

Rapportages.

Psychiater.

Het rapport dat psychiater C.J. van Gestel op 10 oktober 2025 heeft opgesteld, houdt onder meer het volgende in:

(…)

Ondergetekende ziet bij betrokkene een in de persoonlijkheid verankerde massieve afweer van ongewenste emoties en seksuele impulsen. Er is geen persoonlijkheidsstoornis vast te stellen, maar er zijn vermijdende trekken. Samenhangend met deze persoonlijkheidsopbouw heeft ondergetekende bij betrokkene een somatische symptoomstoornis en een functionele neurologische symptoomstoornis (in remissie). Een stoornis in het gebruik van cocaïne (in remissie) en, indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, een andere gespecificeerde parafiele stoornis (efebofilie) zijn mogelijk, maar nog niet met zekerheid vastgesteld.

-Betrokkene had ten tijde van het ten laste gelegde dezelfde stoornissen, behoudens de functionele neurologische stoornis (die dateert van juli 2025). Betrokkene zou geïntoxiceerd zijn ten tijde van het ten laste gelegde van 12 september 2024, naar eigen zeggen met cocaïne en XTC, maar zeker is dit niet. Of dat ook het geval was in 2019, is (ook hem) onbekend.

De stoornissen beïnvloedden onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde van september 2024. Wat betreft het ten laste gelegde uit 2019 is dat niet goed te zeggen vanwege de amnesie van betrokkene.

Betrokkene kan zelf niet veel zeggen over zijn belevingswereld. Ondergetekende postuleert op basis van wat hij wel heeft gezegd een verband tussen de bij betrokkene met zekerheid vastgestelde zeer geremde persoonlijkheid, zijn mogelijke efebofilie, het (vermeende) gebruik van cocaïne en XTC en de hem ten laste gelegde seksuele gedragingen als volgt: betrokkene weert zijn ongewenste seksuele impulsen haast volledig af. Als betrokkene ruimte ziet deze impulsen te bevredigen zonder gezichtsverlies te leiden, betrapt te worden, gaat hij over tot actie, waarbij het gebruik van cocaïne zijn inhibitie doet afnemen. Als zijn impulsen bevredigd zijn, resteren schaamte en angst. Betrokkene kan het zich niet toestaan het gebeurde uit zijn herinnering op te halen en te bespreken.

Hoewel er dus nog veel onduidelijk is over met name de belevingsdimensie van het delictscenario, komt ondergetekende op basis van wat wél bekend is tot een doorwerking van de zeer geremde persoonlijkheid van betrokkene en de mogelijk efebofilie, die zijn vrije wil in enige mate beperkt hebben, wat aanleiding geeft tot het advies hem het ten laste gelegde, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen. Betrokkenes persoonlijkheidsopbouw helpt hem niet zijn impulsen op een andere manier te hanteren. Het cocaïnegebruik zou betrokkene naar eigen zeggen gefaciliteerd hebben, maar omdat betrokkene op de hoogte was van de effecten van dit middel op zijn gedrag, weegt deze stoornis niet mee in het advies ten aanzien van de toerekenbaarheid. De overige vastgestelde stoornissen kennen geen causaal verband met het ten laste gelegde. Het is op zich denkbaar dat betrokkene antisociaal berekenend tot het ten laste gelegde gekomen is, maar de levensloop, noch het actuele gedrag van betrokkene getuigen van evidente antisociale tendenzen.

Omdat zicht op de (seksuele) belevingswereld van betrokkene ontbreekt, is de toerekenbaarheid niet beter te specificeren door ondergetekende.

De hiervoor genoemde stoornissen dragen, in combinatie met andere (ermee samenhangende) factoren, bij aan een (actuarieel bepaald) matig-hoge recidiverisico op de middellange en langere termijn voor seksueel delictgedrag. Ten aanzien van het risico op de korte termijn ziet ondergetekende diverse acute risicofactoren.

Betrokkene is voldoende intelligent, niet gewelddadig en heeft op andere levensgebieden niet opmerkelijk (slecht) gefunctioneerd.

Er zijn bij betrokkene een aantal responsiviteitsbelemmerende factoren: het taalprobleem, zijn geslotenheid, de somatische symptoomstoornis en de functionele neurologische stoornis.

Ondergetekende ziet de noodzaak van een volledige zedenbehandeling, waarin er meer zicht ontstaat (vooral voor betrokkene zelf) op zijn belevingswereld, zijn seksualiteit en het delictscenario. Deze behandeling zal, vanwege de responsiviteitsbeperkingen en de acute risicofactoren, klinisch moeten starten en kan ambulant vervolgd worden. Een hoog-beveiligde setting acht ondergetekende niet noodzakelijk.

Ondergetekende acht een juridisch kader aangewezen dat de voornoemde (langdurige) behandeling borgt. Bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel zijn daartoe minder geschikt dan een tbs-maatregel, die met voorwaarden kan worden opgelegd. Als daartoe de gronden zouden ontbreken is een GVM het enige resterende kader, maar ook dat borgt behandeling niet noodzakelijkerwijs.

Psycholoog

Het rapport dat psycholoog N. van der Weegen op 13 oktober 2025 heeft opgesteld, houdt onder meer het volgende in:

(…)

Betrokkene lijdt aan een stoornis(sen) met betrekking tot zijn (seksuele)identiteit, emotieregulatie, impulscontrole en aan een functioneel neurologische stoornis. Of deze stoornissen samenhangen en sprake is van persoonlijkheidsstoornis, kan niet worden vastgesteld of uitgesloten. Dit was ten tijde van de tenlastegelegde feiten hetzelfde. De stoornissen beïnvloedden onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde.

-Betrokkene vertelde tijdens het eerste tenlastegelegde onder invloed van drugs te zijn geweest. Hij kon verder niets vertellen over zijn gevoelens en gedachten voorafgaand aan en ten tijde van het tenlastegelegde. Het is voorstelbaar dat de stoornis in zijn (seksuele) identiteit, zijn onvermogen hierover te praten om hier op een meer adequate wijze mee om te gaan dan het weg te drukken en de stoornis in de emotieregulatie en impulscontrole er samen voor hebben gezorgd dat hij tot het tenlastegelegde kwam. Rapporteur adviseert hem het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. Over het tweede tenlastegelegde kon betrokkene niets zeggen. Rapporteur gaat ervan uit dat er iets soortgelijks gespeeld kan hebben als ten tijde van het eerste tenlastegelegde en adviseert het hem in verminderde mate toe te rekenen.

Betrokkene lijdt aan stoornissen in de emotieregulatie en impulscontrole die ertoe leiden dat hij blijkbaar, zonder dat er voortekenen waren, impulsief hem onbekende jonge mannen betast.

Aan de hand van de SAPROF werden de beschermende factoren in kaart gebracht. Betrokkene is tenminste gemiddeld intelligent. Hij had een goede band met zijn ouders. Betrokkene geeft enigszins blijk van empathie. Andere beschermende factoren zijn niet aanwezig.

Rapporteur schat het recidiverisico als matig tot hoog in. Betrokkene’s moeite met zijn (seksuele) identiteit en zijn onvermogen emoties te uiten worden als grote risicofactoren gezien.

Betrokkene lijdt aan (een) stoornis(sen) met betrekking tot zijn (seksuele)identiteit, emotieregulatie, impulscontrole en aan een functioneel neurologische stoornis. Daarnaast kan een stoornis in het middelengebruik niet worden uitgesloten. Rapporteur adviseert hem de tenlastegelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt als matig tot hoog ingeschat. Behandeling is noodzakelijk om recidive te voorkomen. Betrokkene heeft veel moeite om over zijn problematiek te praten en lijkt zelfs moeite te hebben om zijn problematiek onder ogen te zien. Behandeling zal veel tijd nodig hebben en er zal nadere diagnostiek moeten worden verricht. Door het matige tot hoge recidive risico is het onwenselijk om betrokkene onbehandeld terug de maatschappij in te laten komen. Betrokkene geeft aan bereid te zijn zich aan voorwaarden te houden. Voorwaarden zouden hem kunnen stimuleren openheid van zaken over hetgeen hem bezighoudt te gaan geven. Een tbs met voorwaarden lijkt tot de mogelijkheden te behoren. Rapporteur heeft geen reden om aan te nemen dat betrokkene zich niet aan voorwaarden zou houden. Een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden zal niet voldoende zijn. Betrokkene zou er dan voor kunnen kiezen om de tijd uit te zitten, omdat behandeling zo moeilijk zal zijn, en zou dan onbehandeld buiten komen, hetgeen gezien het recidiverisico onwenselijk is. Dit wordt met een tbs met voorwaarden voorkomen.

(…)

Reclassering.

De reclassering heeft een ‘reclasseringsadvies TBS met voorwaarden’ (een “maatregelenrapport”) opgemaakt, gedateerd 5 december 2025. Bijlage II: Bijzondere voorwaarden bij tbs met voorwaarden van dit rapport houdt onder meer het volgende in:

Indien de rechtbank overweegt om tbs met voorwaarden op te leggen, adviseren wij de onderstaande voorwaarden:

• Geen strafbaar feit plegen

• Meewerken aan reclasseringstoezicht

• Meewerken aan time-out

• Niet naar het buitenland

• Opname in een zorginstelling

• Ambulante behandeling

• Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

• Drugsverbod

• Alcoholverbod

• Contactverbod

• Locatieverbod (zonder elektronische monitoring)

• Vermijden contact met minderjarigen

• Vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik

(…)

Verminderd toerekeningsvatbaar.

De conclusies van de psycholoog en psychiater worden gedragen door hun bevindingen en door hetgeen ter zitting is gebleken. De rechtbank neemt de adviezen van de deskundigen over de toerekeningsvatbaarheid over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij naar het oordeel van de rechtbank in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Gevangenisstraf.

Gezien de ernst van de feiten kan uit het oogpunt van vergelding niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegende, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren passend en geboden.

De rechtbank legt daarmee een lagere gevangenisstraf op dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat zij bij de strafoplegging - meer dan de officier van justitie - rekening houdt met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het intensieve behandeltraject dat verdachte aansluitend op zijn gevangenisstraf dient te ondergaan.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Maatregel van tbs met voorwaarden.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de psychiater en de psychologen en is van oordeel dat de maatregel van tbs met voorwaarden voor verdachte noodzakelijk is.

De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke voorwaarden, zoals omschreven in artikel 37a Sr, is voldaan. Gelet op het recidivegevaar, eist de algemene veiligheid van personen dat verdachte ter beschikking wordt gesteld. Daarnaast is oplegging van de tbs-maatregel mogelijk voor de bewezenverklaarde misdrijven en uit de hiervoor genoemde rapportages blijkt dat sprake is van stoornissen bij verdachte. Behandeling van verdachte is noodzakelijk om het recidivegevaar te verminderen.

De rechtbank zal verdachte daarom een tbs-maatregel opleggen en hierbij voorwaarden stellen die het gedrag van verdachte betreffen. De inhoud van deze voorwaarden zullen in het dictum worden weergegeven. De voorwaarden zijn ook op de zitting met verdachte besproken en verdachte heeft verklaard met deze voorwaarden in te stemmen en zich hieraan te willen houden.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van tbs met voorwaarden voldoende waarborgen biedt met betrekking tot de beveiliging van de samenleving. De maatregel zal worden opgelegd voor misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaar.

Dadelijke uitvoerbaarheid en schorsing van de voorlopige hechtenis

De rechtbank acht – mede gelet op de duur van de gevangenisstraf die aan verdachte wordt opgelegd – geen termen aanwezig om te bevelen dat de aan de maatregel van tbs gekoppelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank zal om die reden ook de door de officier van justitie gevorderde schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

In het geval dat hoger beroep zal worden ingesteld, is het aan het gerechtshof om eventueel een beslissing over de voorlopige hechtenis te nemen.

Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr.

De rechtbank zal – gelet op de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf en de daarop volgende ongemaximeerde tbs maatregel – aan verdachte géén gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering geheel toe te wijzen tot het bedrag van € 3.862,68 , dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om hierbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 voor wat betreft de materiële schade en vanaf 12 september 2024 voor wat betreft de immateriële schade.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering geheel toe te wijzen tot het bedrag van € 2.500,00 , dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om hierbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen: 36f, 37a, 38, 38a, 57, 242 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van parketnummer 01.299206.24 primair:

verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;

ten aanzien van parketnummer 01.375633.24:

verkrachting;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

ten aanzien van parketnummer 01-299206-24 primair en parketnummer 01-375633-24:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

legt op de volgende maatregelen:

ten aanzien van 01.299206.24 primair en 01.375633.24:

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:

-veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

-veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht; deze medewerking houdt onder andere in:

• veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering; de reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

• veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien;

• veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering; de reclassering kan

aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te

helpen bij het naleven van de voorwaarden;

• veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is;

• veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;

• veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

• veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

• veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die

contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;

-als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling; deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;

-veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;

-veroordeelde laat zich opnemen in een forensische zorginstelling (FPK, FPA), te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing; de opname start aansluitend aan detentie en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt; veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling; gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;

als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

-veroordeelde laat zich behandelen door een forensische ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering; de behandeling start aansluitend aan de klinische opname en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt; veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

-indien de reclassering dit nodig acht, verblijft veroordeelde in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering; het verblijf start aansluitend aan de klinische opname en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt;

veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

-veroordeelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod; de controle gebeurt met urineonderzoek; de reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

-veroordeelde gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren; de reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

-veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de slachtoffers [slachtoffer 1] , geboren op [2010] en [slachtoffer 2] , geboren op [2002] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

-veroordeelde bevindt zich niet in de straten waar de slachtoffers woonachtig zijn ( [adres 2] te Veldhoven en [adres 3] te Boxtel) en de straten waar de ten laste gelegde feiten hebben plaatsgevonden (het Welschappad te Eindhoven en het park “Stapelen” te Boxtel), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

-veroordeelde zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen; hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk; als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt veroordeelde dat zijn behandelaar, begeleider en/of reclassering hierbij aanwezig zijn;

-dat veroordeelde:

1. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch

materiaal;

2. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt

gecommuniceerd;

3. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);

4. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreekt hoe dit verloopt in gesprekken met de reclassering;

het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die veroordeelde in gebruik heeft;

veroordeelde werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die veroordeelde in gebruik heeft; hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang; op verzoek past veroordeelde de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is; de wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet;

de controles worden uitgevoerd door de reclassering; indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen;

de controles mogen maximaal (circa) drie keer per jaar worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd; de controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van veroordeelde;

Ten aanzien van parketnummer 01-299206-24 feit 1 primair:

beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van

€ 3.862,68, bestaande uit € 1.362,68 materiële schade en € 2.500,00 immateriële schade;

de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1]

, van een bedrag van € 3.862,68 euro;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 38 dagen; de toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

voormeld bedrag bestaat uit € 1.362,68 materiële schade en € 2.500,00 immateriële schade;

de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Ten aanzien van parketnummer 01-375633-24:

beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van

€ 2.500,00, bestaande uit immateriële schade;

de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 2.500,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade;

de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Grimbergen, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,

in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,

en is uitgesproken op 16 januari 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna ten aanzien van de zaak 01.299206.24 ( [slachtoffer 1] ) wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost Brabant, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Thematische Opsporing, met onderzoeksnummer OBRBC24173.

Voetnoot 2

Wanneer hierna ten aanzien van de zaak 01.375633.24 ( [slachtoffer 2] ) wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost Brabant, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Thematische Opsporing, team Zeden, Onderzoek: PL2100-2019039335.