3.1.
[partij A] is sinds 1 mei 2003 in dienst bij [partij B] , laatstelijk als bedrijfsleider. [partij A] was in zijn functie onder meer verantwoordelijk voor voorraad- en kassabeheer. [partij A] verdiende € 1.913,82 bruto per maand voor gemiddeld 27,5 uur per week.
3.2.
Naast zijn werk bij [partij B] had [partij A] sinds 2014 een eigen onderneming met webshop genaamd ‘ [bedrijf] ’ (hierna: [bedrijf] ).
3.3.
Sinds 11 januari 2023 zijn de aandelen van [partij B] in handen van mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ).
3.4.
[naam 1] heeft [partij A] diverse WhatsAppberichten gestuurd over het geld dat [partij A] uit afstortenveloppen van [partij B] had genomen:
Op 16 januari 2025: Heb jij nog werk geld uit een van de enveloppen gehaald? Ik mis 1050 euro. Ik denk dat het handiger is dat je hier enveloppe met contanten neerlegt.”
Op 7 maart 2025: “Hoeveel geld had jij mij van de week in de enveloppe gedaan?.”
Op 3 juni 2025: “we moeten echt even zitten voor dat contante geld wantij heb echt geen idee meer. Vind k niet fijn.”
9 juli 2025: “alle contanten die je me terug had gedaan voor 11 juni (700 en 1600) (…) wil je dit even checken?”
3.5.
Op 18 september 2025 heeft [naam 1] het volgende bericht aan haar medewerkers gestuurd:
“Zoals iedereen weet is het nieuwe kassa en voorraadsysteem een feit. Alleen komen we er nu achter dat het inscannen van alle artikelen niet gelukt is en er is geen overzicht meer. We moeten dus alles nakijken.”
3.6.
Op 18 september 2025 heeft [partij A] een tas met kleding van [partij B] meegenomen naar de voormalig eigenaren van [partij B] , de heer en mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] , enkelvoud). [naam 2] is woonachtig in Italië. [naam 2] heeft voor € 320,- aan kleding uitgezocht en moest daar € 256,- voor betalen. Dit laatste bedrag heeft [partij A] met zijn verblijfkosten aldaar verrekend.
3.7.
Op 26 september 2025 heeft [partij A] een koopavond voor leden van zijn (voormalige) motorclub georganiseerd. Daarbij waren onder meer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en [naam 4] (hierna: [naam 4] ) aanwezig. Zij hebben die avond beiden kleding van [partij B] gekocht.
3.8.
Op 27 september 2025 heeft [partij A] privé een betaalverzoek (hierna: een tikkie) van € 180,- aan klant ‘ [naam 4] ’ gestuurd.
3.9.
Op 15 oktober 2025 heeft [partij A] aan [naam 1] laten weten dat hij en zijn vriendin uit elkaar zouden gaan.
3.10.
Op 17 oktober 2025 heeft [partij A] privé een tikkie aan een klant ‘ [naam 3] ’ gestuurd. [naam 3] heeft de tikkie diezelfde dag aan [partij A] betaald.
3.11.
Op 18 oktober 2025 heeft [naam 1] de ex-vriendin van [partij A] telefonisch en per WhatsApp gesproken. De ex-vriendin heeft toen een aantal screenshots van door [partij A] aan klanten verstuurde tikkies gestuurd.
3.12.
Vervolgens heeft [naam 1] aan [partij A] een overzicht gevraagd van door hem (aan klanten) verstuurde tikkies en betalingen die door klanten aan hem zijn verricht.
3.13.
Op 18 oktober 2025 heeft [partij A] het volgende bericht aan [naam 1] gestuurd:
“ [naam 3] komt jou komende week nog betalen (dit bedrag is niet via mij gegaan).”
3.14.
Op 18 oktober 2025 heeft de vader van [partij A] € 4.000,- aan [naam 1] betaald in verband met geld dat [partij A] uit de kassa/afstortenveloppen had gehaald, onder meer ten behoeve van betalingen voor [bedrijf] (voor UPS-pakketjes).
3.15.
Op 19 oktober 2025 heeft [partij A] privé een tikkie voor € 370,- aan klant ‘ [naam 3] ’ gestuurd. De tikkie is de daarop volgende dag door [naam 3] aan [partij A] betaald.
3.16.
Op 22 oktober 2025 heeft [partij A] een Excel-bestand aan [naam 1] toegestuurd met daarop onder meer verstuurde tikkies, waarin [partij A] aangeeft of de posten kunnen worden onderbouwd met bewijsstukken, het [bedrijf] -tikkies betreffen, of het nog moet worden uitbetaald aan [partij B] en welke posten nog moeten worden uitgezocht. In het overzicht heeft [partij A] de transacties met [naam 4] en [naam 2] niet opgenomen. Ten aanzien van [naam 3] schrijft hij dat die nog moeten worden uitbetaald, zoals eerder afgesproken met [naam 3] .
3.17.
Diezelfde avond heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] , de broer van [naam 1] , [partij A] en de vader van [partij A] .
3.18.
Per e-mail van 23 oktober 2025 heeft [naam 1] aan [partij A] geschreven:
“ik heb morgen een VSO voor je klaar teken dit alsjeblieft (…).
(…)
Ik hoop dat we hier samen uit kunnen komen [partij A], anders moet ik het verder oppakken met mijn advocaat.”
3.19.
Per WhatsApp van 24 oktober 2025 heeft [naam 1] bij [naam 3] gevraagd wanneer hij kwam betalen. Vervolgens heeft [naam 3] teruggestuurd dat hij alles al via een tikkie aan [partij A] had betaald. Ook meldde hij dat [naam 4] op 26 september 2025 ook een kledingstuk had gekocht en heeft hij de tikkie doorgestuurd, die [partij A] op 27 september 2025 aan [naam 4] had gestuurd.
3.20.
Per brief van 28 oktober 2025 is [partij A] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat dat [partij A] zich herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan diefstal en/of verduistering en/of misbruik van positie als bedrijfsleider. Daarbij heeft [partij B] de volgende gebeurtenissen– zowel afzonderlijk als tezamen – aan het ontslag ten grondslag gelegd:
Ondanks dat tussen partijen is afgesproken dat [partij A] geen gelden uit de kas of de afstortenveloppen zou pakken voor privédoeleinden en/of voor zijn eigen onderneming, heeft hij dit toch gedaan; in oktober 2025 stond in dat kader een bedrag open van € 4.309,73;
[partij A] had [naam 3] op 17 en 19 oktober 2025 al tikkies (van in totaal € 670,-) voor een betaling naar zijn privérekening gestuurd voor de door [naam 3] bij [partij B] gekochte kleding. Dit terwijl [partij A] op 18 oktober 2025 per WhatsApp aan [naam 1] had laten weten dat [naam 3] de betaling rechtstreeks aan [partij B] zou voldoen;
[partij A] heeft kleding meegenomen naar [naam 2] en de daarmee gemoeide omzet niet aan [partij B] afgedragen. Bovendien stond die kleding nog steeds op voorraad in het systeem bij [partij B] ;
Tot slot zijn twee jassen van in totaal € 469,85 verkocht aan [naam 4] en heeft [partij A] [naam 4] een ongeoorloofde korting gegeven, waardoor de klant maar € 300,- heeft betaald. Ook is de daarmee gemoeide omzet niet aan [partij B] afgedragen. Ook deze jassen stonden nog steeds op voorraad bij [partij B] .
In de ontslagbrief staat daarnaast:
“ (…) de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:667 lid 2 BW. Deze vergoeding is gelijk aan het loon dat [partij B] u had moeten betalen, wanneer sprake zou zijn van een reguliere opzegging uwerzijds, dus het loon over de periode 28 oktober 2025 t/m 30 november 2025. [partij B] zal deze schadevergoeding verrekenen met de eindafrekening, zodat daarvan geen betaling zal plaatsvinden.”
3.21.
Per e-mail van de gemachtigde van [partij B] van 28 november 2025 is een Excelbestand aan de gemachtigde van [partij A] toegestuurd met ‘verdachte’ betalingen. Daarop staan onder meer tikkies en contante betalingen die volgens [naam 1] nog door [partij A] aan [partij B] moeten worden betaald. Daarop staan onder meer de betalingen van [naam 3] , [naam 4] en [naam 2] . Mr. Braamhaar heeft daarbij vermeld dat als [partij A] meent dat hij deze betalingen wél aan [partij B] heeft afgedragen, zij daar graag bewijs van ontvangt.
3.22.
Per brief van 16 december 2025 is [partij A] voor een tweede keer (voorwaardelijk) op staande voet ontslagen. Aan dit ontslag liggen vergelijkbare verwijten als aan het eerste ontslag ten grondslag. Daarnaast wordt [partij A] verweten dat hij tijdens werktijd, althans in de winkel van [partij B] , drugs heeft gekocht en/of gebruikt.
3.23.
Op 29 januari 2026 heeft klant ‘ [naam 4] ’ het volgende schriftelijk verklaard:
“Ik vroeg aan [naam 5] wat de jassen kosten waarop hij aangaf dat er bij contante betaling een korting mogelijk was. Deze jassen hadden samen een winkelwaarde van boven de €400,- en wij konden ze kopen voor €150,- per stuk.
Gezien het feit dat ik niet genoeg contant geld bij mij had gaf ik aan of het mogelijk was, dat wij de volgende dag zouden komen betalen. Dit was in eerste instantie akkoord. Vervolgens heb ik gezegd, ik kan je nu vast een bedrag dat ik wel bij me heb (€120,-) betalen en zei toen dat wij het resterende bedrag van € 180,- de volgende dag zouden komen voldoen in winkel. Dit was akkoord.
De volgende ochtend stuurde de heer [partij A] mij echter een Tikkie voor het resterende bedrag, zodat wij niet opnieuw naar de winkel hoefden te komen”
3.24.
Op 29 januari 2026 heeft mevrouw [naam 6] (een voormalig werknemer van [partij B] ) het volgende verklaard:
“Hierop is [partij A] door [naam 1] aangesproken en is hem medegedeeld dat hij voortaan zelf moest zorgen voor contant geld voor de pakketten van zijn eigen bedrijf. Deze mededeling is destijds ook aan mij gedaan.”
3.25.
Op 6 februari 2026 heeft [naam 2] het volgende verklaard:
“Na de overgang van de winkel naar mevrouw [naam 1] is aan ons als oud eigenaren en vaste klanten meermalen een korting van 20% verstrekt bij aankopen. [naam 5] was hiervan op de hoogte. Wij begrijpen dat hij bij latere transacties ditzelfde kortingsniveau heeft toegepast. Dit sloot aan bij wat wij zelf eerder bij de nieuwe eigenaar hadden ontvangen (…).”
Overwegingen
5
De beoordeling van de verzoeken
Ontvankelijkheid verzoeken
5.1.
[partij A] heeft het verzoekschrift per e-mail van 23 december 2025 aan de griffie toegestuurd, en de griffie heeft op 29 december 2025 een schriftelijk exemplaar per post ontvangen.
5.2.
[partij A] is op 28 oktober 2025 ontslagen. De verzoeken hadden dus normaal gesproken op grond van artikel 7:686a BW op 28 december 2025 ingediend moeten zijn. Echter is 28 december 2025 een zondag en verschuift de termijn op grond van de Algemene Termijnenwet dan door naar de eerstvolgende werkdag.
5.3.
Het verzoekschrift is aldus binnen de geldende vervaltermijn ingediend en [partij A] is ontvankelijk in zijn verzoeken.
Toelaatbaarheid ingediende stukken
5.4.
In het procesreglement staat dat een verweerschrift bij voorkeur vijf werkdagen voor de mondelinge behandeling moet zijn ingediend. Daarnaast staat in het procesreglement dat partijen overige stukken uiterlijk tien kalenderdagen voor de mondelinge behandeling in het geding brengen. Op stukken die nadien worden overgelegd wordt geen acht geslagen, tenzij de rechter op de mondelinge behandeling anders beslist.
5.5.
Beide partijen hebben (na toestemming van de kantonrechter) op 6 februari 2025 aanvullende producties ingediend. Beide partijen hadden nog één werkdag om deze stukken te bestuderen en verkeerden daarmee procesrechtelijk in dezelfde positie. Deze producties zijn daarom toegestaan.
5.6.
Op de dag voor de mondelinge behandeling heeft [partij A] nog een productie 28 met daarin een reactie op de aanvullende producties van [partij B] ingediend. De kantonrechter acht het in dit geval in strijd met de goede procesorde als ten aanzien van [partij A] nog een ronde aan verweer zou worden toegestaan, waar [partij B] deze mogelijkheid niet heeft. Bovendien acht zij het stuk te laat – nog (net) geen 24 uur voor de zitting – ingediend. De kantonrechter heeft daarom voor de mondelinge behandeling aan partijen laten weten productie 28 niet aan het dossier toe te voegen. Dit stuk is dus niet door de kantonrechter gelezen.
5.7.
Hieronder zal de kantonrechter inhoudelijk ingaan op de verzoeken van [partij A] .
5.8.
Het gaat in deze zaak (in hoofdzaak) om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd.
5.9.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet van 28 oktober 2025 rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.10.
Bij de beoordeling van een gegeven ontslag op staande voet worden alleen de gronden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag liggen – in dit geval vastgelegd in de brief van 28 oktober 2025 – meegenomen. Daarbij geldt dat volgens vaste jurisprudentie strafrechtelijke termen als ‘diefstal’ en ‘verduistering’ niet, zoals [partij A] stelt, in zijn strafrechtelijke betekenis moeten worden opgevat. (Voetnoot 1)
5.11.
Kort gezegd wordt [partij A] in de ontslagbrief verweten dat hij geld uit de afstortenveloppen heeft gepakt voor zijn eigen onderneming, hij geld van drie klanten ( [naam 3] , [naam 4] en [naam 2] ) heeft ontvangen en dit niet aan [partij B] heeft afgedragen (terwijl de aan [naam 4] en aan [naam 2] verkochte kledingstukken nog steeds op voorraad staan) en hij klant ‘ [naam 4] ’ een ongeoorloofde korting heeft gegeven.
5.12.
Hieronder worden de gedragingen die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd afzonderlijk besproken.
5.13.
In de ontslagbrief wordt het [partij A] verweten dat hij geld uit de kassa en uit zogenaamde afstortenveloppen nam om daarmee betalingen te verrichten voor zijn eigen onderneming.
5.14.
Vaststaat dat [partij B] ervan op de hoogte was dat [partij A] geld uit de afstortenveloppen nam voor betalingen ten behoeve van zijn eigen onderneming. Zoals ook in het verweerschrift van [partij B] staat heeft zij dit lange tijd ‘oogluikend toegestaan’ en verklaarde [naam 1] tijdens de mondelinge behandeling ook dat dit gebeurde en is ‘opgelopen’. Uit WhatsAppberichten van [naam 1] aan [partij A] , zoals de berichten tussen januari 2025 tot en met juli 2025, blijkt weliswaar dat [naam 1] de gang van zaken niet heel prettig vond, maar niet gebleken is dat zij het vervolgens op een gegeven moment heeft verboden of dat daar tussen partijen afspraken over zijn gemaakt. De verklaring van voormalig werknemer ‘ [naam 6] ’ is onvoldoende om dit aan te nemen.
5.15.
Dat [partij A] geld uit de kassa/afstortenveloppen nam, kan [partij A] dus niet worden verweten en kan dan ook niet (als dringende reden) aan het ontslag op staande voet ten grondslag worden gelegd.
5.16.
De kantonrechter overweegt dat [partij A] zich ten aanzien van [naam 1] onjuist heeft uitgelaten over de wijze waarop [naam 3] de bij [partij B] gekochte kleding zou betalen. Zo schreef [partij A] aan [naam 1] in een WhatsAppbericht van 18 oktober 2025 dat [naam 3] rechtstreeks aan [partij B] zou betalen, terwijl hij de dag daarvoor al een tikkie aan [naam 3] had gestuurd en die diezelfde dag ook al door [naam 3] aan [partij A] was betaald. Op 20 oktober 2025 had [partij A] [naam 3] nogmaals een tikkie gestuurd. [partij A] heeft [naam 1] niet over deze tikkies ingelicht, ook niet in het gesprek op 22 oktober 2025; [naam 1] moest hier op 24 oktober 2025 via [naam 3] achter komen.
5.17.
Ondanks dat de kantonrechter dit geen transparante gang van zaken vindt, kan de kantonrechter niet vaststellen of [partij A] de bedoeling had om het geld onder zich te houden. Zo schrijft [partij B] in haar verweerschrift dat – nadat zij hem daarnaar had gevraagd – [partij A] aan haar had verteld dat [naam 3] voor € 670,- aan kleding had uitgezocht. Ook communiceerden [partij A] en [naam 1] per WhatsApp over het bedrag dat nog aan [partij B] zou toekomen. Daarnaast had [partij A] [naam 3] in het Excelbestand van 22 oktober 2025 opgenomen. [partij A] wist dus dat [naam 1] van de verkoop af wist en hij wist ook dat hij het verkoopbedrag aan [partij B] moest afdragen. Van diefstal of verduistering kan dan geen sprake zijn, hooguit heeft hij het bedrag ten onrechte enige tijd onder zich gehouden.
5.18.
De kwestie ‘ [naam 3] ’ kan dan ook niet (als dringende reden) aan het ontslag op staande voet ten grondslag worden gelegd. Dit ligt anders voor de volgende twee kwesties.
5.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 4] op 26 september 2025 twee jassen heeft gekocht die een waarde vertegenwoordigen van € 469,85. Ook staat vast dat [naam 4] van dit bedrag € 180,- via een tikkie aan [partij A] heeft voldaan en een deel contant heeft betaald.
5.20.
Door [partij A] is niet weersproken dat [naam 1] er op 23 oktober 2025 via [naam 3] achter moest komen dat niet alleen [naam 3] op de koopavond van 26 september 2025 kleding had aangeschaft, maar ook [naam 4] kleding had gekocht. Dit terwijl onbetwist door [partij B] is gesteld dat [naam 1] voor die tijd al aan [partij A] had gevraagd of er verkopen hadden plaatsgevonden op die bewuste koopavond en [partij A] vervolgens alleen over de aankopen van [naam 3] had verteld.
5.21.
[partij B] kon dus niet van de verkoop aan [naam 4] af weten omdat [partij A] de verkoop had verzwegen, [partij A] de betaling aan zichzelf heeft laten plaatsvinden en de kleding die [naam 4] had gekocht in het systeem van [partij B] nog op voorraad stond.
5.22.
[partij A] stelt dat hij het bedrag van € 180,- naar zijn weten heeft afgedragen, maar dit is onvoldoende onderbouwd. Pas ter zitting verklaarde hij dat het waarschijnlijk de dinsdag of woensdag na 27 september 2025 in de kassa moet zijn gedaan. Dit wordt echter door [partij B] betwist.
5.23.
[partij A] moet bij betwisting door [partij B] zijn stelling onderbouwen dat hij het bedrag in de kassa heeft gedaan. Dat heeft hij niet gedaan. Dat hij het bedrag ‘waarschijnlijk’ in de kassa heeft gedaan is door hem niet onderbouwd en dan ook onvoldoende. Als bedrijfsleider, verantwoordelijk voor de gang van zaken bij verkopen en voor de financiën, mocht van [partij A] verwacht worden dat hij overzicht heeft over het afdragen van een bedrag in de kassa dat in privé aan hem is betaald. Dat hij op enig moment geen toegang meer had tot het kassasysteem maakt nog niet dat hij niet zou kunnen verklaren hoe het is gegaan. Bovendien: als hij het niet zeker wist, had hij dit bedrag in het Excelbestand van 22 oktober 2025 moeten opnemen. Dat heeft hij niet gedaan. Dit geldt te meer nu hij wist dat hij in dit Excelbestand – en het gesprek dat daarover die avond volgde – openheid van zaken moest geven.
5.24.
Volgens [partij A] zou bovendien uit het kassasysteem moeten blijken dat [naam 4] € 289,85 contant heeft betaald, maar volgens [partij B] staat ook op 26 september 2025 geen contante betaling in het kassasysteem. Voor zover [partij A] zich erop beroept dat de contante betaling op een andere dag heeft plaatsgevonden, heeft hij niet concreet vermeld wanneer dit zou moeten zijn gebeurd. En ook hiervoor geldt dat hij als bedrijfsleider het overzicht zou moeten hebben. Ook hier is dan ook geen sprake van een afdoende verklaring zoals die van een bedrijfsleider mag worden verwacht.
5.25.
Gezien het voorgaande acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat [partij A] geld van [naam 4] onder zich heeft gehouden zonder dat aannemelijk is geworden dat [partij A] de bedoeling had om dit af te dragen.
5.26.
Daarnaast is voldoende aannemelijk dat [partij A] [naam 4] een korting van € 169,85 heeft gegeven. [naam 4] heeft namelijk schriftelijk verklaard – na een gegeven korting – in totaal € 300,- voor de jassen te hebben betaald. [partij A] heeft dit onvoldoende (onderbouwd) weerlegd. Dat het [partij A] was toegestaan om zonder toestemming van [naam 1] een (dergelijke) korting te geven, is niet gebleken. Uit de WhatsAppberichten die [partij A] heeft overgelegd, blijkt slechts dat [partij A] toestemming had om werknemers en hun partners korting te geven, en dat [partij A] ten aanzien van bepaalde klanten juist specifiek toestemming aan [naam 1] vroeg om een bepaalde korting te geven. [partij A] had dan ook niet zonder toestemming korting aan [naam 4] mogen geven en dat kan hem worden verweten.
5.27.
Over de betaling van [naam 2] heeft [partij A] tegenstrijdige verklaringen afgegeven: in het verzoekschrift schreef hij dat het met zijn verblijfskosten is verrekend, tijdens de mondelinge behandeling bracht zijn gemachtigde naar voren dat [partij A] zich meent te herinneren dat het geld al aan [partij B] is afgedragen en vervolgens verklaarde [partij A] zelf dat het geld wellicht nog aan [partij B] ten goede moet komen en er sprake is van een administratieve omissie.
5.28.
[partij A] heeft hiermee onvoldoende onderbouwd dat het geld al aan [partij B] is afgedragen. Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat hij bij twijfel de betaling in het Excelbestand van 22 oktober 2025 had moeten opnemen. Dit heeft hij niet gedaan. Dat hierbij sprake was van een administratieve omissie acht de kantonrechter niet onderbouwd en gelet op de tegenstrijdige verklaringen ook onwaarschijnlijk.
5.29.
Bovendien geldt dat zelfs als [partij A] meende dat hij niets meer aan [partij B] verschuldigd was, het een bedrijfsleider niet past om kleding uit de voorraad te halen, dat niet te administreren, de opbrengst van de verkoop te gebruiken om eigen betalingsverplichtingen te voldoen en daar vervolgens tegenover [naam 1] niets over te vermelden. Dit geldt temeer nu uit de WhatsAppgesprekken blijkt dat partijen veelvuldig over van alles ten aanzien van de bedrijfsvoering, financiën en verkopen met elkaar correspondeerden. Dat [partij B] niet over de mogelijkheid beschikte om zakelijke tikkies te sturen en [naam 1] er (mogelijk) van op de hoogte was dat [partij A] betalingen via een privé tikkie ontving, maakt niet dat [partij A] over die ontvangen bedragen geen verantwoording hoefde af te leggen.
5.30.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de kwestie ‘ [naam 4] ’ en de kwestie ‘ [naam 2] ’ een dringende reden opleveren voor een ontslag op staande voet; van [partij B] kon niet worden gevergd het dienstverband te laten voortduren.
5.31.
Dat [partij B] op 23 oktober 2025 [partij A] een vaststellingsovereenkomst had aangeboden, doet hier niet aan af. Op dat moment was het onderzoek naar de betalingen immers nog niet afgerond en was [partij B] nog bereid met een vaststellingsovereenkomst uit elkaar te gaan.
5.32.
Voor een ontslag op staande voet is – naast een dringende reden – ook vereist dat het ontslag onverwijld is gegeven. De kantonrechter is van oordeel dat ook aan dit vereiste is voldaan.
5.33.
[partij B] is er op 18 oktober 2025 achter gekomen dat betalingen die bestemd waren voor [partij B] aan [partij A] hadden plaatsgevonden. Zij heeft [partij A] vervolgens in de gelegenheid gesteld openheid van zaken te geven. Naar aanleiding van het – volstrekt onduidelijke/onvolledige – Excelbestand van 22 oktober 2025 en het gesprek dat daarop tussen partijen volgde, waarbij het voor [partij A] duidelijk was dat hij in dat gesprek volledig transparant moest zijn over de kasverschillen en door hem geïncasseerde bedragen, is [naam 1] onderzoek gaan verrichten en heeft zij navraag gedaan bij meerdere klanten. Daarbij moest zij het kassasysteem checken en de voorraden bekijken. Zelfs ten tijde van het ontslag was het onderzoek nog niet volledig afgerond, zoals ook blijkt uit de ontslagbrief: “Naaste voornoemde bewezen gevallen van diefstal zijn er nog veel meer (concrete) vermoedens van diefstal en is het onderzoek hiernaar nog steeds gaande”. Uit het nadere onderzoek zijn ook nog meer kwesties gekomen, die ten grondslag zijn gelegd aan het tweede ontslag op staande voet.
5.34.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [partij B] voortvarend heeft gehandeld door onmiddellijk onderzoek te doen naar de kwesties en [partij A] vervolgens – terwijl het onderzoek nog gaande was – op 28 oktober 2025 op staande voet te ontslaan. Aan de onverwijldheidseis is daarmee voldaan.
Conclusie: [partij A] is op 28 oktober 2025 terecht ontslagen
5.35.
De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat [partij A] op 28 oktober 2025 terecht op staande voet is ontslagen. De door [partij A] aangevoerde persoonlijke omstandigheden en de duur van het dienstverband doen de kantonrechter niet anders beslissen.
5.36.
Dat het ontslag op staande voet onterecht is omdat [partij A] geen gelegenheid zou hebben gehad voor wederhoor wordt niet gevolgd: afgezien van het feit dat dat geen wettelijk vereiste is, heeft [naam 1] [partij A] op 22 oktober 2025 uitdrukkelijk de gelegenheid gegeven om openheid van zaken te geven met als leidraad het Excelbestand van [partij A] . Op die dag heeft ook een gesprek plaatsgevonden. [partij A] is daarmee op 22 oktober 2025 uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om openheid van zaken te geven.
Op 23 oktober 2025 heeft [naam 1] per e-mail aan [partij A] laten weten, kortgezegd, dat als partijen er samen niet uitkwamen, zij dit zou oppakken met haar advocaat. Partijen zijn er samen niet uitgekomen. Ook na 23 oktober 2025, wetende dat nader onderzoek volgde, heeft [partij A] geen openheid van zaken gegeven. Door deze houding van [partij A] kan aan [partij B] niet worden verweten dat zij geen wederhoor zou hebben toegepast.
5.37.
Aangezien dit ontslag terecht is gegeven, kan het tweede gegeven ontslag op staande voet onbesproken blijven.
Transitievergoeding, billijke vergoeding en vergoeding onregelmatige opzegging
5.38.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door onder meer geld onder zich te houden zonder de intentie om dit aan [partij B] af te dragen, ongeoorloofde kortingen te geven en hier op 22 oktober 2025 en ook daarna geen openheid van zaken over te geven. [partij A] heeft daarom geen recht op een transitievergoeding. Ook ziet de kantonrechter geen reden op grond van artikel 7:673 lid 8 BW alsnog een transitievergoeding toe te kennen.
5.39.
Nu het ontslag rechtsgeldig is gegeven, heeft [partij A] ook geen recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en/of een billijke vergoeding.
Achterstallig salaris, vakantiegeld en vakantiedagen
5.40.
[partij A] vordert betaling van nog niet uitbetaald vakantiegeld en van niet-genoten vakantiedagen. Daarnaast vordert hij salaris over november 2025. Daarbij wordt verwezen naar 4.45 van het verzoekschrift, waarin het gaat over het salaris van oktober 2025. De kantonrechter gaat ervan uit dat [partij A] het salaris over oktober 2025 bedoelt, aangezien hij in november 2025 niet meer in dienst was bij [partij B] .
5.41.
Tussen partijen is niet in geschil dat [partij A] het salaris over oktober 2025, het vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen (van in totaal € 4.757,12) niet uitbetaald heeft gekregen. [partij B] doet echter een beroep op verrekening. Dit beroep slaagt, nu het hier om de eindafrekening gaat op grond waarvan [partij B] de vorderingen van [partij A] mag verrekenen met de vorderingen die [partij B] nog op [partij A] heeft. Hierdoor heeft [partij A] niets meer van [partij B] te vorderen.
5.42.
De vorderingen die [partij B] mag verrekenen, worden hieronder besproken bij de beoordeling van de tegenverzoeken.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
5.43.
Aangezien [partij B] een geslaagd beroep op verrekening heeft gedaan, is het salaris, het vakantiegeld en het vakantietegoed niet te laat uitbetaald en heeft [partij A] geen recht op wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover.
Voorgeschoten retourbetalingen ad € 379,-
5.44.
[partij A] vordert betaling van vier door hem aan klanten voorgeschoten betalingen van mei, juni, juli en september 2025. [partij B] betwist dat [partij A] een vordering op haar heeft.
5.45.
De kantonrechter acht de stelling van [partij A] dat [naam 1] hem in verband met enig voorschot nog iets moet betalen onvoldoende onderbouwd. Het is onduidelijk waar de betalingen precies op zien en dit is zonder onderbouwing niet te controleren. Niet gebleken is dat [partij A] eerder bij [naam 1] heeft gevraagd naar deze betalingen en [partij B] van deze betalingen kon afweten. Indien [partij A] deze bedragen bovendien heeft voorgeschoten en hij dit nog niet zou hebben verrekend met enig ander bedrag dat hij aan [partij B] verschuldigd was, heeft [partij A] in het licht van zijn eigen excelbestand en de bespreking daarover niet aannemelijk gemaakt waarom [partij A] daar pas in deze procedure bij verzoekschrift bij [partij B] naar zou vragen.
5.46.
De kantonrechter wijst dit verzoek dan ook als onvoldoende onderbouwd af.
6
De beoordeling van de tegenverzoeken
6.1.
Gezien het voorgaande worden de tegenverzoeken a), b) en c) van [partij B] toegewezen, zoals hieronder vermeld in de beslissing.
Gefixeerde schadevergoeding
6.2.
[partij A] stelt dat [partij B] haar tegenverzoeken buiten de vervaltermijn heeft ingediend. Dit wordt door [partij B] betwist.
6.3.
De kantonrechter is van oordeel dat deze vordering van [partij B] kan worden ontvangen. [partij B] heeft zich in de ontslagbrief van 28 oktober 2025 jegens [partij A] op verrekening beroepen. [partij B] heeft hiermee binnen de vervaltermijn een geslaagd beroep op verrekening gedaan, als bedoeld in artikel 6:127 BW. Op grond daarvan zijn de verbintenissen (de gefixeerde schadevergoeding die [partij A] aan [partij B] verschuldigd is, het salaris, het vakantiegeld en de vakantiedagen die [partij B] aan [partij A] verschuldigd is) voor het verlopen van de vervaltermijn – namelijk ten tijde van de ontslagbrief – tot hun gemeenschappelijk beloop tenietgegaan.
6.4.
De hoogte van de gevorderde gefixeerde schadevergoeding is niet betwist en de kantonrechter gaat dan ook uit van een bedrag van € 1.948,30 bruto.
6.5.
Aangezien de gefixeerde schadevergoedingsvordering met de verrekening teniet is gegaan, wordt het verzoek tot het veroordelen van [partij A] tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding afgewezen.
Vordering ex artikel 6:162 BW
6.6.
Voor de vordering van [partij B] ex artikel 6:162 BW geldt geen vervaltermijn.
6.7.
Aangezien deze vordering voldoende verband houdt met het (eindigen van het) dienstverband, zal de kantonrechter deze vordering inhoudelijk beoordelen.
6.8.
[partij A] heeft onrechtmatig gehandeld door betalingen van klanten aan te nemen en die gelden niet (volledig) aan [partij B] af te dragen. Dit kan hem worden toegerekend, waardoor hij de schade die [partij B] daardoor leidt moet vergoeden.
- Resterend bedrag uit afstortenveloppen
6.9.
Door [partij A] is onvoldoende (onderbouwd) betwist dat een bedrag van € 4.309,73 openstond, omdat hij dat geld uit de afstortenveloppen voor betalingen voor zijn eigen onderneming had gehaald. Ook is niet gebleken dat [partij A] verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van het openstaande bedrag nadat de gemachtigde van [partij B] hem de e-mail van 28 november 2025 stuurde inhoudende dat nog een bedrag van € 309,73 open stond. De vader van [partij A] heeft op 18 oktober 2025 al € 4.000,- van dat bedrag afgelost, waardoor een bedrag van € 309,73 resteert.
- Overige vorderingen van betalingen door klanten
6.10.
[partij B] heeft een lijst overgelegd met daarop betalingen die volgens [partij B] aan [partij A] zijn betaald en niet aan [partij B] zijn afgedragen. [partij A] verwijst voor zijn verweer naar de door hem als productie 26 en 27 overgelegde stukken.
6.11.
Het overzicht van productie 26 bevat een aantal cryptische omschrijvingen. De kantonrechter heeft geprobeerd – zonder toelichting vanuit de kant van [partij A] – wijs te worden uit die stukken en daaruit de verweren van [partij A] te destilleren.
6.12.
[partij A] stelt dat met het door zijn vader betaalde bedrag van € 4.000,- ook een deel van de openstaande klantbetalingen is voldaan. Door [partij B] wordt dit echter betwist. [partij B] voert aan dat het op 18 oktober 2025 nog helemaal niet bij [partij B] bekend was dat zij nog geld van [partij A] tegoed had ten aanzien van de genoemde klanten. Bovendien verklaarde [partij A] tijdens de mondelinge behandeling dat die € 4.000,- naast de afstortenveloppen zag op drie betalingen van die week, maar hij heeft dit niet nader onderbouwd. [partij A] heeft dus onvoldoende onderbouwd gesteld dat het betaalde bedrag van € 4.000,- niet alleen zag op geleend geld uit de afstortenveloppen, maar ook op door hem ontvangen betalingen van klanten. Ten aanzien van de gevorderde bedragen waartegen [partij A] dit verweer voert (de kledingverkopen aan de klanten ‘ [naam 7] ’, ‘ [naam 8] ’ en ‘ [naam 9] ’), worden die bedragen aldus toegewezen.
6.13.
Van een aantal betalingen voert [partij A] geen verweer of staat er dat dat nog verder moet worden uitgezocht. Aangezien [partij A] vervolgens geen nader verweer heeft aangevoerd, worden ook deze bedragen (ten aanzien van de klanten ‘ [naam 7] ’, ‘ [naam 9] ’, ‘ [naam 10] ’, ‘ [naam 11] ’, ‘ [naam 12] ’, ‘ [naam 13] ’, ‘ [naam 14] ’, ‘ [naam 15] ’, ‘ [naam 16] ’, ‘ [naam 13] ’ en ‘ [naam 17] ’) toegewezen.
6.14.
Ten aanzien van het bedrag ad € 215,- van klant ‘ [naam 9] ’, heeft [partij A] bewijs overgelegd dat daarvan € 200,- is voldaan. Hier is geen verweer van [partij B] tegen bekend, waardoor van de vordering van [partij B] slechts een vordering van € 15,- wordt toegewezen.
6.15.
[partij A] verwijst ten aanzien van klant ‘ [naam 7] ’ naar een tikkie van € 60,-, die aan haar retour zou zijn gestort van zijn privébankrekening. Het is echter onduidelijk waar de tikkie van 7 juli 2025 (van de overgelegde printscreen) op ziet en ook is niet te controleren of dit al met [partij B] is verrekend. De vordering van [partij B] ten aanzien van deze klant wordt daarom toegewezen.
6.16.
Ten aanzien van klant ‘[naam 22]’ voert [partij A] aan dat hij zijn eigen shirt heeft afgestaan. In het overzicht staat het aangemerkt als ‘tegoed, dat nog moet worden uitbetaald’. De rechtbank kan het verweer van [partij A] – zonder nadere toelichting – niet volgen en wijst de vordering dan ook toe.
6.17.
De vorderingen die zien op aankopen van de klanten ‘ [naam 18] ’, ‘ [naam 19] ’, ‘ [naam 20] ’ en ‘ [naam 21] ’ worden afgewezen, omdat [partij A] heeft aangevoerd dat deze bedragen (contant) aan [partij B] zijn voldaan. Hij heeft daar ook bewijs van overgelegd. [partij B] heeft vervolgens niet op dit verweer gereageerd. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat deze klanten inderdaad aan [partij B] hebben betaald.
6.18.
[partij B] stelt dat [partij A] ook de bedragen die corresponderen met de (ongeoorloofd) door [partij A] gegeven kortingen aan [partij B] moet betalen.
6.19.
[naam 3] heeft € 670,- aan [partij A] betaald. [partij A] heeft ter zitting aangevoerd dat hij 5% korting (te weten € 42,96) aan [naam 3] heeft gegeven, hetgeen volgens hem gebruikelijk was in verband met het toepasselijke puntensysteem. [naam 1] verklaarde ter zitting dat het puntensysteem pas met het nieuwe systeem is ingevoerd. Voor zover de kantonrechter bekend, was het nieuwe systeem echter in september 2025 al ingevoerd en dus ook van toepassing op de aankoop op 26 september 2025. [partij B] heeft haar stelling dat [partij A] de korting niet mocht geven dan ook onvoldoende onderbouwd. De vordering van [partij B] op [partij A] ten aanzien van [naam 3] wordt daarom voor een bedrag van € 670,- toegewezen.
6.20.
Zoals hiervoor aan de orde is gekomen, heeft [partij A] [naam 4] een ongeoorloofde korting gegeven. [partij B] heeft daarom recht op het bedrag ter hoogte van de waarde van de kleding die [naam 4] heeft aangeschaft, te weten € 469,85. In het overzicht van productie 26 verwijst [partij A] naar een tikkie van € 230,-. De kantonrechter kan niet beoordelen waar dat betaalverzoek op ziet. [partij A] heeft in het kader van de ontslaggrond ook niks daarover aangevoerd. De kantonrechter gaat dan ook aan dit ‘verweer’ voorbij.
6.21.
Ten aanzien van [naam 2] verwijst [partij A] naar de schriftelijke verklaring van [naam 2] . In deze verklaring staat dat [naam 1] hen – als oud-eigenaren – meerdere malen een korting van 20% heeft gegeven. Dit is onvoldoende door [partij B] betwist. Het is dan ook onvoldoende gebleken dat [partij A] deze korting niet ook aan hen mocht geven. De kantonrechter wijst daarom alleen het bedrag toe dat [naam 2] aan [partij A] – door middel van verrekening met de privé verblijfskosten van [partij A] – heeft voldaan. Dit betreft een bedrag van € 256,-.
6.22.
In totaal wijst de kantonrechter een vordering toe van € 4.854,14 , plus € 309,73 aan geld uit de afstortenveloppen is € 5.163,87.
Conclusie ten aanzien van de verrekening
6.23.
[partij B] mocht de vordering die [partij A] op haar heeft (€ 4.757,- bruto) dus met haar vorderingen op [partij A] (de gefixeerde schadevergoeding ad € 1.948,30 bruto en de vordering op grond van artikel 6:162 BW ad € 5.163,87 netto) verrekenen. Het verschil dient [partij A] aan [partij B] betalen. De kantonrechter kan de hoogte van dit resterende bedrag dat [partij A] nog aan [partij B] moet betalen niet exact berekenen, aangezien de vordering van [partij A] een bruto bedrag is, de gefixeerde schadevergoeding die [partij A] aan [partij B] moet betalen eveneens een brutobedrag is terwijl het schadebedrag dat [partij A] aan [partij B] moet betalen een nettobedrag is.