Rechtbank Oost-Brabant, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOBR:2026:4537

Op 25 June 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 01.084068.24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:4537. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
01.084068.24
Datum uitspraak:
25 June 2026
Datum publicatie:
25 June 2026

Indicatie

Uitgaansgeweld in centrum Eindhoven. Veroordeling zware mishandeling na uitdelen keiharde vuistslag tegen hoofd reeds aangeslagen slachtoffer. Gedateerd incident met overschrijding redelijke termijn. Oplegging taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf. Geen noodweer (exces). Benadeelde partij NO in vordering na verweren verdediging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.084068.24]

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.084068.24

Datum uitspraak: 25 juni 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[01.084068.24] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 mei 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 17 februari 2024 te Eindhoven

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een kaakfractuur en/of een neusbeenfractuur en/of een gescheurd/gebroken jukbeen en/of verwondingen aan lip en/of tong (welke moesten worden gehecht), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] (meermalen) (met geschoeide voet en/of met kracht) tegen diens hoofd en/of tegen andere lichaamsdelen te schoppen en/of te trappen en/of (met gebalde vuist en/of met kracht) tegen diens hoofd en/of tegen andere lichaamsdelen te slaan en/of te stompen;

subsidiair:

hij op of omstreeks 17 februari 2024 te Eindhoven, openlijk, te weten op of nabij het Catharinaplein, in elk geval op of aan een openbare weg (ten aanschouwe van een of meer anderen), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het (meermalen) (met gebalde vuist(en)) slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of tegen andere lichaamsdelen van die [slachtoffer] en/of (met geschoeide voet(en)) schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of tegen andere lichaamsdelen van die [slachtoffer] ;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.

Aan de orde is een geweldsincident in het uitgaansgebied van Eindhoven waarbij verdachte en zijn vriend, tevens medeverdachte, [medeverdachte] betrokken zijn geweest en waarbij het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou hebben opgelopen, waaronder meerdere botbreuken in het aangezicht. De betrokkenheid van verdachte is in strafrechtelijke zin vertaald in het (mede)plegen van zware mishandeling (primair) dan wel openlijke geweldpleging (subsidiair).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft tot een bewezenverklaring van het medeplegen van zware mishandeling gerekwireerd. De officier van justitie heeft hierbij uitdrukkelijk aangegeven

dat hij medeverdachte [medeverdachte] niét als medepleger aanmerkt.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich niet concludent over de bewijsvraag uitgelaten. Zij

heeft volstaan met de opmerking dat er geen vaststellingen voor het medeplegen van zware mishandeling mogelijk zijn en dat dan de vraag voorligt of verdachte als pleger hiervan

kan worden aangemerkt.

Het oordeel van de rechtbank.

t.a.v. 01.055828.24

Ter bevordering van de leesbaarheid heeft de rechtbank hierna medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer [slachtoffer] telkens aangeduid met [medeverdachte] respectievelijk [slachtoffer] .

Voordat de rechtbank het geweldsincident zal ontleden om de betrokkenheid van verdachte

te duiden, zal de rechtbank eerst het door [slachtoffer] opgelopen lichamelijk letsel bespreken. De kwalificatie van dit letsel is immers bepalend voor een eventuele bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde (mede)plegen van zware mishandeling.

Zwaar lichamelijk letsel

Voor de vraag of van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht sprake is gelden volgens bestendige jurisprudentie als algemene gezichtspunten

de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit.

De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen hetgeen algemene ervaringsregels omtrent die gezichtspunten leren.

Voor wat betreft het uitzicht op herstel is het volgende nog van belang. Hiervoor geldt

– ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden – dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de toelichting op de vordering tot schadevergoeding, vast dat [slachtoffer] als gevolg van het geweldsincident een dubbele kaakbreuk, een gebroken neus, een gescheurde lip en een gescheurde tong heeft opgelopen.

Voor de gescheurde lip en tong bleken hechtingen noodzakelijk. Verder is gebleken dat door littekensweefsel op de tong het spraak- en smaakvermogen van [slachtoffer] is aangetast en

gevoeligheid voor koud en warm is ontstaan.

Toetsend aan de hiervoor weergegeven algemene gezichtspunten kwalificeert de rechtbank

het samenstel van het door [slachtoffer] lichamelijk letsel als zwaar lichamelijk letsel. Dit is ook overigens niet door de verdediging betwist.

Het geweldsincident

De rechtbank heeft voorafgaand aan de terechtzitting de camerabeelden van het geweldsincident, vastgelegd onder bestandsnaam 2024-02-17T01_59_577670000Z,

met een afspeeltijd van 30:02 minuten, meerdere keren bekeken. Deze beelden zijn

ook ter terechtzitting afgespeeld. De rechtbank neemt de door haar waargenomen

beelden tot uitgangspunt bij de beoordeling van het geweldsincident.

In dit verband is van belang dat verdachte zijn herkenning op de beelden heeft bevestigd.

De rechtbank beperkt de gezamenlijke betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte] bij het op

[slachtoffer] toegepaste geweld tot de goed zichtbare en niet voor meerdere uitleg vatbare beelden vanaf het moment dat [slachtoffer] en verdachte in een worsteling op de grond belanden en [medeverdachte] nagenoeg gelijktijdig over hen heen stapt (vanaf 22:11) tot het moment dat [medeverdachte] zich

van het incident distantieert (22.19).

In deze tijdspanne ziet de rechtbank dat verdachte zich na de val direct opricht en in een geknielde houding een slaande beweging met zijn linkervuist in de richting van het hoofd van de op de grond liggende [slachtoffer] maakt en dat [medeverdachte] nagenoeg gelijktijdig een trappende/ schoppende beweging met zijn rechtervoet in de richting van de rug van [slachtoffer] maakt (22:13). Vervolgens is te zien dat verdachte met zijn linkervuist een rake klap tegen het hoofd van de inmiddels gehurkte [slachtoffer] uitdeelt (22:14) gevolgd door een trappende/schoppende beweging met zijn linkervoet in de richting van het hoofd/ bovenlichaam van [slachtoffer] (22:15). Verdachte stapt vervolgens over de nog gehurkte [slachtoffer] heen (22:17) en neemt enkele meters afstand (22:18). [medeverdachte] distantieert zich van het incident (22:19). De rechtbank kwalificeert deze handelingen als openlijke geweldpleging door verdachte en [medeverdachte] , waarbij zij over en weer verantwoordelijk worden gehouden voor elkanders handelingen.

De rechtbank houdt [medeverdachte] echter niet verantwoordelijk voor het aansluitend door verdachte

op [slachtoffer] uitgeoefende geweld. Zoals zojuist besproken distantieerde [medeverdachte] zich van het incident (22:19) en nam verdachte enige meters afstand (22:18). Echter, dan is te zien dat

verdachte stopt met lopen en zijn blik op [slachtoffer] richt (22:19), die zichtbaar aangeslagen overeind komt (22:20). Verdachte loopt terug naar [slachtoffer] , die op dat moment zijwaarts met

de rug naar hem staat gekeerd. Vervolgens is te zien dat verdachte zijn rechterarm naar achteren strekt en in een vloeiende beweging een harde vuistslag met zijn rechterhand

tegen de rechter zijkant van het hoofd van [slachtoffer] uitdeelt die daarop als een slappe doek voorover gestrekt neergaat met de linkerkant van zijn hoofd tegen de grond (22:20-22:23).

De rechtbank beschouwt dit geweld als een evidente eenmansactie van verdachte geheel losstaand van de eerdere gezamenlijke en reeds beëindigde geweldpleging. Dit betekent

dat de rechtbank verdachte als enkele pleger van deze geweldshandeling aanmerkt.

Verantwoordelijke voor zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer]

De rechtbank acht aannemelijk dat [slachtoffer] het hiervoor besproken zwaar lichamelijk letsel

door deze enkele vuistslag van verdachte tegen zijn hoofd en de daarop volgende val met zijn hoofd op de grond heeft opgelopen. [slachtoffer] was hiervoor zichtbaar aangeslagen overeind gekomen na het eerder op hem uitgeoefende geweld en stond zodanig gepositioneerd dat hij verdachte en de door hem uitgedeelde vuistslag niet zag aankomen en deze vuistslag tegen het hoofd aldus volkomen onverwachts incasseerde. Gezien de armbeweging van verdachte en gegeven het feit dat hij in het verleden aan kickboksen heeft gedaan, is de conclusie gerechtvaardigd dat de vuistslag met dusdanig veel kracht is uitgedeeld dat de op dat moment aangeslagen en nietsvermoedende [slachtoffer] knock-out en dus in bewusteloze toestand met zijn hoofd op de grond terecht is gekomen, met het hiervoor beschreven letsel tot gevolg.

Naar het oordeel van de rechtbank ging de hieraan voorafgaande gezamenlijke geweldpleging

op [slachtoffer] , zoals eerder beschreven, niet gepaard met een dusdanige kracht en intensiteit dat dit het bij [slachtoffer] opgelopen lichamelijk letsel zonder meer verklaart. De rechtbank betrekt hierbij dat verdachte die betreffende geweldshandelingen met zijn linkerhand en linkervoet heeft begaan (22:11-22:15), terwijl uit andere beelden onmiskenbaar volgt dat hij rechtshandig

is.

Opzet op zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte dat doel heeft beoogd. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake.

Dat ligt evenwel anders voor het aannemen van voorwaardelijke opzet. Hiervan is sprake indien verdachte bij zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer]

zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregel aanmerkelijk is te achten. Hieronder moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Bij de beantwoording van de vervolgvraag of de aanmerkelijke kans ook bewust is aanvaard, spelen de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht eveneens een rol. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm als zozeer gericht op een bepaald gevolg zijn dat het – behoudens contra-indicaties voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank kan hierover kort zijn. Verdachte heeft [slachtoffer] een keiharde vuistslag tegen het

hoofd gegeven terwijl deze net aangeslagen overeind was gekomen van kort daarvoor op hem uitgeoefende geweld. Verder is van belang dat [slachtoffer] de door verdachte uitgedeelde vuistslag niet zag aankomen en hij deze klap tegen zijn hoofd totaal onverwacht incasseerde met als gevolg een vrije val met het hoofd tegen de grond. Onder deze omstandigheden, waarbij de rechtbank mede betrekt het gegeven dat verdachte in verleden aan kickboksen heeft gedaan, bestond naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Uit de gedecideerde en doelgerichte wijze waarop verdachte de vuistslag heeft uitgedeeld leidt de rechtbank voorts af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

Dit betekent dat de rechtbank de primair tenlastegelegde zware mishandeling met verdachte als enkele pleger bewezen acht, zoals hierna uitgeschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

primair:

op 17 februari 2024 te Eindhoven aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een kaakfractuur en een neusbeenfractuur en verwondingen aan lip en tong (welke moesten worden gehecht), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met gebalde vuist en met

kracht tegen diens hoofd te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen nader worden uitgewerkt in

een aanvulling op dit verkort vonnis als daartegen hoger beroep wordt ingesteld

(artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).

De strafbaarheid van het feit.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging doet een beroep op noodweer. Verdachte werd als eerste aangevallen door [slachtoffer] . Verdachte wilde zich onttrekken, maar vreesde voor geweld van [slachtoffer] tegen zijn vriendin en wilde zijn vriendin beschermen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt dat er geen sprake was van een noodweersituatie, omdat er geen noodzaak was tot verdediging. Dat verdachte zijn vriendin wilde beschermen is niet aannemelijk omdat hij daarover niets bij de politie heeft verklaard.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen.

De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Op de camerabeelden is te zien dat [slachtoffer] op de grond ligt en verdachte over hem heen stapt. Verdachte neemt vervolgens enige meters afstand van [slachtoffer] . Daarna stopt verdachte met lopen en richt zijn blik op [slachtoffer] . [slachtoffer] komt op dat moment overeind, zichtbaar aangeslagen door het eerder op hem uitgeoefende geweld. De vriendin van verdachte loopt naar [slachtoffer] toe en geeft hem terwijl hij opstaat en vooruit strompelt een aantal keer een duw. Vervolgens slaat verdachte hem met gebalde vuist tegen het hoofd.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van [slachtoffer] niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de vriendin van verdachte. Uit niets is gebleken dat zijn vriendin bescherming tegen [slachtoffer] nodig had. Immers [slachtoffer] staat te wankelen op zijn benen en maakt geenszins de indruk dat hij de vriendin van verdachte gaat aanvallen.

Het verweer wordt verworpen.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn aldus geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging doet subsidiair een beroep op noodweerexces. Verdachte werd geconfronteerd met geweld en heeft daarop gereageerd. Het was een hectische situatie

en het ging heel snel.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie (zie voorgaand), zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.

Het verweer wordt verworpen.

Er zijn aldus geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie. (bijlage)

De officier van justitie heeft de volgende straf gevorderd:

-een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 178 dagen

voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

-een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft de oplegging van een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek, bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Ernst feit

Verdachte heeft zich tijdens een geweldsincident schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Hij heeft door het uitdelen van een keiharde vuistslag tegen het hoofd van het slachtoffer diverse botbreuken in het aangezicht en een gespleten lip en tong veroorzaakt. Het slachtoffer was net aangeslagen opgestaan van een net daarvoor tegen hem gepleegde geweldpleging en had op het moment van de door verdachte uitgedeelde klap geen zicht

op verdachte. Het slachtoffer had dus geen enkele kans om zich tegen de klap te wapenen

en ging voorover gestrekt met het hoofd tegen de grond. De rechtbank kan de beelden

van dit geweld niet anders duiden dan ‘het klaren van een klus’.

Verdachte heeft door zijn gewelddadige handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit aangetast.

Het geweld moet een grote indruk op hem hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan

hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij/slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is en dat het spraak-

en smaakvermogen blijvend is aangetast.

Het voorval vond plaats tijdens het uitgaan in het uitgaanscentrum van Eindhoven en op beelden is te zien dat verdachte zich kort voor het geweldsincident vervelend en uitdagend tegen anderen gedroeg, kennelijk op zoek een confrontatie die dan ook volgde.

Een in het openbaar gepleegd delict als het onderhavige veroorzaakt ook veel maatschappelijke onrust en leidt tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid in

de samenleving en met name onder het uitgaanspubliek, toevallige passanten die ongewild getuige van geweld worden. Zo wordt een leuk en zorgeloos avondje abrupt verpest door geweld en het zal sommigen ervan weerhouden zich nogmaals op een nachtelijk tijdstip in het uitgaansgebied te begeven.

Verdachte verkeerde tijdens het plegen van het feit onder invloed van alcohol, waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag tijdens het uitgaan kende.

Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om al deze gevolgen. Hij heeft ter terecht-zitting ook niet ten volle de verantwoordelijkheid voor zijn kwalijke gedrag genomen of welgemeend spijt betuigd.

De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Strafblad

Het is niet voor het eerst dat verdachte voor uitgaansgeweld met politie en justitie in aanraking is geweest. Dit heeft ook geresulteerd in enkele veroordelingen, waaronder meest recent op 15 oktober 2020 en 11 april 2022, waarbij taakstraffen met in één geval tevens

een korte gevangenisstraf zijn opgelegd. Deze straffen hebben verdachte er niet van weerhouden om zich op 17 februari 2024 weer aan uitgaansgeweld te bezondigen.

Matigende factoren

Sinds het tijdstip waarop het door verdachte gepleegde geweldsdelict heeft plaatsgevonden is geruime tijd verstreken, te weten ruim 26 maanden, terwijl hij voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Verdachte lijkt sindsdien zijn leven op diverse leefgebieden te hebben verbeterd, zoals hierna uit het rapport van de reclassering volgt.

Redelijke termijn.

In deze zaak is de redelijke termijn met circa 4,5 maanden overschreden. De rechtbank zal dit als strafverlagend meenemen bij de op te leggen straf.

Rapport reclassering d.d. 1 mei 2026

De reclassering schetst positieve ontwikkelingen bij verdachte tijdens het lopende reclasseringstoezicht in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis. Dit schorsingstoezicht werd voortijdig positief afgerond. Er valt verder te lezen dat

verdachte de gedragsinterventie alcohol en geweld heeft afgerond en dat hij bewust is geraakt van de verhoogde kans op agressiegedrag door alcoholgebruik. Verdachte is

volgens de reclassering inmiddels al 2,5 jaar abstinent van alcohol en drugs en hij is

gemotiveerd om dit vol te houden. De reclassering benoemt een aantal beschermende

factoren zoals stabiele huisvesting, een goede dagbesteding (eigen klusbedrijf), financiën, een stabiele gezinssituatie en steun vanuit zijn netwerk. De reclassering schat het risico op recidive en op letsel in als laag en adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.

De rechtbank leidt uit de inhoud van dit advies af dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte zich zodanig in positieve zin hebben gewijzigd, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gedrag van verdachte zich ten goede zal keren. De rechtbank zal ook dit in het voordeel van verdachte meewegen in de strafoplegging.

De strafoplegging

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het uitgangspunt voor zware mishandeling met schoppen/trappen tegen het hoofd is een gevangenisstraf van 6 maanden.

Gelet op het inmiddels forse tijdsverloop sinds het geweldsdelict, de overschrijding van

de redelijke termijn en de positieve inhoud van het rapport van de reclassering acht de rechtbank een terugkeer van verdachte naar de gevangenis niet passend of geboden.

Wel is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet

kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan

een geheel voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Deze voorwaardelijke straf moet verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten

te plegen.

Daarnaast acht de rechtbank als voelbare sanctie een taakstraf van 200 uren subsidiair

100 dagen hechtenis op zijn plaats.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de aard en ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en deze straf meer recht doet aan de hiervoor betrokken omstandigheden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Aan de orde is een op 5 juni 2026 gedateerd verzoek tot schadevergoeding van een bedrag van € 32.588,- voor immateriële schade.

De rechtbank en de verdediging hebben dit verzoek tot schadevergoeding eerst op 10 juni 2026, dus daags voor de zitting, ter kennisneming ontvangen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met een eventuele matiging afhankelijk van het vastgestelde lichamelijk letsel,

met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met vermeerdering van de wettelijke rente.

De verdediging heeft de vordering op meerdere onderdelen inhoudelijk en beargumenteerd betwist. Zo is het gestelde hersenletsel ter discussie gesteld alsmede het causale verband tussen diverse gestelde klachten en het bewezenverklaarde feit. De hierop gegeven toelichting namens de benadeelde partij heeft deze twistpunten niet eenduidig opgehelderd. Aldus is sprake van een vordering die qua onderbouwing tekortschiet en vragen oproept.

De rechtbank acht zich bij deze stand van zaken niet verzekerd dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid naar voren te brengen.

De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is een schriftelijke conclusiewisseling tussen de raadsvrouw van de benadeelde partij en de verdediging nodig om alle door laatstgenoemde opgeworpen twistpunten, waaronder het gestelde hersenletsel en de causaliteit tussen diverse gestelde klachten en het bewezenverklaarde feit, goed te kunnen beoordelen.

Dit betekent dat de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 302 van Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank.

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair

zware mishandeling

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

t.a.v. primair:

Een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een proeftijd van 2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Heft op het tegen verdachte verleende (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Beslissing

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M. Rinzema, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. I.C. Meuris, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 25 juni 2026.