Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:RBOVE:2026:1339

Op 11 March 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/08/337884 / HA ZA 25-287, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:1339. De plaats van zitting was Almelo.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
C/08/337884 / HA ZA 25-287
Datum uitspraak:
11 March 2026
Datum publicatie:
13 March 2026
Advocaat:
mr. T.R Oude Veldhuis;mr. R. Neurink

Indicatie

Partijen zijn eigenaren van aan elkaar grenzende percelen. Op de grens bevindt zich een oprit die gedeeltelijk op het perceel van partij A en gedeeltelijk op het perceel van partij B 1 en partij B 2 ligt. De oprit wordt door beide partijen gebruikt. Partij A vordert een verbod op het gebruik van zijn perceel, op straffe van een dwangsom. Partij B 1 en partij B 2 voeren verweer. Voor zover de vordering wordt toegewezen, vorderen zij ook een verbod op het gebruik van hun perceel, op straffe van een dwangsom.

De rechtbank concludeert dat er een erfdienstbaarheid is ontstaan en dat partij B 1 en partij B 2 het recht van overpad hebben. De vordering van partij A wordt daarom afgewezen. De vordering van partij B 1 en partij B 2 hoeft daarom niet behandeld te worden.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/337884 / HA ZA 25-287

Vonnis van 11 maart 2026

in de zaak van

[partij A] ,

te [woonplaats 1],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [partij A],

advocaat: mr. T.R. Oude Veldhuis,

tegen

1
[partij B 1],

te [woonplaats 2],2. [partij B 2],

te [woonplaats 3],

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in voorwaardelijke reconventie,

hierna samen te noemen: [partij B 1] en [partij B 2],

advocaat: mr. R. Neurink.

1
De zaak in het kort
1.1.

Partijen zijn eigenaren van aan elkaar grenzende percelen. Op de grens bevindt zich een oprit die gedeeltelijk op het perceel van [partij A] en gedeeltelijk op het perceel van [partij B 1] en [partij B 2] ligt. De oprit wordt door beide partijen gebruikt. [partij A] vordert een verbod op het gebruik van zijn perceel, op straffe van een dwangsom. [partij B 1] en [partij B 2] voeren verweer. Voor zover de vordering wordt toegewezen, vorderen zij ook een verbod op het gebruik van hun perceel, op straffe van een dwangsom.

1.2.

De rechtbank concludeert dat er een erfdienstbaarheid is ontstaan en dat [partij B 1] en [partij B 2] het recht van overpad hebben. De vordering van [partij A] wordt daarom afgewezen. De vordering van [partij B 1] en [partij B 2] hoeft daarom niet behandeld te worden.

2
De procedure
2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord in conventie en van voorwaardelijke eis in reconventie met producties,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- de pleitnotities van [partij A].

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3
De feiten
3.1.

Sinds 30 december 2004 zijn [partij B 1] en [partij B 2] eigenaren van het perceel grond met kadastrale aanduiding: [locatie 1]. Daarvóór was het perceel eigendom van de familie [naam].

3.2.

Sinds 2010 is [partij A] eigenaar van het perceel grond met de kadastrale aanduiding: [locatie 2]. Daarvóór was het perceel eigendom van zijn ouders.

3.3.

De percelen van partijen grenzen aan elkaar. Op de grens bevindt zich een oprit die gedeeltelijk op het perceel van [partij A] en gedeeltelijk op het perceel van [partij B 1] en [partij B 2] ligt. De oprit wordt door beide partijen gebruikt.

3.4.

In augustus 2024 heeft [partij A] aan [partij B 1] en [partij B 2] voorgesteld om een bruikleenovereenkomst voor het gebruik van zijn grond te sluiten. [partij B 1] en [partij B 2] zijn niet akkoord gegaan met het voorstel van [partij A].

3.5.

Op 19 december 2024 heeft [partij A] bij deurwaardersexploot een brief aan [partij B 1] en [partij B 2] laten betekenen, waarin hij hen heeft gesommeerd het gebruik van zijn grond te staken en gestaakt te houden en dit schriftelijk te bevestigen.

4
Het geschil

in conventie

4.1.

[partij A] vordert – samengevat – dat het [partij B 1] en [partij B 2] wordt verboden om na één maand na betekening van het vonnis zijn perceel grond op enigerlei wijze te gebruiken, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert hij dat [partij B 1] en [partij B 2] in de proceskosten worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

4.2.

[partij B 1] en [partij B 2] voeren verweer. [partij B 1] en [partij B 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de kosten van deze procedure.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

4.4.

[partij B 1] en [partij B 2] vorderen – samengevat en alleen als de vordering in conventie wordt toegewezen – dat het [partij A] wordt verboden om na één maand na betekening van het vonnis hun perceel grond op enigerlei wijze te gebruiken, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vorderen zij dat [partij A] in de proceskosten worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

4.5.

[partij A] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Overwegingen

5
De beoordeling

in conventie

Erfdienstbaarheid

5.1.

[partij A] vordert een verbod op het gebruik van zijn grond. [partij B 1] en [partij B 2] voeren aan dat er een erfdienstbaarheid op de grond van [partij A] is gevestigd en dat zij het recht van overpad hebben.

5.2.

Een erfdienstbaarheid is een last om iets te dulden of niet te doen, waarmee een erf ten behoeve van een ander erf is bezwaard. Een voorbeeld daarvan is een recht van overpad. Het is een afhankelijk recht dat overgaat met de eigendom van het erf. Een erfdienstbaarheid kan ontstaan door vestiging – door het opmaken van een notariële akte en het inschrijven daarvan in de openbare registers – of door verjaring. Dit volgt uit de artikel 5:70, 5:71 en 5:72 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

5.3.

In dit geval is geen sprake van een erfdienstbaarheid die in de registers is ingeschreven. De rechtbank zal beoordelen of door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan.

5.4.

Op grond van artikel 3:99 lid 1 BW ontstaat een erfdienstbaarheid na een onafgebroken bezit van een goed van tien jaar, als de bezitter te goeder trouw is. Dit wordt verkrijgende verjaring genoemd. Is de bezitter niet te goeder trouw, dan ontstaat de erfdienstbaarheid op grond van artikel 3:105 lid 1 en 3:306 BW na twintig jaar onafgebroken bezit. Dit wordt bevrijdende verjaring genoemd.

Verkrijgende verjaring

5.5.

In dit geval is geen sprake van bezit te goeder trouw. Dat [partij B 1] en [partij B 2] oprecht dachten dat zij een recht van overpad hadden, maakt hen nog niet te goeder trouw. Uit artikel 3:23 BW volgt namelijk dat een beroep op goede trouw niet kan worden aanvaard als sprake is van onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend. Als [partij B 1] en [partij B 2] in de openbare registers hadden gekeken, zouden zij hebben geweten dat er geen ingeschreven erfdienstbaarheid was. Daarnaast zijn er geen bijzondere omstandigheden die maken dat [partij B 1] en [partij B 2] als bezitters te goede trouw moeten worden aangemerkt. Van een erfdienstbaarheid door verkrijgende verjaring (na tien jaar onafgebroken bezit) is daarom geen sprake.

Bevrijdende verjaring

5.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is wel sprake van een onafgebroken bezit voor de duur van twintig jaar. Hierna wordt uitgelegd waarom.

5.7.

Voor het verkrijgen van een erfdienstbaarheid wegens verjaring, moet sprake zijn van een bezitshandeling die naar buiten kenbaar en ondubbelzinnig is. Van inbezitneming is sprake als iemand zich de feitelijke macht over een goed verschaft. Wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen onvoldoende voor inbezitneming (artikel 3:113 BW). Het enkel en alleen over de grond van een ander rijden, is dus niet aan te merken als inbezitneming. De bezitshandelingen van de rechtsvoorganger (de vorige eigenaar) van het perceel tellen mee voor de duur van het bezit.

5.8.

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat tot 2011 langs de zijkant van de woning van [partij B 1] en [partij B 2] met witte strepen parkeervakken waren aangeduid waar regelmatig auto’s werden geparkeerd. Deze parkeervakken waren door de rechtsvoorganger van [partij B 1] en [partij B 2], vóór 2004, aangelegd. Auto’s konden niet in deze parkeervakken parkeren, zonder over het erf van [partij A] te rijden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit aan te merken als een bezitshandeling. [partij B 1] en [partij B 2] en hun rechtsvoorganger hebben zich namelijk gedragen als bezitter van een recht van overpad en [partij A] en zijn rechtsvoorganger moesten de permanente aanwezigheid van deze parkeervlakken, die via hun erf werden bereikt, dulden (vgl. ECLI:NL:HR:1996:ZC2147). In 2011 is de oprit opnieuw geasfalteerd en zijn de voorste parkeervakken verdwenen. [partij B 1] en [partij B 2] hebben op dat gedeelte plantenbakken langs de oprit geplaatst, waardoor zij niet meer over de oprit kunnen rijden zonder over het erf van [partij A] te rijden. Achterin zijn nieuwe parkeervakken aangelegd (aangeduid met donkere tegels), waar regelmatig auto’s worden geparkeerd en die alleen kunnen worden gebruikt door over het erf van [partij A] te rijden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit ook aan te merken als een bezitshandeling. Deze bezitshandeling duurt sindsdien voort.

5.9.

Op het moment dat [partij A] [partij B 1] en [partij B 2] heeft aangeschreven om het gebruik van zijn grond te stoppen, was al sprake van een onafgebroken bezit van meer dan twintig jaar. Hierdoor is een erfdienstbaarheid ontstaan en hebben [partij B 1] en [partij B 2] het recht van overpad. De vordering van [partij A] zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

5.10.

[partij A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B 1] en [partij B 2] worden begroot op:

- griffierecht

331,00

- salaris advocaat

1.108,00

(2 punten × € 554,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

totaal

1.628,00

5.11.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in voorwaardelijke reconventie

5.12.

Aangezien de vordering van [partij A] wordt afgewezen, hoeft de vordering van [partij B 1] en [partij B 2] niet behandeld te worden.

Beslissing

6
De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen van [partij A] af,

6.2.

veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.628,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.4.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.