[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 januari 2022 tot en met 8 augustus 2023 te Vught, althans in Nederland, opzettelijk één of meerdere geldbedragen van (in totaal) (ongeveer) 454.450 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofd van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als penningmeester van die [slachtoffer] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Bewijs
Inleiding
Verdachte is op 1 april 2021 aangetreden als penningmeester in het bestuur van [slachtoffer] in Vught (hierna: de tennisvereniging). Op 15 augustus 2023 heeft verdachte zich samen met zijn vader gemeld bij de voorzitter met de boodschap dat hij het geld van de tennisvereniging heeft gebruikt voor zijn gok- en cryptoverslaving. De tennisvereniging heeft op 9 januari 2024 aangifte gedaan van verduistering in functie. Verdachte heeft bij de politie en in een tuchtprocedure van de tennisbond bekennende verklaringen afgelegd.
De standpunten
De officier van justitie en verdediging stellen zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van het onderdeel “uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking”.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
(Voetnoot 1)
Omdat verdachte het hierna bewezenverklaarde heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering:
- het proces-verbaal van aangifte namens [slachtoffer] , d.d. 9 januari 2024 met diverse bijlagen (waaronder het jaarverslag 2022, een overzicht met bankafschrijvingen waarop de aangifte ziet, mutaties van de bankrekeningen van verdachte en het verslag van bevindingen van de werkgroep financiën), p. 7-143;
- het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 juni 2025, p. 227-241;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 mei 2026.
Nadere bewijsoverweging
De bekennende verklaringen van verdachte komen kort samengevat op het volgende neer.
Acht maanden na mijn aantreden als penningmeester viel een nieuwe pas van de Rabobank-rekening op mijn deurmat. Indertijd had ik veel eigen en gezamenlijk geld van mij en van mijn vriendin vergokt. Ik loog daarover tegen mijn vriendin. Ik heb de verleiding niet kunnen weerstaan om eenmalig iets van de vereniging te pakken om het door mij vergokte geld terug te verdienen. Dat ging mis en het door mij verduisterde bedrag is hoger opgelopen. Ik moest doorgaan om het terug te krijgen. Toen de Rabobank-rekening van de tennisvereniging leeg was ben ik verdergegaan met het geld van de tennisvereniging op de ING-rekening. Als penningmeester had ik als enige toegang tot de Rabobank-rekening. De administratie heeft nooit vragen gesteld. Aan de kascontrolecommissie heb ik een jaarrekening voor het jaar 2022 laten zien met daarop een onjuist bedrag bij de post “liquiditeit”. Het overzicht met 124 transacties, data en bedragen op pagina 52 tot en met 59 van het strafdossier klopt. In totaal heb ik voor € 454.455,- van de tennisvereniging vergokt. Dit geld is opgegaan aan crypto-investeringen en gokplatforms. Bij de crypto-investeringen maakte ik gebruik van “leverage trading” met een fictieve inzet. Die methode heeft meer weg van gokken dan van investeren. Toen het geld van de tennisvereniging bijna op was, kwam het besef dat het terugbetalen niet meer ging lukken. Ik had een afscheidsbrief geschreven omdat ik een einde aan mijn leven wilde maken. Vervolgens heb ik alles bekend. Met mijn vader ben ik naar de voorzitter van de tennisvereniging gegaan. De crypto-rekeningen en ledgers zijn leeg. Op een paar tientjes na is al het geld van de tennisvereniging weg.
De rechtbank heeft verdachte ter terechtzitting bevraagd en zijn verklaringen getoetst. De antwoorden van verdachte zijn coherent, gedetailleerd en worden ondersteund door gegevens die zijn verkregen uit het onderzoek van de politie en door de bevindingen van de financiële werkgroep van de tennisvereniging. De rechtbank komt tot de conclusie dat verdachte betrouwbaar heeft verklaard. De rechtbank zal de verklaring van verdachte daarom gebruiken voor het bewijs.
Partiële vrijspraak
De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie en van de verdediging, dat verdachte moet worden vrijgesproken voor het onderdeel “uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking” omdat verdachte als bestuurder niet in een gezagsverhouding stond tot de tennisvereniging.
De bewezenverklaring
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
in de periode van 29 januari 2022 tot en met 8 augustus 2023 te Vught,
opzettelijk geldbedragen van in totaal ongeveer 454.450 euro, toebehoorde aan [slachtoffer] en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
De strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie eist dat een maximale werkstraf van 240 uren wordt opgelegd, evenals een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit dat bij het bepalen van de straf rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn (proces)houding. Er is ook sprake van een ouder feit. De verdediging bepleit dat de zaak moet worden afgedaan met een straf waarbij verdachte niet naar de gevangenis hoeft.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich gedurende anderhalf jaar schuldig gemaakt aan de verduistering van een zeer aanzienlijk geldbedrag van een sportvereniging. Verdachte heeft het vertrouwen van de (leden van) de tennisvereniging beschaamd. Bij het aantreden van verdachte als penningmeester was de tennisvereniging financieel meer dan gezond. Bij het uittreden van verdachte als penningmeester had de tennisvereniging door toedoen van verdachte acute financiële problemen. Het geld voor geplande investeringen was verdwenen.
Uit het strafblad van verdachte van 30 maart 2026 blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 30 april 2026, de behandelbrief van Trubendorffer d.d. 14 november 2023 en de brieven van psychiater drs. J.M. Bovendeerd d.d. 22 januari 2025 en mei 2026. Uit het reclasseringsrapport en de brieven volgt dat verdachte is gediagnostiseerd met een gokverslaving en alcoholproblematiek. Verdachte heeft zich vanaf 14 augustus 2023 laten behandelen voor zijn verslavingen, die inmiddels onder controle lijken te zijn. Zowel de gokverslaving als de alcoholproblematiek zijn inmiddels in remissie. Verdachte volgt nog vervolgbehandelingen. Dat zal nog lang blijven doorlopen, er zit geen einddatum aan. De reclassering schat het recidiverisico op ‘laag’ en adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Indien de rechtbank een gevangenisstraf oplegt, gelden voor verdachte dezelfde negatieve gevolgen als voor anderen, waaronder het mogelijke verlies van de woning, baan en de negatieve gevolgen voor het gezin. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor een taakstraf.
Verdachte is bij vonnis van deze rechtbank van 2 mei 2025 toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (hierna: WSNP). De WSNP is uitgesproken voor een verlengde duur van 42 maanden vanaf die beslissing.
Na het bewezenverklaarde feit is verdachte tot twee keer toe zijn baan verloren. Verdachte werkt inmiddels als casemanager in de verslavingszorg. De werkgever verklaart positief over verdachte en zijn inzet. Behoudens de wettelijke beslagvrije voet, draagt verdachte zijn salaris af aan de WSNP-bewindvoerder ten behoeve van de schuldeisers.
De rechtbank houdt er enerzijds rekening mee dat het strafbare feit onder invloed van een verslaving is begaan, maar anderzijds ook dat verdachte zichzelf in die positie heeft gebracht door penningmeester te worden terwijl hij al verslaafd was en al het nodige privévermogen had vergokt.
Gelet op het aanzienlijke bedrag dat door verdachte is verduisterd, acht de rechtbank het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf als uitgangspunt passend en geboden. De rechtbank zal daar niettemin van afzien vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat verdachte een prima salaris verdient en dat de tennisvereniging er belang bij heeft dat verdachte zijn baan kan behouden om zijn schulden verder in te lossen.
Alles afwegende zal de rechtbank verdachte de maximale taakstraf van 240 uren opleggen, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien verdacht deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht. Verder zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Daarmee volgt de rechtbank de eis van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Na een mondelinge eiswijziging ter terechtzitting vordert de tennisvereniging (terug)betaling van het door verdachte verduisterde bedrag in hoofdsom van € 453.955,00, minus de tot op heden vergoedde schade ad € 25.680,- oftewel een bedrag van € 428.274,70.
De tennisvereniging licht toe dat zij weliswaar voor deze vordering op 22 november 2023 al een civielrechtelijk vonnis heeft verkregen, maar dat dit vonnis door het WSNP-traject “niets meer waard is”. De tennisvereniging is geen partij geweest bij de toelatingsprocedure en heeft daarin naar eigen zeggen niet kunnen opkomen voor haar positie als schuldeiser. Met een nieuw vonnis wil de tennisvereniging bevestigd krijgen dat het verduisterde bedrag moet worden terugbetaald.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering kan worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De ingestelde vordering wordt niet betwist. De verdediging stelt zich evenwel op het standpunt dat de tennisvereniging al beschikt over een onherroepelijk vonnis waarin dezelfde vordering is toegewezen. Verdachte heeft het toelatingsvonnis bovendien zo opgevat dat de schone lei ook zal gelden voor de schuld aan de tennisvereniging. Volgens verdachte is de WSNP-rechter daar ook vanuit gegaan, daarom heeft het WSNP-traject een duur van 42 maanden in plaats van de gebruikelijk 18 maanden. Dat die discussie nu via de achterdeur nog een keer wordt opgeworpen is volgens de verdediging in strijd met het systeem van de wet. De vordering moet daarom worden afgewezen.
In het WSNP toelatingsvonnis van 2 mei 2025 is over de schuld van verdachte aan de tennisvereniging het volgende overwogen:
“2.8 Het is evident dat de schuld aan de tennisvereniging niet te goeder trouw is ontstaan. Dit wordt niet betwist door verzoeker. Verzoeker doet een beroep op de zogenaamde hardheidsclausule. Op grond van artikel 288 lid 3 FW kan een verzoek wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden onder controle heeft gekregen en een wending ten goede is ontstaan.
2.9
De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is en oordeelt dat verzoeker een wending ten goede heeft doorgemaakt. Verzoeker heeft, aan de hand van (medische) stukken genoegzaam aangetoond dat de verslaving onder controle is en dat er sprake is van een stabiele situatie. (…)
2.10
De rechtbank is – gelet op het bovenstaande – van oordeel dat verzoeker kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, met dien verstande dat de termijn van de schuldsaneringsregeling (met toepassing van art. 349 a lid 1 Fw) wordt bepaald op 42 maanden. Van verzoeker wordt, gelet op de aard van de schuld aan de tennisvereniging, een langduriger inspanning gevraagd om tot sanering van de schulden te komen.”
Van belang is ook artikel 358 lid 4 van de Faillissementswet en de ‘Verklaring verplichtingen in de schuldsaneringsregeling’ die door verdachte op de dat van de WSNP-toelatingszitting is ondertekend. Deze verklaring is benoemd in r.o. 2.12 van het WSNP-toelatingsvonnis en daar kennelijk als bijlage aan gehecht. De verklaring luidt:
“Verklaring verplichtingen in de schuldsaneringsregeling
Ik heb schulden. Deze schulden kan ik niet meer betalen. Ik wil deze situatie veranderen. Daarom verzoek ik toelating tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). Ik weet dat ik me, als ik word toegelaten tot de WSNP, in beginsel 18 maanden lang aan een aantal heel strenge regels moet houden. Als ik me gedurende de WSNP aan alle regels houd, ben ik daarna van al mijn oude schulden af (dan krijg ik “de schone lei”). Dat geldt niet voor studieschulden en ook niet voor de meeste schulden die zijn ontstaan door het plegen van een strafbaar feit. Ik weet dat die schulden gewoon blijven bestaan.”
Over het standpunt van de tennisvereniging dat het eerder verkregen vonnis “niets meer waard is” overweegt de rechtbank dat de executie van dit vonnis door het aanvangen van de WSNP slechts is geschorst (artikel 301 lid 2 Faillissementswet). Daarmee is niet gezegd dat dit vonnis niet alsnog/opnieuw ten uitvoer kan worden gelegd na afloop van de WSNP. Dat zal afhangen van de vraag of verdachte door de WSNP-rechter in september 2029 de schone lei krijgt toegekend, respectievelijk of de schone lei dan ook geldt voor de schuld aan de tennisvereniging. De strafrechter treedt niet in dat oordeel. Het is aan de WSNP-rechter om te bepalen of een schone lei wordt toegekend.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de tennisvereniging geen belang heeft bij een herbeoordeling van haar vordering (zie artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek). De tennisvereniging zal daarom in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Toepasselijke wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 321 Wetboek van Strafrecht.
verduistering;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straffen:
een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;
een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.F.N. van Schaijk, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. E.C.L. Pechaczek, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier,
en is uitgesproken op 22 mei 2026.