Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:RBOVE:2026:180

Op 13 January 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 11841988 \ CV EXPL 25-2453, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:180. De plaats van zitting was Zwolle.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
11841988 \ CV EXPL 25-2453
Datum uitspraak:
13 January 2026
Datum publicatie:
16 January 2026

Indicatie

De klant heeft via A.N.N. Financiële Adviezen een aantal effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van de overeenkomsten leende de klant geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. de klant betaalde met name rente (inleg) ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moest de klant het geleende geld terugbetalen. In dit geval was de waarde van de aandelen bij verkoop zodanig dat de klant verlies heeft geleden. Het gaat in deze zaak om de vraag of Dexia de door de klant gelden schade helemaal moet vergoeden.

Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door de eiser geleden schade helemaal moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 11841988 \ CV EXPL 25-2453

Vonnis van 13 januari 2026

in de zaak van

[partij A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

hierna te noemen: [partij A] ,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

hierna te noemen: Dexia,

gemachtigde: USG Legal Professionals.

1
Kern van de zaak
1.1.

[partij A] heeft via A.N.N. Financiële Adviezen een aantal effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Op grond van de overeenkomsten leende [partij A] geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [partij A] betaalde met name rente (inleg) ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moest [partij A] het geleende geld terugbetalen. In dit geval was de waarde van de aandelen bij verkoop zodanig dat [partij A] verlies heeft geleden. Het gaat in deze zaak om de vraag of Dexia de door [partij A] gelden schade helemaal moet vergoeden.

1.2.

Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [partij A] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2
De procedure
2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 6 augustus 2025 met een incidentele vordering;

de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie tevens houdende conclusie van antwoord in het exhibitie-incident tevens houdende conclusie van eis in het exhibitie-incident;

de conclusie van antwoord in het incident tevens houdende conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;

de conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;

de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlaten producties in conventie;

2.2.

De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren.

2.3.

Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3
De feiten
3.1.

[partij A] heeft de volgende leaseovereenkomsten gesloten waarop hij als lessee stond vermeld, met (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger van) Dexia:

Contractnummer

Datum

Naam overeenkomst

1

[nummer 1]

30-12-1999

Capital Effect

2

[nummer 2]

05-01-2000

Profit Effect

3

[nummer 3]

07-03-2001

Capital Effect

3.2.

Nadat deze overeenkomsten tussentijds zijn beëindigd, heeft Dexia een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

1

22-06-2004

- € 1.564,31

Ja

2

22-06-2004

- € 4.581,64

Ja

3

22-06-2004

- € 3.232,14

Ja

3.3.

Volgens opgave van Dexia heeft [partij A] op grond van de overeenkomsten in totaal € 9.995,27 aan maandtermijnen en € 9.378,09 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens dezelfde opgave heeft [partij A] € 2.035,20 aan dividenden ontvangen en

€ 1.285,09 aan fiscaal voordeel genoten. Op 18 januari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 2.993,06 aan [partij A] betaald, volgens Dexia twee derde van de restschuld uit de Capital Effect overeenkomst met nummer [nummer 4]. Op 24 april 2025 heeft Dexia ten aanzien van de Capital Effect overeenkomst met nummer [nummer 1] en [nummer 4] een bedrag van € 4.523,26 inclusief rente aan [partij A] uitgekeerd.

3.4.

De gemachtigde van [partij A] heeft bij brief van 2 februari 2006 de nietigheid, vernietiging dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en dwaling. In de brief wordt ook het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden aan te voeren.

4. Het geschil

4.1.

[partij A] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident

- Dexia ex artikel 194 lid 1 jo. 195 lid 1 Rv zal veroordelen afschriften van de aanvraagformulieren van de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2] aan [partij A] te verstrekken;

in de hoofdzaak

voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [partij A] ;

voor recht zal verklaren dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;

Dexia zal veroordelen om de schade die [partij A] door het onrechtmatig handelen van Dexia heeft geleden, te vergoeden en tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Dexia te voldoen al hetgeen [partij A] heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente;

Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van Dexia, vermeerderd met de wettelijke rente;

Dexia zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.2.

Dexia voert verweer tegen de vorderingen van [partij A] en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Het verweer mondt uit in een incidentele vordering en een tegenvordering waarbij Dexia (samengevat) vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident

- [partij A] ex artikel 195 Rv zal veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces, namens [partij A] , in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen zijn ontleend;

in de hoofdzaak

voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer 1], [nummer 2], [nummer 4], [nummer 5] en [nummer 6] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [partij A] is verschuldigd;

[partij A] zowel in conventie als in reconventie zal veroordelen in de proceskosten.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in de incidenten

Algemeen

5.1.

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie van [partij A] .

5.2.

De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. (Voetnoot 1) Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking van de jurisprudentie rechtvaardigen.

5.3.

Toepassing van de jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden, evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

[partij A] heeft schade geleden;

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade van [partij A] en de onrechtmatige daad van Dexia.

Verjaring

5.4.

Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [partij A] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. (Voetnoot 2) Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

Tussenpersoon

5.5.

[partij A] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon A.N.N. Financiële Adviezen. Tussen partijen is niet in geschil dat A.N.N. Financiële Adviezen niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022, heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). (Voetnoot 3) Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven.

5.6.

Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021, (Voetnoot 4) dat heeft geleid tot de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019, toegelicht dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. (Voetnoot 5) Er is in deze zaak geen reden om anders te oordelen.

5.7.

De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.

5.8.

De stelplicht en bewijslast dat A.N.N. Financiële Adviezen [partij A] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat A.N.N. Financiële Adviezen [partij A] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [partij A] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [partij A] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.

5.9.

Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [partij A] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

5.10.

Over de feitelijke gang van zaken stelt [partij A] dat hij ongevraagd telefonisch werd benaderd door een medewerker van A.N.N. Financiële Adviezen met het voorstel een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [partij A] door te nemen. Hiermee stemde [partij A] in. Tijdens het eerste gesprek heeft de medewerker van A.N.N. Financiële Adviezen, de heer [naam] (hierna: [naam] ), geïnformeerd naar zijn wensen en financiële situatie. [partij A] stelt dat gesproken is over zijn inkomen, spaargeld en de wens om vermogen op te bouwen voor de toekomst, om de studie van zijn kleinkinderen te kunnen betalen en om een woning te kopen of te verbouwen. [naam] gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier meerdere geschikte overeenkomsten voor wist.

Volgens [partij A] heeft [naam] geadviseerd een Capital Effect en een Profit Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 150,00 per overeenkomst. De inleg betaalde [partij A] uit zijn salaris. Volgens [naam] zou [partij A] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor hij zijn kinderen financieel kon ondersteunen tijdens hun studie en een financiële buffer zou hebben voor de aankoop of verbouwing van een woning. Volgens [partij A] gaf [naam] aan dat er enkel belegd zou worden in betrouwbare fondsen, waarmee hogere rendementen behaald zouden worden en er daarom niets kon misgaan.

[partij A] voert aan dat hij geen ervaring had met beleggen of kennis had van complexe financiële producten. Daarom vertrouwde hij volledig op de deskundigheid en het advies van [naam] en heeft hij het advies opgevolgd door twee Capital Effecten overeenkomsten [de kantonrechter begrijpt: één Capital Effect en één Profit Effect overeenkomst] te sluiten, één met een maandelijkse inleg van NLG 149,74 en de ander met een maandelijkse inleg van NLG 149,43 [de kantonrechter begrijpt: NLG 153,07]. Volgens [partij A] heeft [naam] de aanvraag voor de overeenkomsten in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend.

Er ontstond volgens [partij A] vervolgens een vaste relatie met [naam] omdat [naam] ook begon met het regelen van de belastingaangifte. Daarbij heeft [naam] in 2001 weer geïnformeerd naar de wens van [partij A] om nog meer vermogen op te bouwen voor de toekomst, om de studie van zijn kleinkinderen te kunnen betalen en om een woning te kopen of te verbouwen, aldus [partij A] . [naam] was al bekend met de financiële situatie van [partij A] , vanwege het contact met [partij A] bij het sluiten van de eerdere overeenkomsten en omdat [naam] de belastingaangifte regelende. [partij A] stelt dat [naam] hem, om zijn doelen te verwezenlijken, adviseerde om nog een Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van wederom ongeveer NLG 150,00. Dit advies heeft [partij A] opgevolgd. Hij stelt dat hij (nog steeds) geen ervaring had met beleggen of kennis had van complexe financiële producten en daarom volledig vertrouwde op de deskundigheid en het advies van [naam] . In lijn met dat advies, heeft [partij A] een Profit Effect overeenkomst met een maandelijkse inleg van NLG 153,07 [de kantonrechter begrijpt: NLG 149,43] gesloten. Ook hier stelt [partij A] weer dat [naam] de aanvraag voor de overeenkomst in orde heeft gemaakt en dat de uiteindelijke overeenkomst op een later moment is ondertekend.

[partij A] voert aan dat [naam] hem bij geen van de overeenkomsten heeft geïnformeerd over de specifieke risico’s. Volgens [partij A] zou [naam] hem niet erop hebben gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. [partij A] stelt dat hij, als hij op deze risico’s was gewezen, de overeenkomsten nooit had gesloten.

Verder stelt [partij A] dat het advies van [naam] desastreus heeft uitgepakt, want in plaats van het vermogen dat zou worden opgebouwd, is de betaalde inleg verloren gegaan en zijn de overeenkomsten met een restschuld geëindigd. Die restschuld heeft [partij A] betaald vanuit zijn spaargeld.

5.11.

Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [partij A] , voor zover van belang, gewezen op de volgende stukken die hij in het geding heeft gebracht:

een kopie van de Capital Effect leaseovereenkomst met nummer [nummer 1] op naam van [partij A] met vermelding van een maandelijkse leasesom van NLG 149,47 voorzien van het adviseursnummer [nummer 7]-A.N.N. Financiële Adviezen, ondertekend door [partij A] en (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger) van Dexia;

een kopie van de Proft Effect leaseovereenkomst met nummer [nummer 2] op naam van [partij A] met vermelding van een maandelijkse leasesom van NLG 153,07 voorzien van het adviseursnummer [nummer 7]-A.N.N. Financiële Adviezen, ondertekend door [partij A] en (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger) van Dexia;

een kopie van het ‘Aanvraagformulier Capital Effect’ op naam van [partij A] en vermelding van een gewenst maandbedrag van NLG 150,00, voorzien van ATP-nummer [nummer 7], een stempel van A.N.N. Financiële Adviezen met haar contactgegevens en onder ‘naam adviseur’ en rechtsboven op het formulier vermelding van [naam] ;

een kopie van de Capital Effect leaseovereenkomst met nummer [nummer 4] op naam van [partij A] met vermelding van een maandelijkse leasesom van NLG 149,43 voorzien van het adviseursnummer [nummer 7]-A.N.N. Financiële Adviezen, ondertekend door [partij A] en (Bank Labouchere, de rechtsvoorganger) van Dexia.

Aanhoudingsverzoek

5.12.

Dexia heeft grote bezwaren tegen de door haar zo genoemde ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.

5.13.

Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.

(Nieuwe) argumenten Dexia

5.14.

Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:

dat de gemachtigde van de afnemer ten onrechte op zijn woord wordt geloofd;

dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;

dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust; en

dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.

5.15.

Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [partij A] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de medewerker van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. (Voetnoot 6) Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [partij A] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [partij A] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [partij A] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen en wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat Leaseproces in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [partij A] en de medewerker van A.N.N. Financiële Adviezen, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [partij A] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent, betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting voor haar rekening en risico komt.

Wetenschap Dexia

5.16.

In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van A.N.N. Financiële Adviezen aan [partij A] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant, actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie, had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [partij A] voor rekening van Dexia.

Aansprakelijkheid Dexia

5.17.

Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [partij A] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [partij A] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [partij A] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. (Voetnoot 7) Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van [partij A] te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

Vorderingen van [partij A]

5.18.

De door [partij A] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat A.N.N. Financiële Adviezen [partij A] niet alleen als klant aanbracht maar [partij A] tevens persoonlijk had geadviseerd en A.N.N. Financiële Adviezen geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en Dexia gehouden is de schade te vergoeden, zal ook worden toegewezen.

Schade

5.19.

De door [partij A] geleden schade hebben partijen in de processtukken besproken. [partij A] heeft de door Dexia berekende wettelijke rente ten aanzien van de op 24 februari 2025 gepleegde betaling ter hoogte van € 4.523,26 betwist. [partij A] voert aan dat Dexia geen inzicht biedt in de renteberekening van de uitbetaling, zodat bij de schadeberekening het gepleegde bedrag in mindering moet worden genomen inclusief wettelijke rente. De kantonrechter volgt [partij A] daarin. Weliswaar staat in het als productie 1 door Dexia overgelegde financiële overzicht in de kolom ‘onverplichte uitbetaling’ een bedrag van € 2.338,29 aan wettelijke rente, maar dat is gelet op de betwisting van [partij A] onvoldoende. Het had op de weg van Dexia gelegen om haar renteberekening inzichtelijk te maken. Omdat zij dit heeft nagelaten, moet de kantonrechter ervan uitgaan dat de stelling van [partij A] juist is.

5.20.

In de door [partij A] als productie I overgelegde brief waarin Dexia de uitbetaling aankondigt, staat:

[…]

Belangrijk : deze betaling is onverplicht en wordt gedaan zonder erkenning van schuld. Het betreft een vooruitbetaling op een mogelijke vergoeding die u wellicht in rechte kunt krijgen indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Mocht achteraf in rechte blijken dat de vooruitbetaling te laag is, dan zal Dexia de betaling aanvullen met hetgeen waartoe zij dan door een rechter veroordeeld wordt. Mocht achteraf blijken dat de vooruitbetaling te hoog en ten onrechte is gedaan, dan behoudt Dexia zich het recht voor de betaling geheel of gedeeltelijk van u terug te vorderen.

[…]

Hieruit leidt de kantonrechter af dat het op 24 februari 2025 betaalde bedrag van € 4.523,26 in het algemeen als een voorschot is betaald. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [partij A] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht, waarvan de juistheid door [partij A] , behoudens het bedrag van de ‘onverplichte uitbetaling’, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Ten aanzien van de al eerder betaalde schadevergoeding door Dexia aan [partij A] , geldt voor de verrekening daarvan wat daarover is overwogen in de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021. (Voetnoot 8) De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in Hoge Raad 1 mei 2015 en Hoge Raad 3 februari 2017. (Voetnoot 9)Op deze uitkomst strekt vervolgens in mindering het door Dexia betaalde bedrag van € 4.523,26.

5.21.

Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. (Voetnoot 10)

5.22.

Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [partij A] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.

Incidentele vordering van [partij A]

5.23.

[partij A] heeft een vordering ingesteld tot veroordeling van Dexia ex artikel 194 jo. 195 Rv om een afschrift te verstrekken van de aanvraagformulieren van de overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 2]. Alhoewel Dexia deze stukken niet heeft overgelegd, zal de vordering van [partij A] worden afgewezen. Uit het voorgaande volgt namelijk dat [partij A] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij een afschrift van de stukken in deze procedure. De proceskosten in dit incident zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Incidentele vordering van Dexia

5.24.

Dexia vordert dat [partij A] wordt veroordeeld een afschrift van het intakeformulier althans van andere schriftelijke documenten waaraan de door Leaseproces namens [partij A] in deze procedure feitelijke stellingen zijn ontleend, aan Dexia te verstrekken.

5.25.

Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [partij A] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces zijn terechtgekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.

5.26.

De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden tot op heden begroot op € 82,00.

De door Dexia gevorderde verklaring voor recht

5.27.

Gelet op de voorgaande beoordeling, zal de reconventionele vordering van Dexia om voor recht te verklaren dat zij met betrekking tot de tussen haar en [partij A] gesloten overeenkomsten met nummers [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 4] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [partij A] verschuldigd is, worden afgewezen. Aangezien [partij A] geen verweer heeft gevoerd tegen de door Dexia gevraagde verklaring voor recht met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer 5] en [nummer 6], zal dit deel van de reconventionele vordering worden toegewezen. Voor recht zal dan ook worden verklaard dat Dexia met betrekking tot overeenkomsten met nummers [nummer 5] en [nummer 6] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [partij A] verschuldigd is.

Proceskosten in conventie en in reconventie

5.28.

Omdat [partij A] grotendeels inhoudelijk gelijk zal krijgen, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [partij A] . Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [partij A] worden daarmee begroot op:

- kosten van de dagvaarding

144,47

- griffierecht

732,00

- salaris gemachtigde

542,00

(2 punt × € 271,00)

- nakosten

100,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.518,47

5.29.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

Beslissing

6
De beslissing

De kantonrechter

in het incident van [partij A]

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het incident van Dexia

6.3.

wijst de vordering af;

6.4.

veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op € 82,00;

in conventie

6.5.

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld door [partij A] als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat A.N.N. Financiële Adviezen [partij A] niet alleen als klant aanbracht, maar [partij A] ook persoonlijk had geadviseerd en A.N.N. Financiële Adviezen geen vergunning daarvoor bezat;

6.6.

verklaart voor recht dat [partij A] schade heeft geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is om deze schade te vergoeden;

6.7.

veroordeelt Dexia om aan [partij A] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.20.;

6.8.

veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] van € 1.518,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen;

6.9.

veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

6.10.

verklaart de veroordelingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.11.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

6.12.

verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer 5] en [nummer 6] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [partij A] verschuldigd is;

6.13.

veroordeelt Dexia in de proceskosten van [partij A] , tot op heden begroot op nihil;

6.14.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. L. Alers, kantonrechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).

Voetnoot 2

Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462 en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:HR:2025:684.

Voetnoot 3

Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:2022:862.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RBOVE:2021:2548.

Voetnoot 5

ECLI:NL:GHARL:2019:8462.

Voetnoot 6

Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:845 en gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:379.

Voetnoot 7

Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.

Voetnoot 8

ECLI:NL:RBAMS:2021:7910.

Voetnoot 9

ECLI:NL: HR:2015:1198 en ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3.

Voetnoot 10

ECLI:NL:HR:2019:590.