RECHTBANK Overijssel
Zaaknummer: C/08/332379 / HA ZA 25-138
Vonnis van 14 januari 2026
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A.C. Kool,
[gedaagde]
,
in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflaatster] , alsmede in hoedanigheid van erfgenaam en pro se,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. B. Holthuis.
3.1.
Op [overlijdensdatum 1] is de moeder van [gedaagde] , mevrouw [schoonmoeder] , overleden.
3.2.
De sieraden van de moeder van [gedaagde] zijn onder haar zonen tevens enige erfgenamen, te weten [gedaagde] en zijn broer [schoonbroer] .
3.3.
Op [trouwdatum] is [gedaagde] getrouwd met [erflaatster] , moeder van [eiser] (hierna: erflaatster), onder het maken van huwelijkse voorwaarden.
3.4.
Erflaatster heeft bij testamenten van 13 oktober 1999 en 13 mei 2009 over haar nalatenschap beschikt.
3.5.
In het testament van 13 oktober 1999 heeft erflaatster haar drie zonen en dochter [eiser] tot enige erfgenamen benoemd. Erflaatster heeft haar inboedel en het beperkt recht van vruchtgebruik van haar gehele nalatenschap gelegateerd aan [gedaagde] . Het legaat van erflaatster aan [eiser] luidt als volgt:
“B. Ik legateer (…) af te geven binnen drie maanden na mijn overlijden aan mijn dochter [eiser] al mijn lijfsieraden of zoveel daarvan als zij wenst te aanvaarden.”
3.6.
In het testament van 13 mei 2009 heeft erflaatster [gedaagde] tot executeur benoemd.
3.7.
Op [overlijdensdatum 2] is erflaatster overleden.
3.8.
In 2012 heeft [gedaagde] aan [eiser] verzocht de sieraden die onder het legaat vallen, bij hem op te halen. [eiser] heeft vervolgens sieraden opgehaald.
3.9.
Op 26 juni 2012 heeft notaris [notaris] een akte ‘Boedelbeschrijving. Afgifte legaten. Verdeling gemeenschap van huis’ (hierna: de notariële akte) verleden met als partijen [gedaagde] en de vier kinderen van erflaatster. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“
AFGIFTE LEGATEN
Het legaat van inboedel aan de deelgenoot sub 1 (toevoeging rechtbank: [gedaagde] ) en het legaat van de lijfsieraden aan de deelgenoot sub 3 (toevoeging rechtbank: [eiser] ) zijn reeds afgegeven. Het legaat van vruchtgebruik zal worden gevestigd/afgegeven als hierna vermeld bij de schuldomzetting. (…)
SCHULDOMZETTING/VESTIGING VRUCHTGEBRUIK
(…)
De deelgenoot sub 1 (hierna ook te noemen: de schuldenaar) is mitsdien wegens
geldlening schuldig aan ieder van de deelgenoten sub 2, 4 en 5 een bedrag groot
zevenenveertigduizend tweehonderd euro (€ 47.200,00) en aan de deelgenoot sub 3 een bedrag groot zevenenveertigduizend éénhonderd vijftig euro (€ 47.150,00), zulks onder de volgende bepalingen: (…)
OVERIGE BEPALINGEN
Terzake van deze verdeling en afgifte legaten gelden voorts nog de navolgende
bepalingen: (…)
5. De deelgenoten doen afstand van de (eventuele) bevoegdheid wegens het niet
nakomen van hun verplichtingen ontbinding te vorderen van de verdeling alsmede
van iedere bevoegdheid vernietiging van de verdeling te vorderen. Iedere
deelgenoot heeft de verdeling te zijnen bate of schade aanvaard. (…)
Kwijting/décharge deelgenoten en executeur
Tenslotte verklaarden de verschenen personen, handelend als gemeld, dat de
verdeling van het registergoed en afgifte van de legaten tot volkomen genoegen van de deelgenoten tot stand is gebracht, dat ieder van de deelgenoten het hem/haar
toekomende heeft ontvangen en dat de deelgenoten terzake daarvan elkaar over en weer volledige kwijting verlenen.
Voorts verleent de verschenen persoon onder 2, handelend als gemeld, volledige
kwijting en décharge aan de deelgenoot sub 1 voor het door hem als executeur
gevoerde beheer.”
3.10.
Aan de akte is een bijlage gehecht genaamd ‘samenstelling nalatenschap erflaatster per [overlijdensdatum 2] ’. Hierin staat opgenomen een waarde van € 500,00 voor de lijfsieraden. Ten aanzien van de schulden wegens geldlening ten laste van [gedaagde] en ten behoeve van de kinderen van erflaatster is opgenomen:
“De schulden zijn opeisbaar bij overlijden van de heer [gedaagde] en bij leven van laatstgenoemde in de gevallen als vermeld in artikel C.2.n. van het testament van erflaatster.”
3.11.
Op 11 maart 2014 heeft [gedaagde] een brief aan [eiser] gestuurd waarin onder meer het volgende staat:
“ [naam 1] en zijn broers vragen naar de juwelen van Oma [schoonmoeder] . Bovendien mis ik wat ik ooit schonk aan de liefde van mijn leven. Ik wil daar met jou over praten.”
3.12.
Bij brief van 4 september 2014 heeft [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld dat de notaris heeft aangegeven dat de juwelen van zijn moeder geen deel uitmaken van de ‘lijfsieraden’ waarmee [eiser] belast is. Ook heeft [gedaagde] [eiser] gevraagd om de juwelen van zijn moeder aan hem terug te geven.
3.13.
Bij brief van 27 juli 2017 heeft een zoon van [gedaagde] , [naam 2] , [eiser] verzocht om contact op te nemen om de sieraden van zijn grootmoeder te retourneren. In deze brief staat onder meer opgenomen:
“Mocht jouw reactie van op dit aangetekende schrijven binnen 2 weken na dagtekening onverhoopt uitblijven, dan zal ik dit spijtig genoeg op moeten vatten als een weigering.
De taxatiewaarde van deze sieraden zal in dat geval verwerkt worden in de toekomstige afwikkeling van de executie.”
3.14.
Bij brief van 27 oktober 2020 heeft de voormalige advocaat van [gedaagde] , mr. J.R. Beversluis, [eiser] medegedeeld dat [gedaagde] de lening vervroegd zal aflossen, ook al is deze niet opeisbaar. Daarbij is aangegeven dat [gedaagde] de taxatiewaarde van de sieraden van zijn moeder zal verrekenen met zijn betaling aan [eiser] , met verwijzing naar de brief van de zoon van [gedaagde] van 27 juli 2017. Ook is [eiser] de mogelijkheid geboden om de sieraden van de moeder van [gedaagde] te retourneren.
3.15.
Vervolgens heeft [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 6.309,78 overgemaakt. Aan de broers van [eiser] heeft [gedaagde] het volledige bedrag van de lening betaald.
3.16.
Bij brieven van 19 november 2020 en 26 november 2020 aan mr. Beversluis heeft [eiser] protest aangetekend tegen de gang van zaken.
3.17.
Bij brief van 27 november 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om het resterende bedrag van € 40.840,22 te betalen aan [eiser] .
3.18.
[gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
4.1.
[eiser] vordert - kort samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van
€ 40.840,22, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2020, althans vanaf 27 november 2024, althans vanaf de dagvaarding,
2. voor recht zal verklaren dat, nadat [gedaagde] heeft voldaan aan sub 1, 3, 4 en 5 van het petitum, de nalatenschap van erflaatster tussen partijen geheel is verdeeld, de legaten correct zijn afgegeven, partijen eigenaar zijn van hetgeen zij bezitten en zij geen vorderingen meer over en weer op elkaar hebben,
3. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van
€ 1.183,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente,
4. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente,
5. [gedaagde] te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
4.2.
[eiser] legt het navolgende aan haar vorderingen ten grondslag.
Primair stelt [eiser] dat partijen met de notariële akte van 26 juni 2012 de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster definitief hebben geregeld. In de notariële akte is de afgifte van het legaat, de waarde van de nalatenschap en de hoogte van het erfdeel van [eiser] vastgelegd. Ook is in de akte de overbedelingschuld van [gedaagde] aan [eiser] omgezet in een geldlening ten bedrage van € 47.150,00. [gedaagde] heeft na verrekening een bedrag van € 6.309,78 overgemaakt. Volgens [eiser] kan [gedaagde] niet op de notariële akte terugkomen. [gedaagde] had dan ook geen tegenvordering en geen recht op verrekening. Daarom moet [gedaagde] het restant van de vordering aan haar betalen, aldus [eiser] . Daarnaast betwist [eiser] dat de sieraden die onder het legaat vielen van de moeder van [gedaagde] waren en dat ze niet zijn geschonken aan erflaatster. Ook stelt [eiser] zich op het standpunt dat op het moment van overlijden alle sieraden die door middel van het legaat aan haar zijn verstrekt, in het bezit van erflaatster waren.
4.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de kosten.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
4.5.
Voor het geval het beroep van [gedaagde] op verrekening in conventie niet op gaat, vordert [gedaagde] [eiser] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 40.840,22, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.
4.6.
[gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de vordering ziet op het bedrag aan vervangende schadevergoeding omdat [eiser] de sieraden van zijn moeder niet heeft teruggeven.
4.7.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering dan wel tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagde] , met veroordeling van hem in de proceskosten.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Overwegingen
in conventie en in voorwaardelijke reconventie
5.1.
De vorderingen in conventie en in voorwaardelijke reconventie hangen met elkaar samen. De vorderingen gaan over de vraag of de sieraden afkomstig uit de nalatenschap van de moeder van [gedaagde] , die [eiser] onder zich heeft, onder het afgegeven legaat van de lijfsieraden vallen. De rechtbank zal hierna eerst de vordering in conventie behandelen omdat aan de vordering in reconventie de voorwaarde is gesteld dat het door [gedaagde] in conventie gedane beroep op verrekening niet opgaat.
5.2.
Allereerst is het de vraag om welke sieraden het gaat. [gedaagde] meent dat [eiser] sieraden van zijn moeder heeft, door hem aangeduid als De Iongh sieraden. Deze sieraden zijn te zien op de foto die door hem is overgelegd bij productie 5, derde pagina (met de nummers 2,9,12,14,15,16,17,18 en 22). [eiser] stelt daarentegen dat het haar niet bekend is of zij De Iongh sieraden heeft. Zij heeft de sieraden die te zien zijn op de foto’s die door haar zijn overgelegd als producties 4a en 4b.
5.3.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank de foto’s met partijen doorgenomen. Daaruit blijkt dat [eiser] in ieder geval in het bezit is van de sieraden met de nummers 2, 14, 15, 17, 18 en 22. Ten aanzien van de overige nummers (9, 12 en 16) kan de rechtbank gelet op de discussie tussen partijen niet vaststellen of [eiser] deze in haar bezit heeft.
Van wie zijn de sieraden?
5.4.
Vervolgens is de vraag van wie de sieraden zijn. Volgens [gedaagde] heeft hij de sieraden geërfd van zijn moeder. Hij stelt zich op het standpunt eigenaar te zijn gebleven van de sieraden. [eiser] heeft volgens hem de sieraden zonder recht of titel meegenomen. [eiser] heeft dit betwist. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] haar de sieraden die onder het legaat vielen, meegegeven in 2012. Vervolgens hebben partijen de nalatenschap van erflaatster definitief geregeld in de notariële akte van 26 juni 2012. Hierop kan [gedaagde] niet terugkomen, aldus [eiser] .
5.5.
De rechtbank neemt als uitgangspunt dat niet in geschil is dat [gedaagde] in 2012 de sieraden aan [eiser] heeft meegegeven. Sindsdien houdt [eiser] de sieraden dan ook voor zichzelf. Op grond van artikel 3:119 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt [eiser] daarmee als bezitter vermoed rechthebbende te zijn van de sieraden. Dat brengt mee dat [gedaagde] bewijs van het tegendeel zal moeten leveren en, met andere woorden, moet bewijzen dat [eiser] geen rechthebbende is (Voetnoot 1). Volgens vaste rechtspraak is, anders dan [gedaagde] kennelijk meent, niet voldoende dat [gedaagde] het vermoeden ontzenuwt (in de zin dat twijfel wordt gezaaid omtrent de vraag wie bezitter of eigenaar is). Op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ligt dan ook de stel- en bewijslast bij [gedaagde] van zijn stelling dat hij eigenaar is gebleven van de sieraden.
5.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] gemotiveerd gesteld onder welke omstandigheden en om welke redenen beide partijen ervan uitgingen dat de sieraden onder het afgegeven legaat vielen. [gedaagde] heeft daarentegen onvoldoende aangevoerd om de stelling van [eiser] dat zij rechthebbende is van de sieraden te weerleggen. Daartoe wordt het navolgende overwogen.
- De periode voor het overlijden van het erflaatster
5.7.
De stelling van [gedaagde] dat hij eigenaar is gebleven van de sieraden omdat hij de sieraden heeft geërfd van zijn moeder, is onvoldoende. Dit betekent nog niet dat [gedaagde] op enig moment het eigendom kan zijn verloren. Ook uit de stelling van [gedaagde] dat tussen hem en erflaatster elke gemeenschap van goederen was uitgesloten, volgt dit niet. De sieraden kunnen aan erflaatster zijn geschonken door de moeder van [gedaagde] of [gedaagde] zelf. Volgens [eiser] is dit het geval. [gedaagde] heeft weliswaar betwist dat zijn moeder sieraden geschonken heeft aan erflaatster, maar hij heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat hijzelf de sieraden van zijn moeder heeft geschonken aan erflaatster. Daartoe acht de rechtbank met name de inhoud van zijn brief van 11 maart 2014 aan [eiser] van belang. [gedaagde] schrijft hierover ‘Bovendien mis ik wat ik ooit schonk aan de liefde van mijn leven’. [gedaagde] heeft gesteld dat deze zinsnede geen betrekking heeft op de sieraden van zijn moeder, maar op een olifantenarmband en een set juwelen met opaal die hij voor erflaatster had meegenomen van een buitenlandse reis. Dit staat er echter niet en dat valt ook uit de context van het briefje niet af te leiden. Hierin staat immers dat zijn zonen naar de juwelen van hun oma vragen, dat [gedaagde] mist wat hij ooit schonk aan erflaatster en dat hij daar met [eiser] over wil praten. Er wordt met geen woord gerept over andere sieraden dan de sieraden van de moeder van [gedaagde] . Ook valt niet in te zien waarom [gedaagde] met [eiser] zou willen praten over een olifantenarmband en de opalen juwelenset die zonder meer behoren tot de sieraden die erflaatster aan [eiser] heeft gelegateerd en die ook na het briefje van 11 maart 2014 tussen partijen nooit aan de orde zijn geweest. Hier komt nog bij dat ook [gedaagde] zelf heeft aangegeven dat erflaatster weleens de sieraden van zijn moeder heeft gedragen. Daarmee is aannemelijk dat [gedaagde] ook de sieraden uit de nalatenschap van zijn moeder aan erflaatster heeft geschonken, die immers volgens zijn briefje van 11 maart 2014 aan [eiser] , de liefde van zijn leven was.
5.8.
Verder staat vast dat [eiser] in het bezit is van foto’s, zoals door haar overgelegd bij producties 4a en 4b. Niet in geschil is tussen partijen dat deze foto’s zijn gemaakt door [gedaagde] voor het overlijden van erflaatster. Op deze foto’s zijn sieraden te zien van erflaatster en uit de nalatenschap van de moeder van [gedaagde] . In het bijzonder is er een ring te zien die bestemd is voor [naam 3] , de dochter van [eiser] , en onder meer een zegelring uit de nalatenschap van de moeder van [gedaagde] . Volgens [eiser] zijn de foto’s gemaakt in 2005 om vast te leggen welke sieraden zij zou krijgen via het legaat. Ondanks dat [gedaagde] dit heeft betwist omdat volgens hem de foto’s voor de verzekering zijn gemaakt, heeft hij hiermee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd aangevoerd om welke andere reden [eiser] deze foto’s in haar bezit zou hebben.
Het meegeven van de sieraden in 2012
5.9.
[gedaagde] kan ook niet worden gevolgd in zijn verweer dat [eiser] de sieraden zonder recht of titel heeft meegenomen. Hiervoor heeft [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Uit de door partijen geschetste gang van zaken volgt juist dat [gedaagde] met het meegeven van de sieraden aan [eiser] heeft willen voldoen aan de afgifte van het legaat. Het is immers [gedaagde] geweest die aan [eiser] in 2012, kort voor de notariële akte van 26 juni 2012, heeft gevraagd om de sieraden op te halen die onder het legaat vielen. [gedaagde] heeft daarbij aan [eiser] gevraagd om de zegelring en de trouwring van zijn moeder te mogen houden. Hiermee heeft [eiser] ingestemd. Vervolgens heeft [gedaagde] toegestaan dat [eiser] de rest van sieraden heeft meegenomen, zonder dat hij hierbij een voorbehoud heeft gemaakt. Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [eiser] ervan mocht uitgaan dat zij van [gedaagde] de sieraden van haar moeder meekreeg die onder het legaat vielen.
De notariële akte van 26 juni 2012
5.10.
Partijen verschillen niet van mening dat het legaat is afgegeven, maar wel over de vraag welke betekenis in dat kader kan worden toegekend aan de notariële akte van 26 juni 2012. Volgens [gedaagde] bewerkstelligt de akte geen afgifte van het legaat, althans niet voor wat betreft de sieraden uit de nalatenschap van zijn moeder die erflaatster niet toebehoorden. Daarentegen is [eiser] van mening dat partijen met de notariële akte de nalatenschap van erflaatster definitief hebben geregeld. De rechtbank oordeelt als volgt.
5.11.
In de akte is vastgelegd dat het legaat van de lijfsieraden is afgegeven aan [eiser] . Ook heeft [gedaagde] , als executeur van de nalatenschap van erflaatster, in de notariële akte verklaard dat de afgifte van de legaten tot volkomen genoegen van hem tot stand zijn gebracht. In het geval hij van mening was dat [eiser] sieraden onder zich had die niet onder het legaat vielen, had het op zijn weg gelegen om dit ter sprake te brengen. Zonder nadere toelichting, die nu ontbreekt, valt niet in te zien waarom [gedaagde] ook hier geen voorbehoud heeft gemaakt. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] desgevraagd verklaard dat hij dit niet heeft gedaan. Pas bij zijn brief van 11 maart 2014 schrijft [gedaagde] voor eerst over de sieraden van zijn moeder. Voor zover [gedaagde] van mening is dat hij de sieraden onbedoeld heeft meegegeven aan [eiser] en een vergissing heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] zich hierop niet meer kan beroepen. Niet in geschil is immers tussen partijen dat in de notariële akte een beroep op dwaling is uitgesloten. Dit geldt dus ook voor de omstandigheid dat de waarde van de sieraden volgens [gedaagde] veel hoger ligt dan de € 500,00 waarop de lijfsieraden bij de verdeling zijn gewaardeerd. Ook hierop kan [gedaagde] , gelet op de inhoud van de akte, niet meer terugkomen.
Mocht [gedaagde] verrekenen?
5.12.
Omdat hiervoor is geoordeeld dat [eiser] de sieraden niet zonder recht of titel onder zich hield, hoefde [eiser] de sieraden niet terug te geven aan [gedaagde] . [gedaagde] kon zich dan ook niet op verrekening beroepen omdat hij geen tegenvordering had. Dat betekent dat [gedaagde] ten onrechte zijn schadevergoeding heeft verrekend met de vordering die [eiser] op hem heeft.
Is de vordering opeisbaar van [eiser] ?
5.13.
[eiser] vordert het restant van het bedrag van € 40.840,22. [gedaagde] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat de vordering van [eiser] niet opeisbaar is.
5.14.
De rechtbank oordeelt als volgt. Tussen partijen is de hoogte van de vordering van [eiser] niet in geschil. Ook is niet in geschil dat de vordering van [eiser] op grond van het testament van erflaatster in beginsel niet opeisbaar is. In dit geval heeft echter de voormalige advocaat van [gedaagde] bij brief van 27 oktober 2020 aan [eiser] medegedeeld dat [gedaagde] de bevoegdheid heeft om de lening af te lossen, ook al is deze niet opeisbaar. Ook is daarin aangegeven aan [eiser] , onder verwijzing naar de brief van 27 juli 2017 van de zoon van [gedaagde] , dat [gedaagde] gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de taxatiewaarde van de sieraden te verrekenen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] met deze mededelingen de bedoeling heeft gehad om niet slechts een gedeelte van de lening, naar de volledige lening vervroegd af te lossen. Dat maakt dat [gedaagde] nu zich niet erop kan beroepen dat de vordering niet opeisbaar is. Bovendien gingen partijen tijdens (tot aan de zitting) alsmede voorafgaand aan de procedure, over en weer er vanuit dat door de mededelingen van [gedaagde] de vordering van [eiser] opeisbaar is geworden. De rechtbank zal dan ook aan dit verweer van [gedaagde] voorbijgaan.
5.15.
Dit vorenstaande betekent dat de vordering van [eiser] onder 1 toewijsbaar is. Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat de wettelijke rente niet op de juiste manier is aangezegd bij brief van 19 november 2020. Wel is de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 12 december 2024, nu [gedaagde] bij sommatie van de advocaat van [eiser] van 27 november 2024 tot betaling is aangesproken en daarbij een termijn van veertien dagen is gegeven.
5.16.
[eiser] vordert verder een verklaring voor recht dat de nalatenschap van erflaatster tussen partijen geheel is verdeeld, de legaten correct zijn afgegeven, partijen eigenaar zijn van hetgeen zij bezitten en zij geen vorderingen meer over en weer op elkaar hebben. Deze vordering zal de rechtbank afwijzen. Hiervoor is overwogen dat de partijen met de notariële akte van 26 juni 2012 de definitieve afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster hebben geregeld. Gelet daarop is het de rechtbank niet duidelijk waarom [eiser] nog belang bij heeft bij toewijzing van deze vordering.
5.17.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] een natuurlijk persoon is die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
5.18.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.086,45
5.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.20.
[gedaagde] heeft de vordering in reconventie ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank het beroep op verrekening in conventie niet aanvaardt. Nu hiervoor is overwogen in conventie dat het beroep van [gedaagde] op verrekening niet op gaat, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van deze vordering. De vordering in reconventie strekt tot vergoeding van het bedrag aan vervangende schadevergoeding vanwege het niet teruggeven van de sieraden van zijn moeder. Nu hiervoor is overwogen dat de sieraden (voor zover [eiser] deze in bezit heeft) onder het door [eiser] verkregen legaat vallen, zal de rechtbank deze vordering afwijzen.
5.21.
[gedaagde] is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
1.214,00
(2 punten × factor 0,5 × € 1.214,00)
- nakosten
€
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.353,00
5.22.
De proceskostenveroordeling reconventie zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat [eiser] daar niet om heeft verzocht.
Beslissing
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 40.840,22, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 12 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.086,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
6.6.
wijst de vordering van [gedaagde] af,
6.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.353,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
6.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de vijftiende dag na de betekening tot de dag van volledige betaling,
6.9.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.