Rechtbank Oost-Brabant, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOBR:2026:5488

Op 29 July 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 01-177167-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOBR:2026:5488. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
01-177167-25
Datum uitspraak:
29 July 2026
Datum publicatie:
29 July 2026

Indicatie

Veroordeling voor belaging en verboden wapen- en munitiebezit tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest (414 dagen). Oplegging van een dadelijk uitvoerbaar contact- en locatieverbod. Uitgebreide strafmaatoverwegingen.

Uitspraak

Rechtbank Oost-Brabant

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 01-177167-25

Datum uitspraak: 29 juli 2026

Datum zitting: 15 juli 2026

Tegenspraak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1977] ,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .

Advocaat van de verdachte: mr. J.W. Weehuizen.

Officier van justitie: mr. H.C.C. Boelens.

Kern van het vonnis

Verdachte wordt veroordeeld voor belaging en verboden wapen- en munitiebezit tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het door de verdachte ondergane voorarrest op de dag van de uitspraak (414 dagen). Aan de verdachte wordt ook een (direct uitvoerbare) vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in de vorm van een contact- en locatieverbod met het slachtoffer voor de duur van vijf jaren.

1
Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – zijn ex-partner [slachtoffer] heeft gestalkt gedurende een periode van ongeveer 8 maanden en dat hij verboden wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

De volledige beschuldiging (tenlastelegging) staat in bijlage 1.

2
Bewijs
2.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor alle feiten.

2.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal opmerkingen gemaakt over het bewijs. Waar nodig bespreekt de rechtbank het standpunt van de verdediging bij de beoordeling van het bewijs.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat de verdachte mevrouw [slachtoffer] heeft gestalkt en dat hij de tenlastegelegde wapens en munitie opzettelijk voorhanden heeft gehad. De bewezenverklaring is gebaseerd op de bewijsmiddelen en de hiernavolgende bewijsmotivering. De bewezenverklaring staat in paragraaf 2.3.2. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage 2.

2.3.1.

Bewijsmotivering

De rechtbank acht alle drie de ten laste gelegde feiten op grond van de in bijlage 2 opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken voor feit 1, voor zover hem wordt verweten hondenpoep dan wel bankbiljetten op de auto van mevrouw [slachtoffer] te hebben gelegd, omdat er geen bewijsmiddelen zijn waaruit buiten redelijke twijfel kan worden afgeleid dat de verdachte dit heeft gedaan.

De raadsman heeft in zijn pleidooi nog de vraag opgeworpen of het wapen dat in de broeksband van de verdachte is aangetroffen wel het wapen is dat onder feit 2 is tenlastegelegd. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen wettig en overtuigend volgt dat het doorgeladen vuurwapen (pistool) dat in de broeksband van de verdachte is aangetroffen het onder feit 2 ten laste gelegde vuurwapen van het merk Blow Tr 17k betreft.

De omstandigheid dat, zoals de raadsman heeft aangevoerd, ten aanzien van het luchtdrukwapen dat onder feit 3 is ten laste gelegd niet is gespecificeerd op welk vuurwapen het lijkt, maakt niet dat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het voorhanden hebben van een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat het luchtdrukwapen is onderzocht en dat uit dit onderzoek is gebleken dat het een op een pistool gelijkend voorwerp betreft, waardoor sprake is van een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie. De rechtbank ziet geen reden om aan (de uitkomst van) dit onderzoek te twijfelen.

2.3.2.

Bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Feit 1:

hij in de periode van 4 oktober 2024 tot en met 11 juni 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door (telkens)

die [slachtoffer] te bellen en

die [slachtoffer] (veelvuldig) (intimiderende, kwetsende, grievende en/of bedreigende) berichten toe te sturen en op het internet en/of social media berichten over die [slachtoffer] te plaatsen en

de ruitenwissers van de auto van die [slachtoffer] omhoog te zetten en

zich bij of in de nabije omgeving van de woning van die [slachtoffer] op te houden en die [slachtoffer] uit te schelden

(telkens) met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Feit 2:

hij op 11 juni 2025 te ’s-Hertogenbosch een wapen van categorie III, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een (doorgeladen) vuurwapen (pistool), van het merk Blow Tr 17k, kaliber 9mm (goed 2352189) (zie pv PL2100-2024203387-66, pag 240) zijnde een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3°, gelet op artikel 2 lid 1 cat III onder 1° van de Wet Wapens en Munitie en

2 knalpatronen in het kaliber 9 mm P.A.K. voorzien van bodemstempel G.F.L. 9 mm P.A. Knall (goed 2352191) (pag 242) en

11 getransformeerde 9 mm P.A.K. patronen voorzien van bodemstempel G.F.L. 9 mm P.A. Knall (goed 2352290) (pag 242)

zijnde munitie in de zin van artikel 1 onder 4°, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad. Feit 3:

hij op 11 juni 2025 te ’s-Hertogenbosch wapens van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen konden vormen en die zodanig op een wapen geleken dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt waren, namelijk op bestaande vuurwapens gelijkend voorwerpen, zijnde

een luchtdrukwapen, merk Umarex inscriptie T.D.P. 4 (goed 2352257) (zie pv PL2100-202403387-61, pag 398) en

een airsoftwapen (merk G & G Armament, Taiwan, model GC Intermediate) gelijkend op een pistoolmitrailleur en zijnde een nabootsing die voor wat betreft de vorm en afmetingen sprekende gelijkenis vertoond met een automatisch vuurwapen merk Heckler & Koch, type HK416-D10RS (goed 2352253)(zie pv PL2100-2024203387-62, pag 403)

voorhanden heeft gehad.

3
Kwalificatie en strafbaarheid
3.1.

Kwalificatie

De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar gesteld als:

Feit 1:

belaging.

Feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III, meermalen gepleegd.

Feit 3:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

3.2.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4
Straf
4.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het op de dag van de einduitspraak door de verdachte ondergane voorarrest, namelijk 414 dagen;

een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende (1) een contactverbod voor de duur van 5 jaren met mevrouw [slachtoffer] en (2) een locatieverbod voor de woning van mevrouw [slachtoffer] , en de nabije omgeving in een straal van 500 meter, en de [adres 2] , waarbij iedere overtreding dient te worden vervangen door 1 week vervangende hechtenis, met een maximum van 6 maanden vervangende hechtenis. De officier van justitie heeft gevorderd om te bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om een eventueel op te leggen gevangenisstraf te beperken tot een duur van 6 tot 8 maanden, gelet op de richtlijn van het Openbaar Ministerie en straffen die in soortgelijke zaken vaak worden opgelegd. De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen de oplegging van de door de officier van justitie gevorderde 38v-maatregel.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt de verdachte dezelfde straf en maatregel op als door de officier van justitie geëist. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straf en maatregel komt.

4.3.1.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een nare belaging van zijn ex-partner gedurende een periode van bijna 8 maanden. Aan de belaging is pas een einde gekomen bij toepassing van een bevel tot bewaring. Een stopgesprek en interventie van familie heeft niet gewerkt. Deze belaging is in die zin a-typisch, dat de verdachte mevrouw [slachtoffer] in het bijzonder heeft lastiggevallen middels openbare (social media) berichten. De berichten hadden veelal een smadelijk/lasterlijk karakter. Mevrouw [slachtoffer] heeft feitelijk niet enkel (indirect) contact met de verdachte moeten dulden, maar ook moeten dulden dat zij in een zeer kwaad daglicht werd gesteld. Daar heeft zij tot op de dag van vandaag last van, en dat was ook voor de verdachte voorzienbaar, nu berichten op internet zelden helemaal verdwijnen. De verdachte heeft ook berichten geplaatst die als bedreigend kunnen worden opgevat, zoals een foto in een park met daarbij de tekst ‘no more lies’, en expliciet een mes in beeld. De verdachte riep verder in zijn social media posts onder meer op om naar mevrouw [slachtoffer] te zwaaien, en om een bericht over haar te delen. De verdachte kon er op die manier op rekenen dat mevrouw [slachtoffer] daar door meerdere mensen op gewezen zou worden, en op die manier vaak met hem geconfronteerd zou worden. De. Onderdeel van de belaging was verder het veelvuldig langsgaan bij het huis van mevrouw [slachtoffer] , en haar gedurende de nacht lastigvallen waardoor zij niet meer alleen haar eigen huis uit durfde.Het slachtoffer heeft vele angstige momenten gekend, zo bleek uit de door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring. Dat de verdachte bekend stond als iemand die over vuurwapens beschikte, heeft daarbij ongetwijfeld een rol gespeeld.

De verdachte heeft verder meerdere verboden wapens en munitie voorhanden gehad, waaronder een doorgeladen pistool dat hij in zijn broeksband droeg. Hoewel de verdachte met dit wapen bij zijn woning is aangetroffen, ziet de rechtbank in de omstandigheden van dit geval reden om toe te bewegen naar het hierna genoemde oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben in de openbare ruimte. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben in een woning ziet naar het oordeel van de rechtbank op situaties waarin het vuurwapen bijvoorbeeld ergens in een kast of lade ligt. De verdachte liep - na aanroepen van de politie - met een doorgeladen vuurwapen in zijn broeksband naar zijn voordeur, richting de politie, zijn woning uit. Verdachte liep met het doorgeladen pistool op zijn lijf en op een verhulde plek rond in zijn woning.

Hoewel het bezit van de airsoftwapens (los gezien) boetefeiten betreffen, vindt de rechtbank het daarnaast strafverzwarend dat het om twee exemplaren gaat, terwijl er sprake is van bedenkelijke omstandigheden, waaronder dat de verdachte heeft verklaard dat hij de wapens had om de beweerdelijke ‘Satudarah vriend’ van mevrouw [slachtoffer] af te schrikken.

Ten slotte betrekt de rechtbank bij de beoordeling van de ernst van de feiten dat de verdachte niet tot nauwelijks verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. Hij heeft niet (volledig) meegewerkt aan een onderzoek naar zijn geestvermogens. Bovendien heeft hij tijdens de zitting weliswaar een aantal keer sorry gezegd, maar liet hij zich tegelijkertijd ook externaliserend richting mevrouw [slachtoffer] uit uit.

4.3.2.

Zoveel mogelijk gelijke straffen in vergelijkbare zaken

De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in vergelijkbare strafzaken voor soortgelijke feiten zijn opgelegd. De rechtbank heeft ook gekeken naar de ‘oriëntatiepunten straftoemeting’ van de rechtspraak. Dit zijn uitgangspunten die strafrechters in Nederland hebben afgesproken om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen. Op het voorhanden hebben van een pistool van categorie III onder 1° in een woning staat in de oriëntatiepunten een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Indien het wapen voorhanden is in de openbare ruimte staat daar een oriëntatiepunt van 8 maanden voor. Op het voorhanden hebben van een wapen van categorie III onder 7° staat een geldboete. Voor belaging bestaan geen oriëntatiepunten voor de rechtspraak.

4.3.3.

Strafblad

Uit het meest recente strafblad (uittreksel justitiële documentatie) blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

4.3.4.

Rapporten van het Pieter Baan Centrum en de reclassering

In een rapport van het Pieter Baan Centrum van 10 maart 2026 is door deskundigen N. van de Weg, psychiater, en T. ’t Hoen, GZ-psycholoog – kort samengevat – het hierna volgende over de verdachte opgeschreven. De deskundigen hebben opgemerkt dat zij het bij hun onderzoek vooral hebben moeten doen met hetgeen verdachte zelf heeft verteld, onder meer doordat hij niet volledig aan het onderzoek heeft meegewerkt. De informatie die verdachte heeft gegeven is echter beperkt en niet goed te verifiëren bij referenten. Daarnaast verliepen de gesprekken chaotisch en van de hak op de tak. Verdachte gaf geregeld geen (duidelijk) antwoord op de vragen). Tenslotte hebben onderzoekers ook twijfels over de betrouwbaarheid van wat verdachte vertelde, daar de informatie die hij verschafte op diverse punten inconsistent was. Door deze beperkingen hebben de deskundigen slechts beperkte diagnostische conclusies kunnen trekken.

Op basis van het onderzoek en de beschikbare informatie kunnen de deskundigen in ieder geval vaststellen dat er sprake is van een, inmiddels enigszins gestabiliseerd, psychiatrisch toestandsbeeld. Dit beeld wordt gekenmerkt door een licht eufore stemming, ontremd gedrag, een te amicale presentatie, oordeels- en kritiekstoornissen, breedsprakigheid, onsamenhangend denken, zelfoverschatting, grootheidsideeën en een paranoïde gedachtegang. Door het ontbreken van voldoende en betrouwbare informatie over de psychiatrische voorgeschiedenis, het beloop van zijn symptomen en het eerdere functioneren van de verdachte, ook in de perioden dat hij geen middelen gebruikte, kan geen voldoende onderbouwde uitspraak worden gedaan over de precieze psychiatrische diagnose.

Alles overziend zijn er onduidelijkheden ten aanzien van de diagnostiek, maar is er ook veel niet duidelijk geworden ten aanzien van de drijfveren en motieven van de verdachte die ten grondslag zouden liggen aan het bewezenverklaarde. Het is wat de deskundigen betreft zeker niet ondenkbaar dat er een doorwerking van het psychiatrisch toestandsbeeld is. Het is voor de deskundigen niet mogelijk om tot een voldoende onderbouwde aanbeveling te komen voor interventies en juridische kaders.

In een reclasseringsrapport van 23 april 2026 staat onder meer het volgende beschreven. De reclassering ziet weinig beschermende factoren. De grootste risicofactor is het psychische functioneren van de verdachte en zijn onwil voldoende mee te werken aan diagnostiek. Het is niet mogelijk een plan van aanpak op te stellen zonder een juiste diagnose en interventies vanuit de reclassering zijn op dit moment niet mogelijk. Alleen middels een zorgmachtiging kan medicatie in een gedwongen kader toegediend worden. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat.

Op basis van het PBC-rapport zen gezien de overige dossierstukken acht de rechtbank het zeer aannemelijk is dat er bij verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde sprake was van een psychiatrisch toestandsbeeld dat hem heeft beïnvloed. Daarom worden de strafbare feiten verminderd aan de verdachte toegerekend.

4.3.5.

Oplegging straf en maatregel

Bij het bepalen van de soort en de duur van de op te leggen straf, heeft de rechtbank rekening gehouden met de eveneens vandaag afgegeven zorgmachtiging. Middels deze zorgmachtiging zal de verdachte in ieder geval tot en met januari 2027 verplichte zorg ontvangen die nodig is om toekomstig gedrag waaruit ernstig nadeel voortkomt zoveel als mogelijk te voorkomen.

Gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 414 dagen, noodzakelijk is om voldoende recht te doen aan de hiervoor onder 4.3.1. weergegeven aard en ernst van de feiten, en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd. De duur van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, omdat de rechtbank het niet passend vindt dat de verdachte na de uitspraak langer vast zou moeten blijven zitten voor de bewezenverklaarde feiten. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis daarom ook opheffen met ingang van heden.

Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)

De rechtbank legt de verdachte een contact- en gebiedsverbod op. Dit is nodig om de maatschappij te beveiligen en om strafbare feiten te voorkomen. Deze vrijheidsbeperkende maatregel duurt 5 jaar en houdt het volgende in:

Iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt, kan hij in hechtenis worden genomen voor 1 week. In totaal kan dit maximaal zes maanden duren. Ook als deze hechtenis wordt opgelegd, blijft het contactverbod en het locatieverbod gelden.

De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar. Dat betekent dat de verboden meteen na de uitspraak gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. Dit is nodig, omdat de rechtbank er ernstig rekening mee houdt dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of mevrouw [slachtoffer] opnieuw lastigvalt.

5
Beslag

De voorwerpen die in beslag zijn genomen en waarover nog geen last tot teruggave is gegeven, zijn vermeld op een beslaglijst van 14 januari 2026, die aan dit vonnis is gehecht als bijlage 3.

5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de twee in beslag genomen keukenmessen (voorwerpen 10 en 12) worden verbeurd verklaard gezien de omstandigheden waaronder deze zijn aangetroffen.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht alle op de beslaglijst vermelde voorwerpen die geen verband houden met het bewezenverklaarde en waarvoor geen wettelijke grondslag bestaat tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, aan de verdachte terug te (doen) geven.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank beslist dat alle inbeslaggenomen wapens en munitie en de daarbij behorende onderdelen die staan vermeld in het onder de feiten 2 en 3 bewezenverklaarde dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Dit betekent dat deze voorwerpen worden vernietigd. De rechtbank neemt deze beslissing omdat het in strijd zou zijn met de wet en het algemeen belang als deze wapens en munitie weer in de samenleving terecht zouden komen. Onttrekking aan het verkeer is mogelijk, omdat de feiten 2 en 3 met betrekking tot deze wapens en munitie zijn gepleegd.

De wapens en munitie genoemd onder 15, 16 en 20 op de beslaglijst worden ook onttrokken aan het verkeer. Deze behoren toe aan verdachte, zijn in dit onderzoek bij hem aangetroffen en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. De voorwerpen kunnen ook dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

5.3.2.

Teruggave

De rechtbank beslist dat de voorwerpen op de beslaglijst, niet zijnde de voorwerpen als vermeld in het onder feiten 2 en 3 bewezenverklaarde, dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Deze voorwerpen zijn bij de verdachte in beslag genomen, behoren aan hem toe, en er is geen grond om deze voorwerpen verbeurd te verklaren of te onttrekken aan het verkeer.

6
Wettelijke voorschriften

De rechtbank baseert deze straffen en maatregelen op de artikelen 36b, 36c, 36d, 38v, 38w, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

7
Beslissingen

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd.

Kwalificatie en strafbaarheid

De rechtbank stelt vast dat het bewezenverklaarde strafbare feiten oplevert.

De rechtbank stelt vast dat de feiten strafbaar zijn gesteld zoals vermeld in hoofdstuk 3.

De rechtbank verklaart de verdachte strafbaar.

Straf en maatregel

Gevangenisstraf

De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf op van 414 dagen. De rechtbank beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, van de gevangenisstraf wordt afgetrokken.

Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)

De rechtbank legt de verdachte voor feit 1 de maatregel tot beperking van de vrijheid op voor de duur van 5 jaar. Deze maatregel houdt in dat de verdachte:

1. zich niet bevindt in of nabij (1) de woning van mevrouw [slachtoffer] , gelegen aan [adres 3] , tot een straal van 500 meter rondom die woning en (2) in of binnen een straal van 500 meter rondom [adres 2] .

2. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [1983] , gedurende 5 jaren.

De rechtbank bepaalt dat de verdachte 1 week vervangende hechtenis moet ondergaan voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt, met een maximum van zes maanden.

De rechtbank beveelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

In beslag genomen voorwerpen

De rechtbank onttrekt voor feiten 2 en 3 voorwerpen 4 t/m 7, 15 t/m 19 en 20 aan het verkeer.

De rechtbank beveelt de teruggave van voorwerpen 8, 9 en 10 t/m 14 aan de verdachte.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F. van Buchem, voorzitter,

mr. M.J.C. van der Vegte en mr. M. Bankers, leden,

in tegenwoordigheid van mrs. R.H.A. de Poot en F.J.J. Weerts, griffiers,

en is uitgesproken op 29 juli 2026.