Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - enkelvoudig omgevingsrecht

ECLI:NL:RBOVE:2026:2935

Op 21 April 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van omgevingsrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ak_25_1584, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:2935. De plaats van zitting was Zwolle.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
ak_25_1584
Datum uitspraak:
21 April 2026
Datum publicatie:
1 June 2026

Indicatie

Omgevingswet. Verlening omgevingsvergunning voor het bouwen van vijf appartementen, verdeeld over twee gebouwen. Bestemmingsplan nog niet onherroepelijk. Het college moest bij het besluit op bezwaar uitgaan van de regels van het bestemmingsplan. Niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met deze regels. Ook is niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met andere regels van het omgevingsplan of met voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/1584

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , [eiseres 1] en [eiseres 2] V.O.F., uit [woonplaats] , eisers, hierna: [eiser] (in enkelvoud),

gemachtigde: mr. E. Koekoek,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten, verweerder,

hierna: het college.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2], uit [vestigingsplaats] , hierna: [derde belanghebbende] (in enkelvoud),

gemachtigde: A. Berkhof, werkzaam bij VAB Architecten & Adviseurs (hierna: VAB).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college aan VAB heeft verleend voor het bouwen van vijf appartementen, verdeeld over twee los van elkaar staande gebouwen. [eiser] woont naast het perceel waarop de appartementen zijn voorzien en voert daar ook een bedrijf. [eiser] vindt het onzorgvuldig dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van de appartementen is verleend, terwijl het bestemmingsplan dat daaraan ten grondslag ligt nog niet onherroepelijk is. Daarnaast vreest hij nadelige gevolgen van de appartementengebouwen voor zijn bedrijfsvoering, omdat hij tussen de te bouwen appartementen door zal moeten om te laden en te lossen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. Hoewel het bestemmingsplan waaraan de vergunningaanvraag is getoetst nog niet onherroepelijk was op het moment van vergunningverlening, was het al wel van toepassing. Het college moest bij het besluit op bezwaar uitgaan van de regels van dit bestemmingsplan en de rechtbank moet bij de beoordeling van het beroep ook van die regels uitgaan. Verder is niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. Ook is niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met andere regels van het omgevingsplan van de gemeente Rijssen-Holen of met voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

Procesverloop
2.1

Bij besluit van 23 december 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan VAB een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van vijf appartementen aan de [adres 1] en [adres 2] .

2.2

Bij besluit van 28 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het hiertegen door [eiser] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten, met aanpassing van de motivering van dat besluit.

2.3

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.4

Het college heeft een verweerschrift ingediend. [eiser] heeft nog aanvullende gronden ingediend.

2.5

De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. [eiser] en [eiseres 1] waren hierbij aanwezig, bijgestaan door mr. E. Koekoek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] waren ook aanwezig, bijgestaan door A. Berkhof.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding

3.1

[derde belanghebbende] is eigenaar van het perceel aan de [adres 3] en van het pand dat daarop staat. Op 26 juli 2024 heeft VAB namens [derde belanghebbende] bij het college een vergunning aangevraagd voor het bouwen van vijf appartementen op dit perceel. Uit de aanvraag blijkt dat het gaat om vijf appartementen verdeeld over twee gebouwen, die los van elkaar staan. Omgevingsvergunning is gevraagd voor een omgevingsplanactiviteit en een bouwactiviteit (activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow)).

3.2

Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning aan VAB verleend. Daaruit blijkt dat op het (nieuwe) adres [adres 1] drie appartementen worden gebouwd en op het (nieuwe) adres [adres 2] twee appartementen (het perceel waarop de appartementen zijn beoogd wordt hierna aangeduid als: het perceel). Beide gebouwen hebben drie bouwlagen; op de begane grond van het pand aan de [adres 2] worden bergingen en parkeerplaatsen gerealiseerd. Op de eerste en tweede verdieping van dat gebouw komen de appartementen.

3.3

[eiser] exploiteert een winkel in vloerbedekking en raamdecoratie. Die winkel is gevestigd en [eiser] woont op de percelen aan de [adres 4] en [adres 5] , die grenzen aan de westzijde van het perceel. [eiser] heeft een erfdienstbaarheid (recht van uitweg) om over het perceel van [derde belanghebbende] te rijden en maakt daar onder meer met zijn bedrijfswagen gebruik van. Daarbij zal hij tussen de beoogde appartementengebouwen door rijden en over een toegangspad langs het eerste gebouw van en naar de openbare weg.

Het bestreden besluit

4. Aan het bestreden besluit heeft het college onder meer ten grondslag gelegd dat voor het perceel onder meer het bestemmingsplan ‘Wonen [plaats] , [adres 3] ’ geldt (hierna: het bestemmingsplan). De raad van de gemeente Rijssen-Holten (de raad) heeft het bestemmingsplan bij besluit van 28 september 2023 vastgesteld en op 1 december 2023 is het bestemmingsplan in werking getreden. Sinds 1 januari 2024 maakt het deel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten (hierna: het omgevingsplan). Het college heeft geconcludeerd dat het bouwplan waarvoor nu een vergunning is verleend past binnen de regels van het bestemmingsplan en het omgevingsplan. Ook heeft de stadsbouwmeester van Het Oversticht voor het bouwplan een positief welstandsadvies afgegeven. De omgevingsvergunning voor de (binnenplanse) omgevingsplanactiviteit moet volgens het college daarom worden verleend. Daarbij is sprake van een zogenaamde ‘gebonden beschikking’. Daarnaast heeft het college geconcludeerd dat ook de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit moet worden verleend, omdat het project voldoet aan de technische eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Beoordeling van het beroep

5.1

[eiser] voert tegen het bestreden besluit verschillende beroepsgronden aan. Die gronden zal de rechtbank hieronder afzonderlijk bespreken en beoordelen.

5.2

De voor deze zaak belangrijke regelgeving staat in de bijlage bij deze uitspraak. Dat betreft de regelgeving zoals die gold toen het bestreden besluit werd genomen. De rechtbank moet namelijk op basis van wat [eiser] in beroep aanvoert het bestreden besluit beoordelen naar de feiten zoals die waren op het moment van het nemen van dat besluit en naar het recht dat op dat moment gold (ook wel ‘ex tunc-beoordeling’ genoemd).

Het bestemmingsplan is nog niet onherroepelijk

6.1

Het bestemmingsplan is nog niet onherroepelijk en volgens [eiser] moet er rekening mee worden gehouden dat dat plan wordt vernietigd of gewijzigd. [eiser] heeft namelijk beroep ingesteld tegen het besluit van de raad van 28 september 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan en op 10 september 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een tussenuitspraak gedaan op dat beroep. (Voetnoot 1) Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of enerzijds [eiser] na de realisering van de appartementen nog zal kunnen voldoen aan de geluidnormen en anderzijds of bij de te realiseren appartementen vanwege de bedrijfsactiviteiten van [eiser] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid is gegarandeerd. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om dit alsnog te laten onderzoeken en, indien blijkt dat bij de te realiseren appartementen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid is gegarandeerd, zo nodig het plan daarop aan te passen. [eiser] stelt dat het onzorgvuldig is dat het college de verlening van de omgevingsvergunning heeft gebaseerd op het bestemmingsplan, terwijl nog onzeker was of dat wel rechtmatig is en niet vernietigd zal worden.

6.2

Het college voert in het verweerschrift aan dat het bestemmingsplan in werking is getreden voordat de vergunningaanvraag werd ingediend en ook gold toen het bestreden besluit werd genomen. Volgens het college moest de vergunningaanvraag daarom worden getoetst aan het bestemmingsplan en is een eventuele vernietiging of wijziging van het bestemmingsplan niet relevant voor de beoordeling van het beroep van [eiser] . Daarnaast voert het college in het verweerschrift aan dat de raad een aanvullend onderzoek heeft laten uitvoeren en dat daarin is geconcludeerd dat bij de te realiseren appartementen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd als een nieuw artikel aan de planregels wordt toegevoegd. In dat artikel wordt het woon- en leefklimaat bij de appartementen geborgd via een voorwaardelijke verplichting voor de maximale geluidniveaus in de appartementen. Het college heeft op 20 januari 2026 besloten om de raad voor te stellen dit artikel aan de planregels toe te voegen en dit voorstel is behandeld in de raadsvergadering van 5 maart 2026. Tijdens de zitting heeft het college verklaard dat de raad de voorgestelde wijziging heeft vastgesteld.

Verder voert het college aan dat uit het aanvullend onderzoek blijkt dat voor het bedrijf van [eiser] een maatwerkvoorschrift moet worden vastgesteld waarin voor de avondperiode hogere grenswaarden worden toegestaan, om te borgen dat [eiser] door de komst van de appartementen niet wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. Het college is bevoegd gezag voor het vaststellen van zo’n maatwerkvoorschrift. Het vaststellen daarvan valt volgens het college echter niet binnen het kader van het bestemmingsplan en moet afzonderlijk worden geregeld. Tijdens de zitting heeft het college verklaard dat het het voornemen heeft om zo’n maatwerkvoorschrift aan [eiser] op te leggen.

6.3

De rechtbank overweegt dat in artikel 8:72, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht staat dat de vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan meebrengt. In de rechtspraak is echter op deze hoofdregel een uitzondering gemaakt voor wat betreft de gevolgen die de vernietiging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan heeft voor op basis van dat bestemmingsplan verleende bouwvergunningen. Deze uitzondering houdt in dat als het besluit op een bezwaar tegen een bouwvergunning op basis van het nieuwe bestemmingsplan is genomen, omdat dat plan ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar in werking was, de bestuursrechter in beroep en hoger beroep bij de toetsing van het besluit op bezwaar moet uitgaan van het nieuwe plan, ook als dat plan na het nemen van het besluit op bezwaar is vernietigd. (Voetnoot 2) Een uitzondering hierop zou zijn als het bestemmingsplan bij wijze van voorlopige voorziening geschorst is. Dat is in deze zaak niet aan de orde.

6.4

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het college de vergunningaanvraag van VAB en [derde belanghebbende] terecht heeft getoetst aan het bestemmingsplan, omdat dat gold toen de aanvraag werd ingediend. Toen het college het bestreden besluit (de beslissing op bezwaar) nam, gold dat bestemmingsplan nog steeds (en het is tot op heden blijven gelden). Dit betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van deze zaak moet uitgaan van het bestemmingsplan. De tussenuitspraak van de Afdeling en de mogelijkheid dat het bestemmingsplan niet in stand blijft, maken dit niet anders. Wat [eiser] hierover aanvoert, leidt daarom niet tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

6.5.1

De rechtbank merkt verder nog op dat [eiser] per brief van 25 maart 2026 nieuwe stukken bij de rechtbank heeft ingediend met het verzoek om die bij deze beroepszaak te betrekken. De nieuwe stukken hebben betrekking op het beroep van [eiser] tegen de vaststelling van het bestemmingsplan, dat bij de Afdeling loopt. Uit de brief van 25 maart 2026 blijkt dat [eiser] meent dat de rechtbank het onderzoek tijdens de zitting op 6 maart 2026 niet heeft gesloten.

6.5.2

Na de behandeling van het beroep tijdens de zitting op 6 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek echter wel gesloten en aan partijen meegedeeld dat zij binnen zes weken uitspraak zou doen op het beroep. Daarbij heeft de rechtbank ook meegedeeld dat zij in ieder geval niet binnen vier weken uitspraak zou doen, om partijen tijd te geven om na te denken over de mogelijkheid van een mediationtraject, zoals de rechtbank tijdens de zitting heeft voorgesteld en met partijen heeft besproken. De stukken die [eiser] op 25 maart 2026 heeft ingediend, zijn dus ingediend na de sluiting van het onderzoek. Die stukken laat de rechtbank daarom verder buiten beschouwing. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, zoals uit het voorgaande blijkt, de ontwikkelingen en uitkomst in het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan niet meer relevant zijn voor de uitspraak van de rechtbank in deze zaak.

De bestemming ‘Waarde - Archeologie hoge verwachting’

7.1

Het perceel heeft volgens het bestemmingsplan de bestemmingen ‘Wonen - Appartementen’ en ‘Waarde - Archeologie hoge verwachting’. [eiser] voert aan dat de bestreden omgevingsvergunning in strijd met de regels van de laatstgenoemde bestemming is verleend. Op basis van artikel 4.2.1 van de planregels geldt voor het bouwplan namelijk ook een vergunningplicht, omdat dieper dan 0,5 meter wordt gegraven en ook omdat de graafwerkzaamheden een oppervlakte van meer dan 100 m² beslaan. Volgens [eiser] heeft het college niet of onvoldoende beoordeeld of de vergunning die volgens artikel 4.2.1 van de planregels is vereist wel kan worden verleend.

7.2

Het college voert in het verweerschrift aan dat een deel van het perceel nog bebouwd is. Die bebouwing moet eerst worden gesloopt, voordat de appartementen kunnen worden gebouwd. Volgens het college kan pas na het slopen van de huidige bebouwing een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Daarom is in de omgevingsvergunning een voorschrift opgenomen dat bepaalt dat uiterlijk 3 weken voor de aanvang van de werkzaamheden een archeologisch onderzoek conform het vastgestelde bestemmingsplan moet worden ingediend.

7.3

De rechtbank is van oordeel dat het college met het genoemde voorschrift het punt van de archeologische waarde van het perceel in de omgevingsvergunning voldoende heeft geregeld. Het komt de rechtbank logisch voor dat het archeologisch onderzoek als bedoeld in artikel 4.2.3 van de regels van het bestemmingsplan pas kan worden uitgevoerd als de bestaande bebouwing is gesloopt. [eiser] heeft tijdens de zitting het verweer van het college op dit punt ook niet meer bestreden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

De situering van de appartementengebouwen

8.1

Volgens [eiser] zorgt de situering van de appartementengebouwen en de deuren van die gebouwen voor onveiligheid, gelet op het gebruik dat het verkeer van en naar het bedrijf van [eiser] maakt van de uitweg die tussen die gebouwen doorloopt. [eiser] gebruikt deze uitweg al decennia en die is vrij smal. [eiser] stelt dat de door hem gevreesde (verkeers)onveiligheid gevolgen kan hebben voor zijn bedrijfsvoering. Hij vindt dat het college beter naar deze onveiligheid had moeten kijken en op dat punt aanpassingen van het bouwplan van VAB en/of [derde belanghebbende] had moeten verlangen. Ook vreest [eiser] dat hij door de te realiseren appartementen in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt, gelet op de geluidnormen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) die gelden voor geluidsgevoelige functies zoals wonen.

8.2

Het college stelt in het verweerschrift dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op de omgevingsplanactiviteit, is vastgesteld dat het bouwplan past binnen de regels van het bestemmingsplan en het omgevingsplan. De omgevingsvergunning moest daarom worden verleend en er is geen ruimte om daarbij de veiligheid als gevolg van het gebruik van de uitweg door [eiser] te betrekken, aldus het college in het verweerschrift.

8.3

De rechtbank stelt vast dat [eiser] niet heeft bestreden dat het bouwplan past binnen de regels van het bestemmingsplan en het omgevingsplan (afgezien van de hiervoor besproken beroepsgrond over de bestemming ‘Waarde - Archeologie hoge verwachting’, waar een voorschrift voor is opgenomen). Gelet op het bepaalde in artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.29, eerste lid, van het omgevingsplan heeft het college zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit moest worden verleend. De door [eiser] gestelde verkeersonveiligheid of de geluidnormen uit het Bal voor geluidgevoelige functies spelen daarbij geen rol. Datzelfde geldt voor de stelling van [eiser] dat door de bouw van de appartementengebouwen zeer veel zonlicht wordt onttrokken aan zijn achtertuin en terras en zijn privacy (in de achtertuin en op het terras) onaanvaardbaar wordt aangetast. Hier kan bij de vergunningverlening niet meer aan worden getoetst, omdat deze elementen bij de bestemming al meegenomen zijn of hadden kunnen worden. Verder staat ook het recht van erfdienstbaarheid van [eiser] niet aan de vergunningverlening in de weg. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de tussenuitspraak al heeft geoordeeld dat een invulling van het bestemmingsplan mogelijk is waarbij de erfdienstbaarheid wordt gerespecteerd. [eiser] heeft niet gesteld en aannemelijk gemaakt dat de bouw van de appartementengebouwen ertoe leidt dat hij geen gebruik meer kan maken van zijn recht van erfdienstbaarheid. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de tekeningen bij de stukken blijkt, dat de uitweg, gezien vanaf het perceel van [eiser] , een breedte heeft van 4,21 meter, oplopend naar 5,5 meter. Ter hoogte van de toegangsdeuren van beide appartementengebouwen is dit 4,8 meter. Nu een vrachtwagen een breedte heeft van maximaal 2,55 meter, zoals ter zitting is besproken, is ook niet aannemelijk dat de uitweg onvoldoende breed zou zijn om de deuren veilig te kunnen openen wanneer er een vrachtwagen staat. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 4.192 van het Bbl

9.1

[eiser] stelt dat het bouwplan in strijd is met artikel 4.192, eerste lid, van het Bbl. Volgens [eiser] kan namelijk de daarin voorgeschreven breedte van 1,1 meter van het toegangspad naar de hoofdtoegang naar alle waarschijnlijkheid niet worden gerealiseerd als er een voertuig op het toegangspad staat. Als gevolg van de bedrijfsvoering van [eiser] staat er vaak een voertuig op het toegangspad, of rijdt daar overheen. Daarmee moet volgens [eiser] rekening worden gehouden bij de beoordeling van de effectief beschikbare breedte.

9.2

Het college stelt in het verweerschrift dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op de (technische) bouwactiviteit, is vastgesteld dat het bouwplan voldoet aan de eisen van het Bbl en dat de omgevingsvergunning voor die activiteit daarom moest worden verleend.

9.3

De rechtbank overweegt dat artikel 4.192, eerste lid, van het Bbl de minimale breedte voorschrijft van het pad tussen de hoofdtoegang van een gebouw en de openbare weg, voor gevallen waarin de hoofdtoegang van een gebouw niet direct aan de openbare weg grenst. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het pad dat tussen de hoofdtoegangen van de appartementengebouwen naar de openbare weg loopt minder dan 1,1 meter breed is. Dat het bouwplan in strijd is met artikel 4.192, eerste lid, van het Bbl is dan ook niet gebleken. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat deze minimale afstand van 1,1 meter geldt voor de breedte van de weg, ongeacht of daar een voertuig op staat. Het gaat niet om de vrije doorgang op het toegangspad naast het gebruik dat daarvan wordt gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet

Artikel 4.3 (grondslag rijksregels)

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de volgende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving:

a. bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken,

(…).

Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een omgevingsplanactiviteit,

(…)

2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:

a. een bouwactiviteit,

(…)

Artikel 5.18 (beoordelingsregels aanvraag artikel 5.1-activiteiten bij algemene maatregel van bestuur)

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.

2. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren.

(…)

Artikel 5.20 (artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag bouwactiviteit)

1. Voor een bouwactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op:

het waarborgen van de veiligheid,

het beschermen van de gezondheid,

duurzaamheid en bruikbaarheid.

2. De regels strekken ertoe dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels over bouwactiviteiten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, of daarover gestelde maatwerkregels, voor zover die regels betrekking hebben op de kwaliteit van bouwwerken.

Artikel 5.21 (artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag omgevingsplanactiviteit)

1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.

2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:

a. de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels,

(…)

Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)

1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.

(…)

Artikel 8.3b (beoordelingsregels bouwactiviteit)

1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het bouwen van een nieuw bouwwerk inhoudt, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de maatwerkregels die op grond van artikel 4.7 van dat besluit in het omgevingsplan zijn gesteld.

(…).

Besluit bouwwerken leefomgeving

Artikel 4.192 (bereikbaarheid van een gebouw)

1. De hoofdtoegang van een gebouw met een toegankelijkheidssector, een woonfunctie als bedoeld in artikel 4.182, tweede lid, of een gebouw zonder toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.182, vijfde lid, grenst aan de openbare weg of grenst aan een route naar de openbare weg die over een pad of steiger voert met:

een breedte van ten minste 1,1 m; en

ij een te overbruggen hoogteverschil van meer dan 0,02 m: een hellingbaan als bedoeld in paragraaf 4.2.4.

Omgevingsplan gemeente Rijssen-Holten

Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;

het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of

2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

(…).

Bestemmingsplan ‘Wonen [plaats] , [adres 3]

Artikel 4 Waarde – Archeologie hoge verwachting

(…)

4.2

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

4.2.1

Omgevingsvergunningplicht

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 4.2.2, zonder een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op en in de in lid 4.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 100 m² of meer:

het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;

het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;

het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,5 m onder peil;

het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;

het ophogen en egaliseren van gronden.

(…)

4.2.3

Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden

De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in sublid 4.2.1, zijn slechts toelaatbaar, indien:

door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; en

door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:RVS:2025:43332.

Voetnoot 2

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:626, en

21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:92.