Op 25 June 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 01.350817.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:4539. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: [01.350817.25]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.350817.25
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1983]
wonende te [adres 1]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 april 2026 en 11 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 februari 2026. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie op de terechtzitting van 11 juni 2026 gewijzigd.
Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 2 december 2025 te Eindhoven [slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik knijp jou een keer dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
T.a.v. feit 2 primair:
hij op of omstreeks 24 december 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten
[slachtoffer] van het leven te beroven, de keel heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt, (aldus) gedurende enige tijd de ademhaling heeft belet/belemmerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 2 subsidiair:
hij op of omstreeks 24 december 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten
[slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, de keel heeft dichtgeknepen/dichtgedrukt, (aldus) gedurende enige tijd de ademhaling heeft belet/belemmerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 2 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 24 december 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo,
[slachtoffer] heeft mishandeld, door de keel van voornoemde [slachtoffer] dicht
te knijpen/drukken;
T.a.v. feit 3:
hij op of omstreeks 24 december 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vermoord je. Ik vind je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Inleiding.
De ex-partner van verdachte, [slachtoffer] (hierna: slachtoffer) heeft aangifte gedaan van meerdere strafbare feiten die door verdachte zouden zijn gepleegd. Verdachte en slachtoffer hebben van maart 2009 tot oktober 2024 een relatie gehad. Uit hun relatie is een kind geboren. De aangifte van slachtoffer houdt onder andere in dat verdachte haar op 2 december 2025 heeft bedreigd (feit 1) in het bijzijn van hun tweejarige zoontje. Daarnaast zou verdachte op 24 december 2025 in het zwembad – ook in het bijzijn van hun zoontje – met beide handen enige tijd haar keel hebben dichtgeknepen (feit 2) en haar opnieuw hebben bedreigd (feit 3). Verdachte heeft deze feiten grotendeels bekend. Ten aanzien van het dichtknijpen van de keel heeft hij verklaard dat hij haar niet met beide handen, maar kort met een hand bij haar keel heeft vastgepakt.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaringen van de onder feit 1
en feit 3 tenlastegelegde verbale bedreigingen en de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot doodslag door verwurging. De officier van justitie heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat door 10 seconden met kracht met de duimen op het strottenhoofd
te drukken er een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bestond en dat verdachte dat gevolg welbewust heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet).
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van de onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde pogingen tot doodslag respectievelijk zware mishandeling bepleit
vanwege het ontbreken van een aanmerkelijke kans op die gevolgen. Voor wat betreft
de verbale bedreigingen (feit 1 en feit 3) en de mishandeling (feit 2 meer subsidiair) heeft hij
zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Feit 2 (poging doodslag, poging zware mishandeling, eenvoudige mishandeling)
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de aangifte van slachtoffer en de getuigenverklaring van [getuige] kan worden vastgesteld dat verdachte gedurende ongeveer 10 seconden met twee handen de keel van het slachtoffer heeft dichtgeknepen.
De rechtbank moet vervolgens beslissen of de handeling van verdachte poging doodslag, hetzij poging tot zware mishandeling, hetzij eenvoudige mishandeling oplevert.
Juridisch kader
Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van (voorwaardelijke) opzet op het overlijden van het slachtoffer, respectievelijk het toebrengen op zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer door zijn gedragingen zou hebben kunnen doden of bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou hebben kunnen aanbrengen. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Beoordeling
De rechtbank overweegt dat het dossier aanwijzingen bevat dat de handeling van verdachte als (relatief) beperkt in kracht en de intensiteit valt aan te merken.
Uit de LOEF-rapportage van 31 maart 2026 en het lichamelijk onderzoek dat in dat kader is verricht, volgt dat de op 25 december 2025 bij het slachtoffer mogelijk waargenomen onderhuidse bloeduitstorting links in de hals, welke zichtbaar was met forensisch licht, niet met zekerheid als bloeduitstorting kan worden getypeerd. Op de MRI-scan waren op deze locatie en in de hals verder geen inwendige letsels aanwezig. Indien de verkleuring aan de linkerzijde van de hals een bloeduitstorting betreft, dan kan deze zijn veroorzaakt door een stomp botsende krachtsinwerking (zoals slaan, vallen en/of stoten) of door een samendrukkende kracht op de hals. De mogelijke bloeduitstorting is niet levensbedreigend geweest en zal binnen enkele weken genezen.
De bij het lichamelijk onderzoek van 25 december 2025 vastgestelde gestuwde slijmvliesplooien blijken geen verband te houden met de huidverkleuring links in de hals. Bij herhaling van het keelonderzoek, bijna zes weken later, is door de KNO-arts namelijk dezelfde subtiele bevinding van de slijmvliesplooien beschreven. Deze bevinding is dus niet gerelateerd aan een krachtsinwerking op de hals.
Tot slot blijkt uit de rapportage dat als de bevinding in de hals (de mogelijke bloeduitstorting aan de linkerzijde van de hals) is ontstaan ten gevolge van verwurging van het slachtoffer, de handeling gekwalificeerd kan worden als lichte verwurging. Hierbij is aansluiting gezocht bij categorie 1 van de Plattner classificatie, een classificatiemethode beschreven om de gevaarzetting van niet-fatale verwurging te classificeren. (Voetnoot 1)
Gelet op deze informatie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat door het handelen van verdachte sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van slachtoffer. Evenmin kan worden vastgesteld dat daarmee sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij slachtoffer.
Verdachte wordt daarom vrijgesproken van zowel de poging tot doodslag als de poging tot zware mishandeling.
De rechtbank acht de tenlastegelegde eenvoudige mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht feit 1, feit 2 meer subsidiair en feit 3 wettig en overtuigend bewezen
op grond van de inhoud van de hierna opgesomde bewijsmiddelen afkomstig uit het eindprocesverbaal PL2100-2025289892 van politie Eenheid Oost-Brabant met sluitingsdatum 26 december 2025:
de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2026;
een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 24 december 2025 (p. 8-11);
een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 26 december 2025 (p. 33-37);
een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 24 december 2025 (p. 15-16).
Aangezien verdachte ten aanzien van deze feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met deze opgave van
de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hiervoor opgesomde
bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is
dat verdachte:
T.a.v. feit 1:
op 2 december 2025 te Eindhoven [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik knijp jou een keer dood".
T.a.v. feit 2 (meer subsidiair):
op 24 december 2025 te Geldrop [slachtoffer] heeft mishandeld, door de keel van voornoemde [slachtoffer] dicht te knijpen/drukken;
T.a.v. feit 3:
op 24 december 2025 te Geldrop [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "Ik vermoord je. Ik vind je";
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden (540 dagen), met aftrek van voorarrest, waarvan 442 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de door de reclassering in haar rapport van 18 mei 2026 geformuleerde voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar zouden moeten worden verklaard. Waar de reclassering heeft geadviseerd tot een locatieverbod van 500 meter rondom de woning van slachtoffer, heeft de officier van justitie verzocht verdachte te verbieden zich te bevinden in een straal van 1000 meter rondom de woning van slachtoffer.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft primair om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf overeenkomstig de duur van het voorarrest, met de geadviseerde bijzondere voorwaarden verzocht.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht om een gevangenisstraf overeenkomstig de duur van het ondergane voorarrest en een geheel voorwaardelijke taakstraf met de voorgestelde bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft meermaals zijn ex-partner bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Voor haar moet de vrees groot zijn geweest toen verdachte haar toesprak in het bijzijn van hun tweejarige zoontje. Het feit dat verdachte drie weken na de eerste ten laste gelegde verbale bedreiging slachtoffer daadwerkelijk heeft mishandeld, opnieuw in het bijzijn van hun zoontje, maakt het gedrag van verdachte des te kwalijker. Door zijn ex-partner te bedreigen en haar te mishandelen in aanwezigheid van hun kind heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op haar geestelijke en lichamelijke integriteit. Hij heeft agressief en ontoelaatbaar gedrag laten zien. De bedreigingen en het geweld moeten een grote indruk op het slachtoffer hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit zowel de toelichting op de vordering benadeelde partij als de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hun minderjarige zoontje getuige is geweest van het geweld van zijn vader tegen zijn moeder. Door aldus te handelen heeft verdachte ook zijn eigen kind in voornoemde situatie betrokken. Het meemaken van dergelijk geweld geeft bij een kind gevoelens van angst en onveiligheid. Dit geweld kan eveneens blijvende psychische schade veroorzaken. Verdachte heeft kennelijk geen oog gehad voor de impact van zijn handelen op zijn kind. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee en acht daarom een forse straf passend.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft de door hem gepleegde strafbare feiten in een vroeg stadium bekend. Zijn spijtbetuiging ter zitting komt de rechtbank echter niet zonder meer overtuigend voor, nu deze ook tenminste deels wordt ingegeven vanuit de door verdachte ervaren oorzaken en gevolgen van zijn handelen. De rechtbank houdt hier bij de oplegging van de straf rekening mee, met name ook bij het opleggen en nog nader te motiveren voorwaardelijk strafdeel.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 18 mei 2026. De reclassering schat het recidiverisico in als laag.
Anders dan de reclassering en met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit zowel het dossier als het verhandelde ter zitting een reëel gevaar van recidive blijkt. Gebleken is dat de ten laste gelegde feiten geen losstaande incidenten zijn, maar deel uitmaken van een gedragspatroon van verdachte jegens slachtoffer gedurende langere tijd. In een korte periode hebben relatief veel incidenten plaatsgevonden waarbij er sprake was van bedreiging en/of geweld, voortkomend uit de machteloosheid van betrokkene. Er is nog geen sprake van een omgangsregeling en verdachte ervaart daarover nog veel frustraties.
De op te leggen straf.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen.
De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, worden gekoppeld. Verdachte heeft zich bereid verklaard om alle voorgestelde bijzondere voorwaarden op te volgen.
Omdat er een ernstig gevaar van recidive is zal de rechtbank bepalen dat de gestelde voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging doodslag. Nu de rechtbank de onder feit 2 meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling bewezen acht, legt zij een lagere straf op dan door de officier van justitie gevorderd.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot een bedrag van € 145,86 bestaande uit vergoeding van materiële schade. De vordering bestaat daarnaast uit vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 7.187,50, omdat sprake is van lichamelijk letsel en een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. De benadeelde partij heeft gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal kan worden toegewezen met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, telkens vermeerderd met de wettelijke rente.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering bepleit vanwege – kort gezegd – het ontbreken van een rechtsgrond. In het uiterste geval zou het gevorderde bedrag aan smartengeld fors moeten worden gematigd.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte materiële schade (reiskosten) een bedrag van 145,86 euro, vermeerderd met
de wettelijke rente vanaf 25 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde immateriële schade en overweegt daartoe als volgt.
De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Onder verwijzing naar de LOEF-rapportage van 31 maart 2026 stelt de rechtbank vast dat onvoldoende vast is komen te staan dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit, te weten de mishandeling.
Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld. De rechtbank kan niet vaststellen dat de benadeelde partij door de door verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank kan evenmin vaststellen dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat de benadeelde partij door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft onvoldoende concrete gegevens overgelegd op basis waarvan de persoonsaantasting kan worden vastgesteld.
De benadeelde partij de gelegenheid geven om dit deel van de vordering verder te onderbouwen zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank verklaart dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2025
tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 primair en feit 2 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1, feit 2 meer subsidiair en feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
T.a.v. feit 2 (meer subsidiair):
mishandeling
T.a.v. feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf
T.a.v. feit 1, feit 2 meer subsidiair, feit 3:
Een gevangenisstraf voor de duur van 160 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (door de rechtbank vastgesteld op 100 dagen), waarvan 60 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
*Meldplicht. Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering van Novadic-Kentron op het adres Dr. Poletlaan 74-76 (040-2171200).
*Ambulante behandeling. Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Forensisch psychiatrische polikliniek de Omslag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na intake en acceptatie. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
*Contactverbod (tenzij toestemming reclassering). Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer] , geboren [1989] .
Een en ander met dien verstande dat onder dit contactverbod niet vallen contacten van of door tussenkomst van de advocaat van veroordeelde met genoemde persoon en van/door tussenkomst van Veilig Thuis, Plusteam Geldrop of soortgelijke instelling zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
*Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht). Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden:
-in een straal van 1.000 meter rondom de woning van [slachtoffer] te Geldrop;
-in/bij zwembad [adres 2] te Geldrop.
*Ambulante begeleiding. Dat de veroordeelde meewerkt aan een traject met Veilig Thuis en het plusteam Geldrop en zich zal houden aan aanwijzingen die hem in het kader van die begeleiding door of namens de instelling worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 14e Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Heft op het tegen verdachte verleende (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Beslissing
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 145,86 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige (immateriële schade) niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel.
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 145,86 euro (materiële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I.C. Meuris, voorzitter,
mr. M.L.W.M. Viering en mr. I.M. Rinzema, leden,
in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,
en is uitgesproken op 25 juni 2026.
Voetnoot
Voetnoot 1
Op basis van deze classificatiemethode kan de mate van ernst van de handeling verwurging worden ingedeeld in drie klassen (licht, matig en ernstig/levensbedreigend).