Rechtbank Oost-Brabant, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOBR:2026:3237

Op 13 May 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 01/222409/25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:3237. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
01/222409/25
Datum uitspraak:
13 May 2026
Datum publicatie:
13 May 2026

Indicatie

Veroordeling voor zware mishandeling en twee bedreigingen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 450 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij legt de rechtbank bijzondere voorwaarden en maatregelen ex 38v en 38z Sr op (dadelijk uitvoerbaar). Toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01.222409.25 en 01.351664.25 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 13 mei 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1976] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: [vestigingsplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 november 2025, 9 februari 2026 en 30 april 2026.

Op de zitting van 9 februari 2026 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 14 oktober 2025 en 21 januari 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van 01-222409-25 feit 1:

hij, op of omstreeks 11 augustus 2025 te Helmond,

aan een ander, te weten [slachtoffer 1] ,

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door:

- die [slachtoffer 1] met kracht uit haar rollator te trekken en/of sleuren,

- die [slachtoffer 1] in een heg te gooien,

- die [slachtoffer 1] meermalen (met de vuist) in het gezicht en/of tegen het hoofd te slaan en/of stompen en,

- meermalen tegen de handen en/of vingers van die [slachtoffer 1] te slaan en/of stompen,

- tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij, op of omstreeks 11 augustus 2025 te Helmond, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - die [slachtoffer 1] met kracht uit haar rollator heeft getrokken en/of gesleurd, - die [slachtoffer 1] in een heg heeft gegooid, - die [slachtoffer 1] meermalen (met de vuist) in het gezicht en tegen het hoofd heeft geslagen en/of, - meermalen tegen de handen en/of vingers van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, - tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van 01-222409-25 feit 2:

hij, op of omstreeks 06 augustus 2025 te Helmond,

[slachtoffer 2] ,

heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:

“ik ga je ogen uitsteken”, in elk geval woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking;

Ten aanzien van 01-351664-25 feit 1:

hij, in of omstreeks de periode van 19 november 2025 tot en met 21 november 2025 te Grave, gemeente Land van Cuijk en/of Helmond, in elk geval in het arrondissement Oost-Brabant,

meermalen, althans eenmaal,

[slachtoffer 3] ,

heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die Van de Weele (telkens) dreigend de woorden toe te voegen:

- hoi lieverd, he, lieve schat, moppie van me, lekker ding, luister es, ik zit nog 3 maanden langer vast, kun je nog drie maanden langer ademhalen, heb je mij begrepen, ik wil gewoon weten hoe het met mijn hond is, jullie zijn cru en gemeen tegen mij, willen jullie dat ik hetzelfde naar jullie doe, pak je een x op en sta mij te woord laffe kut die je bent, kankerhoer,

- het is dus heel simpel, EUR 40.000,00 en ik verdwijn uit jouw leven. Echt waar, ja, gemiste kans als je niet met mij in conclaaf gaat hiermee. Doe je het niet, pak je niet op vanavond als ik je bel dan is het klaar. Dan bel ik niet meer dan hoor je me niet meer, je ziet vaneigens?,

- wil zeggen, het moment dat ik inhoudelijk iets krijg, ga ik vragen om schorsing of in ieder geval dat ik naar buiten kan, mijn zaak voorbereiden en dan ga ik in hoger beroep. En dan ben je van mij meis, ik maak je helemaal af,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de zware mishandeling en de bedreigingen wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de bedreigingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot feit 1 onder parketnummer 01.222409.25 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, waardoor verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen ten aanzien van 01.351664.25, feit 1 (bedreiging [slachtoffer 3] ).

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

de bekennende verklaring van verdachte van 4 december 2025 (p. 15-20 van het dossier);

een proces-verbaal van aangifte met nummer PL2100-2025267944-2 van 27 november 2025 (p. 5-7);

een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2100-2025267944-4 van 27 november 2025 (p. 11-12).

Nu verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en door zijn raadsman geen vrijspraak is bepleit, zijn, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewijsmiddelen ten aanzien van 01.222409.25, feit 1 en 2.

Ten aanzien van deze feiten heeft verdachte deels bekennend verklaard. Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van 01.222409.25, feit 1, primair, (zware mishandeling).

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 11 augustus 2025 te Helmond slachtoffer [slachtoffer 1] meermalen met beide vuisten op haar hoofd en tegen haar gezicht heeft geslagen. Hij heeft daarbij ook tegen de handen en vingers van verdachte geslagen, omdat zij deze ter bescherming voor haar gezicht hield. Ook heeft verdachte tegen het lichaam van het slachtoffer geschopt. Verdachte heeft deze handelingen bekend. Verdachte heeft echter ontkend dat hij het slachtoffer uit haar scootmobiel heeft getrokken en in de heg heeft gegooid. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij door verdachte bij haar schouders werd vastgepakt, uit haar scootmobiel werd gesleurd en in de heg werd gegooid. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de man de vrouw uit haar scootmobiel trok. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte het slachtoffer met twee handen duwde, waardoor zij in de struiken viel. Op grond van die getuigenverklaringen en de aangifte acht de rechtbank daarom ook het uit de scootmobiel duwen en het in de heg gooien van het slachtoffer wettig en overtuigend bewezen.

Om tot een bewezenverklaring van zware mishandeling te komen moet er sprake zijn van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht onder andere wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende ernstig is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.

Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer een hersenschudding, een breuk van het neusbot en een openstaande wond in het gezicht heeft opgelopen. Ook heeft de arts een mogelijke breuk van het rechter jukbeen geconstateerd. De neus en het jukbeen van het slachtoffer zijn tot op heden gevoelige plekken. Verder heeft de arts een mogelijke botbreuk ter hoogte van de wijs- en middelvinger geconstateerd. Ook was er sprake van twee openstaande wondjes aan de middelvinger. Het slachtoffer heeft haar rechterhand de eerste vijf weken na het incident niet kunnen gebruiken en tot op heden heeft zij verminderde kracht in haar hand. Daarnaast zaten er drie voortanden in de onderkaak los. Deze zijn later door de kaakchirurg verwijderd. Het slachtoffer ervaart nog steeds pijnklachten aan de onderkaak, waardoor zij op momenten niet kan eten, omdat bijten dan niet mogelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat het samenstel en de veelheid van de aan het slachtoffer toegebrachte letsels en de beperkte mate van herstel daarvan zo ernstig zijn dat deze in hun totaliteit naar normaal spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangeduid. De rechtbank acht de primair ten laste gelegde zware mishandeling daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsoverweging ten aanzien van 01.222409.25, feit 2 (bedreiging [slachtoffer 2] ).

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij slachtoffer [slachtoffer 2] bedreigd heeft. Op grond van de aangifte en de beschrijving van de camerabeelden en de herkenning van de verdachte door de verbalisant stelt de rechtbank vast dat verdachte het slachtoffer heeft bedreigd door te zeggen “ik steek jouw ogen uit”. De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

Ten aanzien van 01.222409.25, feit 1 primair:

op 11 augustus 2025 te Helmond, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door:

- die [slachtoffer 1] met kracht uit haar rollator te trekken,

- die [slachtoffer 1] in een heg te gooien,

- die [slachtoffer 1] meermalen met de vuist in het gezicht en tegen het hoofd te slaan en stompen en,

- meermalen tegen de handen en vingers van die [slachtoffer 1] te slaan en stompen,

- tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen;

Ten aanzien van 01.222409.25 feit 2:

omstreeks 6 augustus 2025 te Helmond, [slachtoffer 2] heeft bedreigd, met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: “ik ga je ogen uitsteken”;

Ten aanzien van 01.351664.25, feit 1:

in de periode van 19 november 2025 tot en met 21 november 2025 te Grave, gemeente Land van Cuijk en Helmond, meermalen, [slachtoffer 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die Van de Weele dreigend de woorden toe te voegen:

- hoi lieverd, he, lieve schat, moppie van me, lekker ding, luister es, ik zit nog 3 maanden langer vast, kun je nog drie maanden langer ademhalen, heb je mij begrepen, ik wil gewoon weten hoe het met mijn hond is, jullie zijn cru en gemeen tegen mij, willen jullie dat ik hetzelfde naar jullie doe, pak je een x op en sta mij te woord laffe kut die je bent, kankerhoer,

- het is dus heel simpel, EUR 40.000,00 en ik verdwijn uit jouw leven. Echt waar, ja, gemiste kans als je niet met mij in conclaaf gaat hiermee. Doe je het niet, pak je niet op vanavond als ik je bel dan is het klaar. Dan bel ik niet meer dan hoor je me niet meer, je ziet vaneigens,

- wil zeggen, het moment dat ik inhoudelijk iets krijg, ga ik vragen om schorsing of in ieder geval dat ik naar buiten kan, mijn zaak voorbereiden en dan ga ik in hoger beroep. En dan ben je van mij meis, ik maak je helemaal af.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 450 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 150 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij heeft de officier gevorderd de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang op te leggen. De officier heeft verzocht deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Daarnaast heeft de officier van justitie vrijheidsbeperkende maatregelen (als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht) gevorderd voor de duur van 5 jaren met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van 7 dagen bij de eerste overtreding, veertien dagen bij de tweede overtreding, oplopend telkens met zeven dagen per overtreding en met een maximum van 6 maanden. Deze maatregelen houden contact- en locatieverboden in met betrekking tot de drie slachtoffers. De officier heeft verzocht deze maatregelen eveneens dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tot slot heeft de officier een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht) gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft gewezen op de aanloop naar de inmiddels bewezenverklaarde feiten. Aan de mishandeling en bedreigingen ging volgens de raadsman een jarenlange spanningsopbouw vooraf. De raadsman heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijk deel en de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Ten aanzien van de gevorderde contact- en locatieverboden heeft de raadsman opgemerkt dat een looptijd van 2 jaren voldoende is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van mevrouw [slachtoffer 1] door haar uit haar scootmobiel te trekken en haar veelvuldig tegen haar hoofd en lichaam te slaan en stompen en haar tegen het lichaam te schoppen. Hiermee heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij meerdere keren is teruggekomen om het slachtoffer, dat al zwaar toegetakeld op de grond lag, opnieuw te slaan en te schoppen. Het slachtoffer heeft door de mishandeling ernstig letsel opgelopen, waar zij tot op de dag van vandaag last van ondervindt. Ook voelt zij zich angstig in haar huis. Zo slaapt ze bijvoorbeeld beneden, zodat ze de voor- en achterdeur van de woning in de gaten kan houden. Het slachtoffer wil naar aanleiding van het incident verhuizen, omdat zij zich niet meer veilig voelt in haar eigen woning.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen. Hij heeft buurvrouw [slachtoffer 2] bedreigd door te zeggen dat hij haar ogen uit zou steken. Uit de (beschrijving van) de beelden blijkt dat verdachte vanuit zijn tuin minutenlang tekeer ging tegen het slachtoffer door te schreeuwen en schelden in de richting van haar woning. Het slachtoffer is hierdoor erg angstig geworden. Toen verdachte in voorlopige hechtenis zat voor de zware mishandeling en de bedreiging van de buurvrouw, heeft verdachte vervolgens zijn ex-partner bedreigd. Hij heeft haar vanuit de penitentiaire inrichting gebeld en 5 bedreigende voicemails achtergelaten. Uit de slachtofferverklaring van zijn ex-partner blijkt dat zij zich zeer angstig en onveilig voelt. Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.

De persoon van verdachte en de persoonlijke omstandigheden.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in 2023 onherroepelijk is veroordeeld voor bedreiging van een politieagent en voor vernieling, waarbij dit laatste is geclassificeerd als huiselijk geweld (ex)partnermishandeling.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport dat op 24 maart 2026 is opgesteld door psychiater S. Kapitein-de Haan. Dit rapport houdt kort weergegeven in dat bij verdachte een autismespectrumstoornis is vastgesteld die ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig was. Verdachte kan als gevolg van zijn stoornis niet goed inschatten wat de bedoelingen van anderen zijn en hij houdt onvoldoende rekening met anderen in zijn manier van reageren. Hierdoor raakt hij sneller in conflict. Ook heeft verdachte er moeite mee als hij veel informatie tegelijkertijd moet verwerken en is hij niet goed in staat zijn emoties te reguleren. Verdachte had hierdoor tijdens de situatie waarin de ten laste gelegde feiten plaatsvonden niet de mogelijkheid om vanuit volledig vrije wil te handelen. Zijn handelen werd deels vanuit zijn stoornis bepaald. Het advies is daarom om de ten laste gelegde feiten ten dele aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over en houdt hier rekening mee bij de strafoplegging.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport aangaande verdachte van 16 april 2026, waaruit blijkt dat de reclassering een gemiddeld recidiverisico ziet. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. De geadviseerde bijzondere voorwaarden bestaan uit een meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een contact- en locatieverbod. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij bereid is om zich aan de geadviseerde voorwaarden te houden.

De op te leggen straf en maatregelen.

Gezien de ernst van het gebruikte geweld en de bedreigingen acht de rechtbank een forse gevangenisstraf passend en geboden. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid en om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen. Daarbij acht de rechtbank een langere proeftijd noodzakelijk, omdat er sprake is van complexe psychische problematiek. Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 450 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 150 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

Daarnaast zal de rechtbank ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten en ter bescherming van de maatschappij maatregelen zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen voor de duur van 5 jaren. Deze maatregelen houden in dat verdachte geen contact mag opnemen met de slachtoffers van bewezenverklaarde feiten en dat hij zich niet in de buurt van hun woon- en/of werkadres mag bevinden. De vervangende hechtenis bij overtreding van een van de maatregelen bedraagt bij de eerste overtreding 7 dagen, bij de tweede overtreding 14 dagen, telkens oplopend met 7 dagen, met een maximum van in totaal 6 maanden. Op die manier wordt verdachte (oplopend) geconfronteerd met de gevolgen van zijn handelen als hij zich niet aan deze maatregelen houdt.

Daarnaast zal de rechtbank, ter bescherming van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, nog een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opleggen. Aan de voorwaarden voor oplegging is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Gelet op de ernst van de feiten en de chronische problematiek van verdachte acht de rechtbank het opleggen van deze maatregel noodzakelijk om de slachtoffers en de maatschappij te beschermen.

Deze maatregel houdt in dat verdachte na zijn proeftijd onder intensief toezicht kan komen te staan en dat verdere resocialisatie is gebonden aan voorwaarden. De rechter bepaalt aan het einde van de proeftijd of het noodzakelijk is dat de maatregel ten uitvoer wordt gelegd.

Dadelijke uitvoerbaarheid.

De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden en maatregelen inhoudende contact- en locatieverboden dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een schadevergoeding gevorderd van € 3.310,00. Deze vordering bestaat uit € 310,00 aan materiële schadevergoeding voor een nieuwe bril en € 3.000,00 aan immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij heeft verzocht dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering volledig toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het materiële deel van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schadevergoeding gematigd dient te worden tot een bedrag van

€ 1.000,00.

Het oordeel van de rechtbank.

Naar aanleiding van de door verdachte toegebrachte neusbreuk en het jukbeenletsel was het slachtoffer genoodzaakt een nieuwe bril, van lichter gewicht, aan te schaffen. Dit is ook onderbouwd met een aankoopfactuur. De rechtbank acht deze post daarom toewijsbaar als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade.

Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering overweegt de rechtbank dat vaststaat dat het slachtoffer als gevolg van de bewezenverklaarde zware mishandeling rechtstreeks schade is toegebracht in de vorm van letsel. Nu vaststaat dat het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen, moet de omvang van het smartengeld ‘naar billijkheid’ worden vastgesteld (artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek).

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het letsel zoals hiervoor al is omschreven en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op De Rotterdamse Schaal. Alles overwegende, begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 3.000,00. De rechtbank zal het immateriële deel van de vordering dan ook volledig toewijzen.

Concluderend acht de rechtbank de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag daarnaast een schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot de dag van de algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38z, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK
De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van 01.222409.25, feit 1 primair:

zware mishandeling;

Ten aanzien van 01.222409.25, feit 2:

bedreiging met zware mishandeling;

Ten aanzien van 01.351664.25 feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

- legt op de volgende straf en maatregelen:

Ten aanzien van 01.222409.25, feit 1 primair, feit 2 en 01.351664.25 feit 1:

een gevangenisstraf voor de duur van 450 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 150 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1. meldplicht bij reclassering.

Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.

Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Leger des Heils op het adres Dr. Cuyperslaan 80 in Eindhoven of op telefoonnummer 088-0901140 ;

2. opneming in een zorginstelling.

Veroordeelde laat zich tijdens de proeftijd voor een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen door een forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. Veroordeelde is reeds aangemeld via IFZO, waarna het DIZ verantwoordelijk zal zijn voor een plaatsing. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling.

De behandeling is gericht op de psychische problematiek van veroordeelde, waarbij aandacht dient te zijn voor de delict analyse en een woonprofiel opgesteld moet worden ten behoeve van een passende doorstroom naar een begeleid wonen. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. ambulante behandeling.

Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd, na afloop van de klinische opname, behandelen door de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend aan de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op zijn psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

4. verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd, na afloop van de klinische opname, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

- geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 14e Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ten aanzien van 01-222409-25, feit 1 primair:

een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht, voor de duur van 5 jaren, inhoudende een contactverbod en een locatieverbod.

Het contactverbod houdt in dat de veroordeelde zich gedurende 5 jaren onthoudt van – direct of indirect – contact met:

[slachtoffer 1] , geboren op [1956] .

Het locatieverbod houdt in dat de veroordeelde zich gedurende 5 jaren niet bevindt in:

[adres 1] te Helmond.

De rechtbank beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen bij de eerste overtreding, 14 dagen bij de tweede overtreding, telkens oplopend met 7 dagen per overtreding. De rechtbank bepaalt dat de totale vervangende hechtenis niet meer dan 6 maanden bedraagt. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Ten aanzien van 01-222409-25, feit 2:

een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht, voor de duur van 5 jaren, inhoudende een contactverbod en een locatieverbod.

Het contactverbod houdt in dat de veroordeelde zich gedurende 5 jaren onthoudt van – direct of indirect – contact met:

[slachtoffer 2] , geboren op [1974] .

Het locatieverbod houdt in dat de veroordeelde zich gedurende 5 jaren niet bevindt in:

[adres 2] te Helmond.

De rechtbank beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen bij de eerste overtreding, 14 dagen bij de tweede overtreding, telkens oplopend met 7 dagen per overtreding. De rechtbank bepaalt dat de totale vervangende hechtenis niet meer dan 6 maanden bedraagt. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Ten aanzien van 01-351664-25, feit 1:

s

- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Ten aanzien van 01-222409-25, feit 1 primair, feit 2, 01-351664-25 feit 1:

een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van 01-222409-25, feit 1 primair:

Schadevergoedingsmaatregel.

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 3.310,00 euro.

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 33 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 310,00 euro materiële schadevergoeding en 3.000,00 euro immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 3.310,00 euro, bestaande uit 310,00 euro materiële schadevergoeding en 3.000,00 euro immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis:

De rechtbank heft op het tegen veroordeelde verleende bevel tot voorlopige hechtenis op het tijdstip dat de door veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk is aan de duur van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M. Rinzema, voorzitter,

mr. F.H.E. Boerma en mr. M.E. Bartels, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,

en is uitgesproken op 13 mei 2026.