Rechtbank Oost-Brabant, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOBR:2026:4538

Op 25 June 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 01.055828.24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:4538. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
01.055828.24
Datum uitspraak:
25 June 2026
Datum publicatie:
25 June 2026

Indicatie

Uitgaansgeweld in centrum Eindhoven. Veroordeling openlijke geweldpleging en wederspanningheid. Gedateerd incident met overschrijding redelijke termijn. Oplegging taakstraf met voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden. Geen noodweer. Benadeelde partij NO in vordering na verweren verdediging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer vordering: 0103294222 Parketnummers: 01.055828.24 en 01.287139.25 (ter terechtzitting gevoegd) [verdachte]

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummers: 01.055828.24 en 01.287139.25 (ter terechtzitting gevoegd)Parketnummer vordering: 01.032942.22

Datum uitspraak: 25 juni 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1995] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2026.

Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte/veroordeelde, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van telkens 15 mei 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

t.a.v. 01-055828-24 primair:

hij op of omstreeks 17 februari 2024 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een kaakfractuur en/of een neusbeenfractuur en/of een gescheurd/gebroken jukbeen en/of verwondingen aan lip en/of tong (welke moesten worden gehecht) heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] (meermalen) met geschoeide voet en/of met kracht) tegen diens hoofd en/of tegen andere lichaamsdelen te schoppen en/of te trappen en/of (met gebalde vuist en/of met kracht) tegen diens hoofd en/of tegen andere lichaamsdelen te slaan en/of te stompen;

t.a.v. 01-055828-24 subsidiair:

hij op of omstreeks 17 februari 2024 te Eindhoven, openlijk, te weten op of nabij het Catharinaplein, in elk geval op of aan een openbare weg (ten aanschouwe van een of meer anderen), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het (meermalen) (met gebalde vuist(en)) slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of tegen andere lichaamsdelen van die [slachtoffer 1] en/of (met geschoeide voet(en)) schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of tegen andere lichaamsdelen van die [slachtoffer 1] ;

t.a.v. 01-287139-25:

hij op of omstreeks 6 juli 2025 te Eindhoven, zich met geweld en/of bedreiging met geweld,

heeft verzet tegen een of meer ambtenaren te weten, brigadier [slachtoffer 2] en/of hoofdagent [slachtoffer 3] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten werkzaam in de surveillancedienst in het uitgaansgebied Stratumseind en/of doende met aanhouding van hem, verdachte, door zich los te rukken en/of in een andere richting te bewegen dan de richting waarin verbalisant(en) hem tracht(ten) te brengen en/of door zijn spieren te spannen.;

De vordering na voorwaardelijke veroordeling. (bijlage 1)

De zaak met parketnummer 01.032942.22 is aangebracht bij vordering van 11 juni 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter 's-Hertogenbosch te

's-Hertogenbosch van 19 juni 2023.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.

De beschuldiging onder het parketnummer 01.055828.24 ziet op een geweldsincident in

het uitgaansgebied van Eindhoven waarbij verdachte en zijn vriend, tevens medeverdachte,

[medeverdachte] betrokken zijn geweest en waarbij het slachtoffer [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk

letsel zou hebben opgelopen, waaronder diverse breuken in het aangezicht. De betrokkenheid van verdachte is in strafrechtelijke zin vertaald in het (mede)plegen van zware mishandeling (primair) dan wel openlijke geweldpleging (subsidiair).

Het verwijt dat verdachte onder het parketnummer 01.287139.25 wordt gemaakt ziet op

verzet bij zijn aanhouding, in andere bewoordingen wederspannigheid.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft tot vrijspraak van het (mede)plegen van zware mishandeling

en tot bewezenverklaringen van openlijke geweldpleging en wederspannigheid gerekwireerd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de betrokkenheid van verdachte bij het geweldsdelict hooguit openlijke geweldpleging oplevert. Verdachte zou

dan ook van het (mede)plegen van zware mishandeling moeten worden vrijgesproken

De raadsman heeft zich niet over de tenlastegelegde wederspannigheid uitgelaten. De

rechtbank leidt daaruit af dat de raadsman zich in dat verband in bewijstechnische zin heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

t.a.v. 01.055828.24

Ter bevordering van de leesbaarheid heeft de rechtbank hierna medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer [slachtoffer 1] telkens aangeduid met [medeverdachte] respectievelijk [slachtoffer 1] .

De rechtbank heeft voorafgaand aan de terechtzitting de camerabeelden van het geweldsincident, vastgelegd onder bestandsnaam 2024-02-17T01_59_577670000Z,

met een afspeeltijd van 30:02 minuten, meerdere keren bekeken. Deze beelden zijn

ook ter terechtzitting afgespeeld. De rechtbank neemt de door haar waargenomen

beelden tot uitgangspunt bij de beoordeling van het geweldsincident.

In dit verband is van belang dat verdachte zijn herkenning op de beelden heeft bevestigd.

De rechtbank beperkt de betrokkenheid van verdachte bij het op [slachtoffer 1] toegepaste geweld tot

de goed zichtbare en niet voor meerdere uitleg vatbare beelden vanaf het moment dat [slachtoffer 1]

en [medeverdachte] in een worsteling op de grond belanden en verdachte nagenoeg gelijktijdig over

hen heen stapt (vanaf 22:11) tot het moment dat verdachte zich van het incident distantieert (22.19).

In deze tijdspanne ziet de rechtbank dat [medeverdachte] zich na de val direct opricht en in een geknielde houding een slaande beweging met zijn linkervuist in de richting van het hoofd van de op de

grond liggende [slachtoffer 1] maakt en dat verdachte nagenoeg gelijktijdig een trappende/schoppende beweging met zijn rechtervoet in de richting van de rug van [slachtoffer 1] maakt (22:13). Vervolgens

is te zien dat [medeverdachte] met zijn linkervuist een rake klap tegen het hoofd van de inmiddels gehurkte [slachtoffer 1] uitdeelt (22:14) gevolgd door een trappende/schoppende beweging met zijn linkervoet in de richting van het hoofd/ bovenlichaam van [slachtoffer 1] (22:15). [medeverdachte] stapt vervolgens over de nog gehurkte [slachtoffer 1] heen (22:17) en neemt enkele meters afstand (22:18). Verdachte distantieert zich van het incident (22:19).

De rechtbank stelt vast dat de hiervoor beschreven geweldshandelingen van verdachte

en [medeverdachte] deels gelijktijdig en deels zeer kort op elkaar volgend hebben plaatsgevonden,

terwijl het door hen uitgeoefende geweld op [slachtoffer 1] voor elkaar zichtbaar was. De rechtbank

kwalificeert deze handelingen als openlijke geweldpleging door verdachte en [medeverdachte] , waarbij zij over en weer verantwoordelijk worden gehouden voor elkanders handelingen.

De rechtbank houdt verdachte echter niet verantwoordelijk voor het aansluitend door [medeverdachte]

op [slachtoffer 1] uitgeoefende geweld. Zoals zojuist besproken distantieerde verdachte zich van het incident (22:19) en nam [medeverdachte] enige meters afstand (22:18). Echter, dan is te zien dat

[medeverdachte] stopt met lopen en zijn blik op [slachtoffer 1] richt (22:19), die zichtbaar aangeslagen overeind

komt (22:20). [medeverdachte] loopt terug naar [slachtoffer 1] , die op dat moment zijwaarts met de rug naar

hem staat gekeerd. Vervolgens is te zien dat [medeverdachte] zijn rechterarm naar achteren strekt

en in een vloeiende beweging een harde vuistslag met zijn rechterhand tegen de rechter

zijkant van het hoofd van [slachtoffer 1] uitdeelt die daarop voorover gestrekt neergaat met de linkerkant van zijn hoofd tegen de grond (22:20-22:23). De rechtbank beschouwt dit geweld als een evidente eenmansactie van [medeverdachte] geheel losstaand van de eerdere gezamenlijke en reeds beëindigde geweldpleging. Dit betekent dat verdachte niet als medepleger van de soloactie van [medeverdachte] kan worden aangemerkt.

De rechtbank acht aannemelijk dat [slachtoffer 1] het gestelde zwaar lichamelijk letsel door deze enkele vuistslag van [medeverdachte] tegen zijn hoofd en de daarop volgende val met zijn hoofd op de grond heeft opgelopen. [slachtoffer 1] was zichtbaar aangeslagen overeind gekomen na het eerder op hem uitgeoefende geweld en stond zodanig gepositioneerd dat hij [medeverdachte] en de door hem uitgedeelde vuistslag niet zag aankomen en deze vuistslag tegen het hoofd aldus volkomen onverwachts incasseerde. Gezien de armbeweging van [medeverdachte] en gegeven het feit dat [medeverdachte] in het verleden aan kickboksen heeft gedaan, is de conclusie gerechtvaardigd dat de vuistslag met dusdanig veel kracht is uitgedeeld dat de op dat moment aangeslagen en nietsvermoedende [slachtoffer 1] knock-out en dus in bewusteloze toestand met zijn hoofd op de grond terecht is gekomen, met onder meer diverse breuken in het aangezicht tot gevolg.

Naar het oordeel van de rechtbank ging de hieraan voorafgaande gezamenlijke geweldpleging

op [slachtoffer 1] , zoals eerder beschreven, niet gepaard met een dusdanige kracht en intensiteit dat dit het bij [slachtoffer 1] opgelopen het lichamelijk letsel zonder meer verklaart. De rechtbank betrekt hierbij dat [medeverdachte] die bewuste geweldshandelingen met zijn linkerhand en linkervoet heeft

begaan, (22:11-2:15) terwijl uit andere beelden onmiskenbaar volgt dat hij rechtshandig

is.

Kort en goed acht de rechtbank niet bewezen hetgeen aan verdachte primair is ten laste

gelegd. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde

openlijke geweldpleging, zoals hierna uitgeschreven.

t.a.v. 01.287139.25

Verdachte heeft ter terechtzitting de wederspannigheid erkend. Gezien het bewijstechnische standpunt van de raadsman (referte) en de bekennende verklaring van verdachte, komt de rechtbank zonder verdere bespreking van de inhoud van de overige redengevende bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van dit feit, zoals hierna uitgeschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

t.a.v. 01.055828.24 subsidiair:

op 17 februari 2024 te Eindhoven, openlijk, te weten op het Catharinaplein, ten aanschouwe van anderen, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het met gebalde vuisten slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of andere lichaamsdelen van die [slachtoffer 1] en met geschoeide voeten schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of tegen andere lichaamsdelen van die [slachtoffer 1] .

t.a.v. 01.287139.25:

op 6 juli 2025 te Eindhoven, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren te weten, brigadier [slachtoffer 2] en hoofdagent [slachtoffer 3] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten werkzaam in de surveillancedienst in het uitgaansgebied Stratumseind en doende met aanhouding van hem, verdachte, door zich los te rukken en

in een andere richting te bewegen dan de richting waarin verbalisanten hem trachtten te brengen en door zijn spieren te spannen.;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen nader worden uitgewerkt in

een aanvulling op dit verkort vonnis als daartegen hoger beroep wordt ingesteld

(artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).

De strafbaarheid van de feiten.

t.a.v. 01.055828.24 subsidiair:

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging doet een beroep op noodweer. De verdediging stelt dat verdachte zijn vriend, medeverdachte [medeverdachte] , wilde beschermen tegen een aanval van [slachtoffer 1] .

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen.

De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Verdachte maakt een trappende/schoppende beweging met zijn linkervoet in de richting van het hoofd/bovenlichaam van [slachtoffer 1] , terwijl deze [slachtoffer 1] op de grond ligt en medeverdachte [medeverdachte] zich in een geknielde houding naast [slachtoffer 1] bevindt en met zijn linker vuist richting [slachtoffer 1] een slaande beweging maakt.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de handelingen van verdachte, gelet op diens bedoeling en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag, niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. Uit het feitencomplex kan niet worden afgeleid dat de schop van verdachte richting [slachtoffer 1] gericht was op de noodzakelijke verdediging van zijn vriend.

Het verweer wordt verworpen.

t.a.v. 01.055828.24 subsidiair en 01.287139.25

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie. (bijlage 2)

De officier van justitie heeft de volgende straf gevorderd:

-een gevangenisstraf van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 76 dagen

voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de door de reclassering in haar

rapport van 25 mei 2026 geformuleerde bijzondere voorwaarden.

-een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft een gevangenisstraf voor de duur van het reeds ondergane voorarrest bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Ernst feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en wederspannigheid.

Beide feiten hebben plaatsgevonden tijdens het uitgaan in het uitgaanscentrum van Eindhoven.

Verdachte heeft tijdens de openlijke geweldpleging mede een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Het door verdachte en medeverdachte gezamenlijk uitgeoefende geweld moet een grote indruk op hem hebben gemaakt.

Op de camerabeelden is te zien dat er ten tijde van het geweld veel uitgaanspubliek aanwezig was. Deze omstanders waren ongewild getuige van geweldshandelingen. Het hoeft geen betoog dat hierdoor gevoelens van angst en onveiligheid bij deze passanten,

maar ook in de samenleving in het algemeen, worden versterkt. De door verdachte gepleegde wederspannigheid vond eveneens in het uitgaansgebied plaats en veroorzaakt

vergelijkbare negatieve emoties bij toevallige passanten maar bovenal bij de betrokken

verbalisanten die nu juist voor orde, rust en veiligheid tijdens het uitgaan moeten zorgen.

Getuige zijn van openlijke geweldpleging verpest voor velen wat een leuk en zorgeloos avondje uit had moeten zijn en weerhoudt sommigen ervan om zich nogmaals op een nachtelijk tijdstip in het uitgaansgebied te begeven.

Verdachte verkeerde tijdens het plegen van de feiten onder invloed van alcohol, waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag tijdens het uitgaan kende. Desondanks heeft hij bij deze gelegenheden toch weer alcohol gedronken.

Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om al deze gevolgen. Hij heeft ter terechtzitting ook niet ten volle zijn verantwoordelijkheid genomen dan wel op enigerlei wijze spijt betuigd.

De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Strafblad

Het is ook niet voor het eerst dat verdachte zich voor soortgelijke feiten voor de rechter moet verantwoorden. Op een hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 11

mei 2026 prijken meerdere veroordelingen gerelateerd aan uitgaansgeweld. Hierbij zijn onder meer taakstraffen en gevangenisstraffen met voorwaardelijke strafdelen, afzonderlijk maar ook gecombineerd, opgelegd. De onderhavige feiten zijn tijdens de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf gepleegd. Kortom: de eerder opgelegde straffen en kansen hebben kennelijk niet het gewenste effect gesorteerd.

Matigende factoren

De bijdrage van verdachte aan de openlijke geweldpleging is feitelijk beperkt gebleven

tot een enkele trap/schop in de richting van de rugzijde van het slachtoffer.

Sinds het tijdstip waarop de door verdachte gepleegde openlijke geweldpleging heeft plaatsgevonden is geruime tijd verstreken, te weten ruim 26 maanden. Sindsdien lijkt hij zijn leven op diverse leefgebieden te hebben verbeterd, zoals hierna uit het rapport van reclassering volgt.

Redelijke termijn

In deze zaak is bovendien de redelijke termijn met circa 4,5 maanden overschreden. De rechtbank zal dit als straf verlagend meewegen in de strafoplegging .

Rapport reclassering d.d. 25 mei 2026

De reclassering schetst een relatief positief beeld van verdachte tijdens het lopende reclasseringstoezicht in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis.

Hij houdt zich volgens de reclassering aan de gestelde voorwaarden, werkt goed mee aan het toezicht en komt gemaakte afspraken na. Daarnaast ziet de reclassering op meerdere leefgebieden vooruitgang. Zo heeft verdachte zijn behandeling goed doorlopen en beschikt hij over stabiele huisvesting, een gestructureerde dagbesteding en is er geen sprake van financiële problematiek. Hiermee lijkt hij op verschillende leefgebieden maatschappelijk geaccepteerde doelen na te streven, aldus de reclassering. Tegelijkertijd beschouwt de reclassering het middelengebruik en het psychosociaal functioneren nog als relevante risicofactoren.

De reclassering meldt dat verdachte in het kader van risicobeperking de training Alcohol

en Geweld en de gedragsinterventie CoVa+, gericht op middelengebruik en gedragsverandering, positief heeft afgerond. Verder heeft verdachte vrijwillig meegewerkt aan monitoring van zijn alcoholgebruik middels een alcoholband en zich bereid verklaard medewerking te verlenen aan de inzet van een alcoholmeter. Deze interventies zijn gericht op het verminderen en beheersen van alcoholgebruik en het terugdringen van risicogedrag.

De reclassering schat het risico op recidive en letsel telkens in als gemiddeld en adviseert

bij een deels voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling gericht op diverse soorten problematiek, een drugsverbod, een alcoholverbod en budgetbeer.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting gemotiveerd getoond en bereid verklaard om zich aan alle voorgestelde bijzondere voorwaarden te houden.

De rechtbank zal het advies van de reclassering in belangrijke mate laten doorklinken in de op te leggen straf.

De strafoplegging

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het uitgangspunt voor een openlijke geweldpleging zonder lichamelijk letsel is een taakstraf van 120 uren. Voor wederspannigheid zijn geen oriëntatiepunten voorhanden, maar het is de rechtbank ambtshalve bekend dat een dergelijk feit in zijn algemeenheid met een korte taakstraf

wordt gesanctioneerd.

Gelet op het relatief geringe aandeel van verdachte in de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging, de door de reclassering geschetste positieve ontwikkelingen van verdachte gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis, het belang van voortzetting van het reeds lopende reclasseringstoezicht, het inmiddels forse tijdsverloop sinds de openlijke geweldpleging en de daarmee samenhangende overschrijding van de redelijke termijn,

acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf van 128 uren waarvan 40 uur voorwaardelijk passend en geboden. Dit betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Het voorwaardelijk deel dient ertoe verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de door de reclassering in haar rapport van 25 mei 2026 voorgestelde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de aard en ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en deze straf meer recht doet aan de hiervoor betrokken omstandigheden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . (01.055824.24)

Aan de orde is een op 5 juni 2026 gedateerd verzoek tot schadevergoeding van een bedrag van € 32.588,- voor immateriële schade.

De rechtbank en de verdediging hebben dit verzoek tot schadevergoeding eerst op 10 juni 2026, dus daags voor de zitting, ter kennisneming ontvangen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met een eventuele matiging afhankelijk van het vastgestelde lichamelijk letsel,

met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met vermeerdering van de wettelijke rente.

De verdediging heeft de vordering op meerdere onderdelen inhoudelijk en beargumenteerd betwist, waaronder het causale verband tussen diverse gestelde klachten en het bewezenverklaarde feit. De hierop gegeven toelichting namens de benadeelde partij heeft deze twistpunten niet eenduidig opgehelderd. Aldus is sprake van een vordering die qua onderbouwing tekortschiet en vragen oproept.

De rechtbank acht zich bij deze stand van zaken niet verzekerd dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaak naar voren te brengen.

De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is een schriftelijke conclusiewisseling tussen de raadsman van de benadeelde partij en de verdediging nodig om alle door laatstgenoemde opgeworpen twistpunten, waaronder de causaliteit tussen diverse gestelde klachten en het bewezenverklaarde feit, goed te kunnen beoordelen. Dit betekent dat de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling (01.032942.22)

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen ziet de rechtbank aanleiding om in plaats van de tenuitvoerlegging van gevangenisstraf te gelasten, een taakstraf van na te melden duur.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 141 en 180 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen verdachte onder 01.055828.24 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde onder 01.055828.24 subsidiair en 01.287139.25 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

01.055828.24 subsidiair

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

01.287139.25

wederspannigheid

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

t.a.v. 01.055828.24 subsidiair en 01.287139.25:

Een taakstraf voor de duur van 128 uren subsidiair 64 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 40 uren

subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht. Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de verslavingsreclassering van Novadic-Kentron op het adres Dr. Poletlaan 74-74 te Eindhoven.

Ambulante behandeling. Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk na het ingaan van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, schuldenproblematiek en/of andere problematiek.

Verbod verdovende middelen. Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs)] en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Alcoholverbod. Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/ speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Budgetbeheer. Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan budgetbeheer.

De veroordeelde geeft gedurende de proeftijd de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

-meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs

ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

-meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het

zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

De rechtbank waardeert elke dag die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op 2 uur te verrichten arbeid.

Heft op het tegen verdachte verleende (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Beslissing

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (01.055828.24)

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, van 19 juni 2023 onder parketnummer 01.032942.22 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand: de tenuitvoerlegging van een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M. Rinzema, voorzitter,

mr. M.L.W.M. Viering en mr. I.C. Meuris, leden,

in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,

en is uitgesproken op 25 juni 2026.