Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:RBOVE:2025:5196

Op 5 August 2025 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 11551029 \ CV EXPL 25-479, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2025:5196. De plaats van zitting was Enschede.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
11551029 \ CV EXPL 25-479
Datum uitspraak:
5 August 2025
Datum publicatie:
13 August 2025

Indicatie

Eiser vordert een verklaring voor recht dat Saxion haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden en een veroordeling van Saxion tot betaling van schadevergoeding. Saxion stelt dat zij alles heeft gedaan om eiser in staat te stellen om zijn studie af te ronden en dat zij niet gehouden is schadevergoeding aan eiser te betalen. De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser af.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer: 11551029 \ CV EXPL 25-479

Vonnis van 5 augustus 2025

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. R. Neurink,

tegen

de stichting STICHTING SAXION,

gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Saxion,

gemachtigde: mr. H. Eillert.

1
De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 31 januari 2025,

de conclusie van antwoord,

de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald, en

de mondelinge behandeling van 9 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Beide partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2
De zaak in het kort
2.1.

[eiser] vordert een verklaring voor recht dat Saxion haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden en een veroordeling van Saxion tot betaling van schadevergoeding.

Saxion stelt dat zij alles heeft gedaan om [eiser] in staat te stellen om zijn studie af te ronden en dat zij niet gehouden is schadevergoeding aan [eiser] te betalen.

De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.

3
De feiten
3.1.

Saxion is een instelling voor hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.3 lid 3 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) en biedt opleidingen aan in het hoger beroepsonderwijs.

3.2.

[eiser] heeft zich in het schooljaar 2018/2019 ingeschreven voor de opleiding [opleiding] aan het Saxion (destijds had deze opleiding de naam [opleiding]).

3.3.

Op 30 november 2018 heeft [eiser] de toets voor het vak Professionaliseren afgelegd en behaald. Dit studieresultaat is door de examencommissie van Saxion bij besluit van 8 november 2022 ongeldig verklaard, omdat [eiser] voor aanvang van de toets al beschikte over de toetsvragen. Als gevolg van dit besluit is het propedeutisch getuigschrift van [eiser] vernietigd. [eiser] heeft de gelegenheid gekregen de toets nogmaals af te leggen, hij is daarvoor geslaagd en heeft daarmee zijn propedeutisch getuigschrift – opnieuw - gehaald.

3.4.

Medio juli 2023 ontving de examencommissie nieuwe informatie dat [eiser] ook toetsvragen had ontvangen van andere toetsen voordat deze waren afgelegd. Na onderzoek en gesprekken met [eiser] heeft de examencommissie op 31 augustus 2023 besloten om die reden de studieresultaten van [eiser] voor de vakken Financieel Management 1, afgelegd op 22 maart 2019, en Idee Commercialiseren, afgelegd op 5 april 2019, ongeldig te verklaren. Als gevolg daarvan is het propedeutisch getuigschrift van [eiser] – opnieuw - vernietigd. [eiser] diende het ontvangen getuigschrift zo spoedig mogelijk in te leveren bij Saxion. Daarnaast is [eiser] met ingang van 4 september 2023 voor de duur van twee kwartielen uitgesloten van deelname aan toetsen.

3.5.

Als gevolg van het besluit van de examencommissie is de geplande verdediging van de afstudeeropdracht van [eiser] niet doorgegaan.

3.6.

In de periode februari – juni 2024 hebben partijen contact gehad over de opnieuw af te leggen toetsen en de te bestuderen lesstof, vanwege het gewijzigde curriculum. De toets voor het vak Idee Commercialiseren heeft [eiser] opnieuw afgelegd op 11 juni 2024. Op 25 juni 2024 ontving [eiser] het bericht dat de toets beoordeeld is met een 4. Op diezelfde dag stond ook de toets voor het vak Financieel Management 1 op de planning, maar [eiser] heeft die toets uiteindelijk niet gemaakt.

3.7.

[eiser] stond ingeschreven voor het schooljaar 2024/2025. De opleiding is tot op heden niet afgerond door [eiser] .

4
Het geschil
4.1.

[eiser] vordert een verklaring voor recht dat Saxion de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van Saxion tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van € 12.517,12, vermeerderd met kosten.

4.2.

Volgens [eiser] heeft Saxion nagelaten om te voldoen aan haar verplichtingen uit de onderwijsovereenkomst. Daarnaast stelt [eiser] dat Saxion de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. Op grond daarvan is Saxion verplicht de schade van [eiser] te vergoeden.

4.3.

Saxion concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de werkelijk gemaakte proceskosten van deze procedure.

4.4.

Saxion stelt dat zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van een onderwijsovereenkomst en dat zij haar zorgplicht niet heeft geschonden. Volgens Saxion zijn de besluiten van de examencommissie rechtsgeldig en heeft Saxion zich daaraan te houden. Bovendien heeft Saxion [eiser] in de gelegenheid gesteld om de twee toetsen opnieuw af te leggen. [eiser] had bij een voldoende resultaat voor beide toetsen alsnog zijn verdediging mogen doen om de opleiding af te ronden.

Overwegingen

5
De beoordeling
5.1.

De kantonrechter begrijpt de vordering van [eiser] zo dat hij zijn schadevergoeding primair baseert op een tekortkoming in de nakoming door Saxion van een tussen partijen gesloten overeenkomst. Subsidiair legt [eiser] een schending van de zorgplicht door Saxion ten grondslag aan zijn vordering. De vordering zal daarom in die volgorde worden beoordeeld.

Is sprake van een overeenkomst en een tekortkoming?

5.2.

Op grond van artikel 7.32 lid 1 Whw gold voor [eiser] een inschrijvingsverplichting. Met de inschrijving ontstaat het recht op onderwijs. Een afzonderlijke overeenkomst tussen de hogeschool en de student is daarvoor niet vereist. Volgens de Memorie van Toelichting bij dit wetsartikel (destijds artikel 7.25 Whw) laat de inschrijvingsverplichting de mogelijkheid onverlet dat een persoon gerechtigd is van het onderwijs van de instelling gebruik te maken anders dan op basis van inschrijving, namelijk op grond van een afzonderlijke met de instelling gesloten overeenkomst, maar wordt deze persoon niet als student in de zin van de wet aangemerkt, kan hij of zij geen opleiding volgen en geen tentamen of examen kan afleggen (Vergaderjaar 1988-1989, Kamerstukken 21073, nr. 3, p. 132). Het enkele feit dat [eiser] zich heeft ingeschreven betekent dus niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen tussen partijen. Andere feiten en omstandigheden die deze conclusie wel kunnen dragen, zijn door [eiser] niet gesteld.

5.3.

Nu niet vast is komen te staan dat tussen partijen een overeenkomst bestaat, hoeft niet beoordeeld te worden of sprake is van een tekortkoming in de nakoming daarvan.

Is sprake van onrechtmatig handelen?

5.4.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of Saxion de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] . Op Saxion rust namelijk een zorgplicht tot het leveren van kwalitatief goed onderwijs. Wat die zorgplicht precies inhoudt en hoever die strekt is niet (wettelijk) vastgelegd. In zijn algemeenheid geldt de maatstaf dat Saxion jegens [eiser] dient te handelen zoals van een redelijke bekwame en redelijk handelende hogeschool mag worden verwacht. Hierbij weegt mee dat instellingen zoals Saxion hun studieprogramma’s regelmatig moeten aanpassen aan veranderde afstudeereisen die op hun beurt voortkomen uit veranderde inzichten over vakbekwaamheid.

5.5.

Bij de beoordeling van een mogelijke schending van de zorgplicht gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de besluiten van de examencommissie. Tegen deze besluiten stond beroep open bij het College van Beroep voor de Examens. Dit rechtsmiddel heeft [eiser] niet benut en de beroepstermijn is inmiddels verstreken. [eiser] heeft onvoldoende feiten gesteld om aan te nemen dat de besluiten evident onjuist zijn. Saxion was derhalve gebonden aan deze besluiten. Dat betekent dan ook dat het redelijk was dat het afstuderen van [eiser] door Saxion is uitgesteld, nu [eiser] op dat moment niet over een propedeutisch getuigschrift beschikte.

5.6.

De mogelijke schending van de zorgplicht moet dus blijken uit feiten en omstandigheden die los staan van de besluiten van de examencommissie en de wijze waarop de examencommissie heeft gehandeld.

[eiser] stelt dat de schending van de zorgplicht blijkt uit de gebrekkige communicatie door Saxion voorafgaand aan het opnieuw afleggen van de twee toetsen. De kantonrechter volgt die stelling niet.

Voorop staat dat [eiser] de toetsen opnieuw moest maken als gevolg van zijn eigen handelen. Saxion heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat vanwege de wijziging van het curriculum tijd nodig was om ervoor te zorgen dat [eiser] de juiste toetsen kon afleggen. Het gaat om een periode van ongeveer drie maanden, die binnen hetzelfde schooljaar viel. Er is dus weliswaar sprake van enig tijdsverloop voordat [eiser] de toetsen opnieuw kon afleggen, maar dat tijdsverloop is niet onredelijk gelet op het feit dat Saxion speciaal voor [eiser] nieuwe toetsen diende op te stellen die aangepast moesten worden aan het oude curriculum.

Verder weegt mee dat in het hoger beroepsonderwijs toetsen voor vakken gebruikelijk twee keer per studiejaar worden afgenomen, zoals door Saxion ter zitting is verklaard en door [eiser] niet is weersproken. [eiser] was het eerste halfjaar van het schooljaar uitgesloten van het maken van toetsen en Saxion heeft hem in het tweede halfjaar in de gelegenheid gesteld om de toetsen te maken, waarbij [eiser] uiteindelijk zelf heeft beslist om één toets niet te maken.

Voorts is van belang dat [eiser] geen onderwijs heeft gevolgd voor de af te leggen toetsen en er dus alleen sprake was van zelfstudie voor het afleggen van de toetsen. Van onvoldoende begeleiding door Saxion is dus geen sprake.

Tenslotte heeft Saxion ter zitting herhaald dat zij steeds bereid is geweest en ook nog is om [eiser] te faciliteren om de toetsen af te leggen op basis van het oude curriculum.

5.7.

Verder heeft [eiser] onvoldoende feiten gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat Saxion haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden.

Conclusie

5.8.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Saxion heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende hogeschool mag worden verwacht en dat zij daarom niet aansprakelijk is voor eventuele schade die [eiser] stelt te hebben geleden. Omvang en hoogte van de door [eiser] gestelde en door Saxion betwiste schade bespreekt de kantonrechter daarom niet. Dit oordeel betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

Proceskosten

5.9.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om [eiser] te veroordelen in de daadwerkelijk door Saxion gemaakte proceskosten. De drempel voor een volledige kostenveroordeling is hoog, gelet op het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Er is geen sprake van misbruik van procesrecht door [eiser] , nu de vordering van [eiser] niet op voorhand geheel kansloos was.

5.10.

De proceskosten van Saxion worden begroot op:

- salaris gemachtigde

812,00

(2 punten × € 406,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

947,00

Beslissing

6
De beslissing

De kantonrechter

6.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 947,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2025 door mr. A.M.S. Kuipers.