Overwegingen
4.1.
In deze zaak staat – kort gezegd – de vraag centraal of de vader met het gezag over [minderjarige] dient te worden belast en of [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vader moet krijgen, en of er een omgangs- of zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] en informatieregeling moet worden bepaald. Indien de vader niet het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt belast, staat de vraag centraal of de voogd vervangen dient te worden door een andere voogd.
Het gezag en de hoofdverblijfplaats
Het standpunt van de vader
4.2.
De vader wil belast worden met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader is al voor de geboorte van [minderjarige] aan het procederen en zich aan het inspannen om een rol te spelen in haar leven, maar hij heeft nooit een eerlijke kans gekregen van de voogd. Dat de vader daarom nog niet zoveel contact heeft met [minderjarige] , kan hem niet verweten worden. De vader heeft op grond van artikel 1:253c BW een voorkeurspositie en er bestaat geen gegronde vrees dat de belangen van [minderjarige] worden verwaarloosd door de vader. De zorgen over de vader zijn gebaseerd op het verleden toen de vader nog minderjarig was. Daarnaast zijn de zorgen hypothetisch. Dat de vader hulpverlening krijgt, wil niet zeggen dat hij niet kan worden belast met het gezag. Ook staat de vader open voor een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing, waardoor gegarandeerd kan worden dat [minderjarige] in het pleeggezin blijft wonen. Verder heeft de vader sinds kort weer goed contact met de moeder en anders zou een jeugdbeschermer een rol kunnen spelen in de communicatie met de moeder. De vader is dan ook van mening dat het verzoek ten aanzien van het gezag moet worden toegewezen. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] refereert de vader zich aan het oordeel van de rechtbank. Hoewel de vader van mening is dat hij bij het perspectiefonderzoek van de voogd betrokken had moeten worden, vindt de vader het huidige pleeggezin een goede plek voor [minderjarige] . Hij vindt het dan ook goed als [minderjarige] in het pleeggezin blijft wonen.
4.3.
De raad heeft gesproken met de moeder, de vader, de begeleiders van de vader van [sticthing], de politie, pleegmoeder, de voogd en de pleegzorgbegeleider. Onder het kopje ‘Wat betekenen de zorgen en krachten voor het veilig opgroeien van [minderjarige] ?’ staat vermeld dat [minderjarige] een vrolijke peuter is die sinds ruim een jaar in een perspectiefbiedend pleeggezin woont. Ze laat zien dat zij zich hier goed begint te hechten en zoekt veiligheid bij pleegouders wanneer zij iets spannend vindt, bijvoorbeeld de omgang met ouders. Naast dat haar ontwikkeling goed op gang begint te komen, laat zij ook nog veel onrust in haar lijfje zien wat haar soms belemmert. Hier is aandacht voor en waar nodig worden onderzoeken gestart. Sinds kort heeft [minderjarige] enkele omgangsmomenten met de vader gehad. Die verlopen goed, waardoor [minderjarige] vader ook kan leren kennen en leuke dingen met hem kan doen. De vader procedeert al vanaf februari 2024 voor omgang en een rol in het leven van [minderjarige] , waar momenteel aan toegekomen wordt. De raad acht dit ook in het belang van [minderjarige] , omdat elke kind in de basis het recht heeft om beide (biologische) ouders te kennen en te weten waar het kind van afstamt. De raad vindt het positief dat de vader zijn leven meer op orde heeft en met begeleiding stappen maakt naar een meer stabiel leven. Een zorg is dat er toch nog steeds vermoedens zijn van middelengebruik en mogelijke incidenten waarbij politie betrokken is, waar de vader een andere visie op heeft. Middelengebruik en politiecontacten zijn volgens de raad niet verenigbaar met de zorg voor een (jong) kind, ook niet als het gaat om omgangsmomenten. Dit maakt dat de raad van mening is dat omgang nog steeds onder begeleiding moet plaatsvinden.
4.4.
De raad adviseert om het verzoek ten aanzien van het gezag en de hoofdverblijfplaats af te wijzen. De raad geeft – onder meer – aan dat de vader, heel begrijpelijk, al jarenlang een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] , maar hiervoor tot voor kort geen kans heeft gekregen. Tegelijkertijd heeft vader een belast verleden. Hij woont zelfstandig en kan zijn dagelijks leven vormgeven met dagelijkse inzet van hulpverlening. De raad vindt het knap van de vader dat hij dit weet van zichzelf, de hulp toelaat en hiervan ook profiteert. Tegelijk betekent dit volgens de raad ook dat de vader de verantwoordelijkheid die het dragen van het gezag over [minderjarige] met zich brengt onvoldoende kan overzien en daarmee ook onvoldoende kan uitvoeren. Verder is de vader pas kort betrokken in het leven van [minderjarige] , waardoor hij [minderjarige] onvoldoende kent om in haar belang gezagsbeslissingen te kunnen nemen. Daarnaast zou er, als de vader de gezaghebbende ouder is, ook veelvuldig overleg moeten zijn met bijvoorbeeld de moeder, terwijl ouders niet met elkaar communiceren. [minderjarige] zal klem en verloren raken als de vader met het gezag over [minderjarige] zal worden belast. Dit ligt niet alleen aan het gebrek aan communicatie tussen de ouders, maar zit ook in de spanning die dit met zich brengt voor de moeder wanneer de vader het gezag heeft en de moeder daarvan afhankelijk is. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats geeft de raad – onder meer – aan dat [minderjarige] in haar eerste levensjaar meerdere wisselingen van opvoeders en woonplekken heeft gekend. Ze verblijft nu ruim een jaar in het huidige pleeggezin en ze laat hier een positieve groei en duidelijke hechting zien. Het is in het belang van [minderjarige] dat dit niet opnieuw doorbroken wordt en dat haar hoofdverblijfplaats bij de pleegouders blijft. Daarin weegt de raad mee dat zowel de vader als de moeder niet op korte termijn in staat zijn om de gehele opvoeding en verzorging over te nemen. De raad begrijpt de door de voogd gedane perspectiefbepaling vanuit het perspectief van de hechting van [minderjarige] in het pleeggezin. De raad vindt het echter wel ingewikkeld dat de vader niet is meegenomen in het perspectiefonderzoek van de voogd.
4.5.
De raad heeft tijdens de zitting het advies gehandhaafd.
Het standpunt van de voogd
4.6.
De voogd kan zich vinden in de bevindingen en adviezen van de raad over het gezag en de hoofdverblijfplaats.
4.7.
Het verzoek van de vader dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde
in artikel 1:253c lid 1 en lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, kan de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. (Voetnoot 1) Wanneer niet in het gezag is voorzien of wanneer een voogd het gezag uitoefent, wordt het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder, bedoeld in het eerste lid, alleen met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. (Voetnoot 2)
Het oordeel van de rechtbank
4.8.
De rechtbank overweegt dat, gezien de stukken en hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken, voor alle betrokkenen duidelijk is dat de vader en de moeder graag betrokken zijn in het leven van [minderjarige] en tegelijk niet op korte termijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich kunnen nemen. Het verzoek van de vader om hem met het gezag te belasten en tegelijk een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] uit te spreken duidt daar ook op.
4.9.
In de beschikking van de Hoge Raad van 7 oktober 2005 is een soortgelijk verzoek als dat van de vader aan de orde. (Voetnoot 3) Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat als de inwilliging van het verzoek van in dit geval de vader om hem met het gezag te belasten het nodig maakt om een ondertoezichtstelling uit te spreken, de minderjarige dan zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Dat is immers het criterium om een ondertoezichtstelling toe te wijzen. Wanneer de rechter redenen heeft om te vrezen dat er zo’n ernstige ontwikkelingsbedreiging ontstaat als hij het verzoek van in dit geval de vader om hem met het gezag te belasten toewijst, dan zal dat in beginsel ook meebrengen dat bij inwilliging van het verzoek van de vader gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd, zoals bedoeld in het huidige artikel 1:253c, lid 4 BW. De Hoge Raad overweegt dat inwilliging van zo'n verzoek in combinatie met ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dus geen voor de hand liggende mogelijkheid is.
4.10.
Gelet op deze uitspraak past terughoudendheid van de rechtbank. Hoewel de rechtbank constateert dat de vader zich vanaf de geboorte heeft ingezet om contact te hebben met [minderjarige] , vecht voor zijn positie als vader, in het belang van [minderjarige] probeert te denken en zijn leven probeert te verbeteren, acht de rechtbank het niet in [minderjarige] ’s belang als de vader wordt belast met het gezag. Vast staat dat het in belang van [minderjarige] is dat zij nu in het pleeggezin blijft wonen. De vader kent [minderjarige] op dit moment onvoldoende om gezagsbeslissingen over haar te nemen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit niet aan de vader te verwijten is, is dit wel de feitelijke situatie. De vader heeft op dit moment begeleide omgang met [minderjarige] en de vader heeft dagelijkse inzet van de hulpverlening nodig om zijn leven zelfstandig vorm te geven. De rechtbank vindt het knap van de vader dat hij hulp toelaat en tegelijk begrijpt de rechtbank het advies van de raad op dit punt dat de vader de verantwoordelijkheid die het dragen van het gezag met zich brengt onvoldoende kan overzien en daarmee onvoldoende kan uitvoeren. Verder speelt mee dat wanneer de vader zou worden belast met het gezag over [minderjarige] , dit ook een verandering zou betekenen in de verhouding tussen de vader en de moeder. De moeder heeft geen gezag over [minderjarige] , maar zij heeft wel recht op informatie over en omgang met [minderjarige] . De kinderrechter begrijpt dat de vader en de moeder sinds kort contact hebben met elkaar. Het contact tussen de moeder en de vader is een gehele periode niet goed geweest. Het lukt(e) de ouders niet om op een passende manier met elkaar te communiceren. Wanneer de vader met het gezag wordt belast, is de kans groot dat dit zorgt voor onrust doordat er spanning ontstaat tussen de ouders. De moeder is dan meer afhankelijk van de vader, ook als er een jeugdbeschermer zou zijn zoals door de vader verzocht. Dit acht de rechtbank niet in [minderjarige] ’s belang.
4.11.
Al deze omstandigheden tezamen brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat bij inwilliging van het verzoek van de vader om hem met het gezag te belasten (in combinatie met een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing) gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Het is in het belang van [minderjarige] dat een onafhankelijke derde met het gezag over haar is belast en dat zij in de veiligheid die de pleegouders haar thans bieden kan toekomen aan haar ontwikkeling. De rechtbank zal het verzoek van de vader om hem met het gezag over [minderjarige] te belasten daarom afwijzen. Dit betekent dat de voogdijinstelling met het gezag over [minderjarige] blijft belast.
4.12.
Ingevolge artikel 1:12, eerste lid, BW volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent. Nu de vader niet het gezag over [minderjarige] zal uitoefenen, dient ook het verzoek om de hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen te worden afgewezen.
4.13.
Het voorgaande doet er niet aan af dat de vader belangrijk is voor [minderjarige] en altijd de vader van [minderjarige] blijft en betrokken moet worden bij de plannen omtrent [minderjarige] ’s ontwikkeling.
4.14.
Het verzoek van de vader dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde
in artikel 1:377a lid 1 BW. Ingevolge artikel 1:377a lid 1 BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Ingevolge artikel 1:377a lid 2 BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Ingevolge het derde lid van voormeld artikel ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Het standpunt van de vader
4.15.
De omgang is op dit moment begeleid en vindt een keer per maand plaats. De omgang gaat goed. De vader vindt het van belang dat de omgangsregeling stapsgewijs wordt uitgebreid, passend bij het tempo en de ontwikkeling van [minderjarige] . En dat er op termijn wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang.
4.16.
De raad adviseert om de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] uit te breiden naar 45 minuten begeleide omgang eens per twee weken onder regie van de GI. De raad geeft – onder meer – aan dat de vader zich aan de afspraken houdt en interesse toont in [minderjarige] . De raad gunt het [minderjarige] wanneer zij de vader vaker ziet. Het komt de kwaliteit van de omgang ten goede als de omgang wordt uitgebreid naar ongeveer 45 minuten, afhankelijk van wat [minderjarige] aan kan. De raad vindt het wel belangrijk dat de omgang begeleid is, omdat de vader en [minderjarige] elkaar nog moeten leren kennen, er nog zorgen zijn over het functioneren van vader en er nog geen zicht is op hoe de vader als vader functioneert. Het zal [minderjarige] en de ouders recht doen wanneer zij ongeveer evenveel omgangsmomenten hebben. De raad kan zich echter voorstellen dat de geadviseerde regeling te veel vraagt voor [minderjarige] (en de pleegouders). De rol van de GI is hiervoor weggelegd om dit verder te onderzoeken.
Het standpunt van de voogd
4.17.
De voogd kan zich vinden in de bevindingen en adviezen van de raad over uitbreiding van de omgangsregeling. De omgang tussen [minderjarige] en de vader verloopt goed. De vader houdt zich aan de afspraken en heeft leuk contact met [minderjarige] . De omgang kan dus worden uitgebreid zoals de raad adviseert, mits [minderjarige] de uitbreiding aankan. De omgang is echter nog niet uitgebreid, omdat de voogd in afwachting was van de zitting. Daarnaast geeft de voogd aan dat er wordt gekeken om de omgangsplek tussen de vader en [minderjarige] te veranderen.
De inhoudelijke beoordeling
4.18.
Gelet op de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen, begrijpt de rechtbank dat het verzoek oorspronkelijk was gericht aan de moeder als verweerder en nu door de vader gericht is aan de voogd. De rechtbank zal de volgende omgangsregeling vaststellen (Voetnoot 4): de begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] wordt uitgebreid naar 45 minuten eens per twee weken onder regie van de GI. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
4.19.
De rechtbank acht deze omgangsregeling het meest in het belang van [minderjarige] . De vader heeft op dit moment één keer per maand een half uur begeleide omgang met [minderjarige] . De omgang verloopt goed. De rechtbank gunt het de vader dat hij [minderjarige] beter leert kennen en dat hij haar meer kan zien. De rechtbank sluit aan bij het advies van de raad en neemt het advies dat het recht doet aan [minderjarige] en de ouders wanneer de omgangsmomenten ongeveer gelijk zijn over. Het is dan ook van belang dat de omgang van de vader met [minderjarige] wordt uitgebreid. Het is echter wel belangrijk dat [minderjarige] de uitbreiding van de omgangsregeling aan kan en dat haar ontwikkeling niet in gevaar komt. Het is daarom belangrijk dat de voogd de regie neemt. Ook is het belangrijk dat de voogd zich in het belang van [minderjarige] inspant voor een andere omgangsplek tijdens de omgang met vader. [minderjarige] voelt zich bij de huidige omgangsplek niet op haar gemak. De rechtbank kan zich daarbij voorstellen dat de omgang ook buiten kan plaatsvinden. De rechtbank kan zich voorts voorstellen dat, gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , de omgangsregeling in de toekomst op een andere wijze kan worden vormgegeven, afhankelijk van haar ontwikkeling, behoeften en beschikbaarheid. Ook is het gelet op het advies van de raad belangrijk dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader voorlopig nog begeleid plaatsvindt.
4.20.
De rechtbank benadrukt dat het tot de taak van de voogd behoort om het recht van de minderjarige op omgang met de niet met het gezag belaste ouder, evenals het recht op en de verplichting tot omgang van die ouder met zijn of haar kind, actief te waarborgen. De voogd dient ervoor zorg te dragen dat dit recht wordt nageleefd, tenzij dit in strijd is met de belangen van het kind.
4.21.
Het verzoek van de vader dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 1:377b lid 1 BW. Ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder, die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen, zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
De inhoudelijke beoordeling
4.22.
Gelet op de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan de orde is gekomen, begrijpt de rechtbank dat het verzoek van de vader oorspronkelijk was gericht aan de moeder als verweerder en nu door de vader gericht is aan de voogd. De rechtbank is van oordeel dat artikel 1:377b lid 1 BW ook geldt indien een voogd is benoemd en het kind niet bij de ouder woont. In die situatie bestaat, analoog aan artikel 1:377b lid 1 BW, eveneens een informatieverplichting voor de voogd. De rechtbank kan op verzoek van een ouder zonder gezag een informatieregeling vaststellen tenzij de rechter ingevolge artikel 1:377b, lid 2 BW het eerste lid buiten toepassing laat indien het belang van het kind dat vereist. De rechtbank verwijst naar de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 18 februari 2020. (Voetnoot 5)
4.23.
De rechtbank zal de volgende informatieregeling vaststellen: de voogd dient maandelijks schriftelijk of per e-mail de vader te informeren over gewichtige aangelegenheden betreffende het leven van [minderjarige] . Onder gewichtige aangelegenheden verstaat de rechtbank informatie over [minderjarige] ’s ontwikkeling, bezoeken aan consultatiebureau, een peuterspeelzaal/school en eventuele medische aangelegenheden. De rechtbank acht deze maandelijkse informatieregeling, gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en de snelle ontwikkeling die daarmee gepaard gaat, redelijk en reëel. De rechtbank zal het overige verzoek van de vader ten aanzien van de informatieregeling afwijzen. De vader zal met de omgangsregeling die wordt vastgesteld [minderjarige] tweemaal per maand zien. Tevens veronderstelt de rechtbank dat de vader in de praktijk tijdens de omgangsmomenten door de pleegouders informatie over [minderjarige] zal ontvangen.
Het wijzigen van de voogdij
4.24.
De vader heeft verzocht om wijziging van de voogdij-instelling op grond van artikel 1:299 BW, in samenhang met analoge toepassing van artikel 1:259 BW. Ingevolge artikel 1:299 BW kan de rechtbank een voogd benoemen op verzoek van bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de Raad voor de Kinderbescherming, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve, behoudens artikel 1:282a BW. Artikel 1:259 BW biedt de mogelijkheid tot vervanging van de gecertificeerde instelling in het kader van een ondertoezichtstelling.
4.25.
In het onderhavige geval is de GI belast met de voogdij over [minderjarige] en hebben de ouders geen gezag. Daarmee is er geen sprake van een ondertoezichtstelling, maar van een voogdijmaatregel. Een analoge toepassing van artikel 1:259 BW kan niet worden toegepast als er sprake is van voogdij. De rechtbank verwijst naar de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Nijmegen van 21 mei 2019. (Voetnoot 6) Op de onderhavige kwestie, waarin sprake is van voogdij bij een gecertificeerde instelling, is artikel 1:328 BW van toepassing.
4.26.
Ingevolge artikel 1:328 BW kan de rechtbank de voogdij van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de jeugdwet of van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid, beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en:
zij haar taken op een niet verantwoorde wijze uitoefent als bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, van de jeugdwet, of
zij nalaat overeenkomstig artikel 305 de Raad voor de Kinderbescherming op de hoogte te houden.
Ingevolge artikel 1:329 lid 1 BW kan beëindiging van de voogdij worden uitgesproken op verzoek van de raad voor de kinderbescherming, het openbaar ministerie of een der bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad.
4.27.
De raad geeft in het rapport aan dat zij denken dat de inzet van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering meer passend is dan de huidige voogd. De raad vindt dit meer passend, omdat er zorgen zijn over de samenwerking tussen de voogd en de beide ouders. De WSS heeft zich bereid verklaard om de voogdij over te nemen.
Het standpunt van de vader
4.28.
De vader is van mening dat het belangrijk is dat de voogd wordt gewijzigd. Het is belangrijk dat er een constructieve samenwerking is tussen de voogd en de vader om omgang tussen de vader en [minderjarige] positief te laten plaatsvinden. Dat is op dit moment niet het geval, waardoor de ontwikkeling van de vader-dochter relatie wordt belemmerd. De vader heeft geen vertrouwen meer in de huidige voogd en vindt het belangrijk dat de WSS wordt benoemd als voogd. De WSS sluit beter aan bij het functioneringsniveau van de ouders en heeft zich bereid verklaard om de voogdij over te nemen. [minderjarige] blijft in het pleeggezin wonen, waardoor haar verblijfplaats en het dagelijks leven van [minderjarige] niet verandert. Daarnaast heeft [minderjarige] niet dagelijks contact met de voogd en kan de voogd zorgen voor een warme overdracht.
Het standpunt van de voogd
4.29.
De voogd vindt het niet in [minderjarige] ’s belang als de voogd wordt gewijzigd. De voogd ervaart in het algemeen geen problemen in de samenwerking met de ouders. De ouders hebben geen klacht ingediend of een bemiddelingsgesprek aangevraagd bij de voogd. De voogd ervaart het contact met de ouders juist overwegend positief. Daarnaast heeft de voogd veel kennis over [minderjarige] . De voogd is vanaf het begin betrokken bij het leven van [minderjarige] . Door wijziging van de voogd zal veel informatie en ervaring verloren gaan. Dit acht de voogd niet in [minderjarige] haar belang.
4.30.
De WSS geeft aan dat zij bereid zijn de voogdij over te nemen als zij dat verzoek krijgen. Echter, gezien de kennis die de huidige voogdij over [minderjarige] heeft, vindt de WSS het jammer als de huidige voogd wordt gewijzigd. Daarnaast levert een wijziging van de voogdij vertraging op in het proces en dit vindt de WSS een gemiste kans.
De inhoudelijke beoordeling
4.31.
Voor zover de vader heeft beoogd zijn verzoek te baseren op artikel 1:328 BW zal de rechtbank het verzoek van de vader afwijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
4.32.
De rechtbank kan de wens van de vader begrijpen. De vader lijkt (in het verleden) door de voogd onvoldoende serieus te zijn genomen in zijn wens om een rol te spelen in het leven van [minderjarige] . Hoewel de vader zich vanaf de geboorte heeft ingezet om omgang te hebben met [minderjarige] , is dit pas sinds de vorige uitspraak tot stand gebracht door de voogd. De voogd was van mening dat omgang tussen [minderjarige] en de vader een negatieve invloed zou hebben op [minderjarige] ’s ontwikkeling. De rechtbank heeft in de tussenbeschikking gesteld dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader door een onafhankelijke organisatie dient te worden begeleid, zodat een objectief beeld kan worden gevormd. Ondertussen hebben de vader en [minderjarige] begeleid omgang en verloopt dit goed.
4.33.
De rechtbank kan echter alleen de voogdij van de voogd beëindigen als, voor zover hier van belang, een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de voogd (de GI) haar taken op niet verantwoorde wijze uitoefent als bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet. In dit artikellid staat dat de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling zich op zodanige wijze organiseren, zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel voorzien en zorg dragen voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp.
4.34.
De rechtbank stelt vast dat het gelukkig goed gaat met [minderjarige] . [minderjarige] heeft het goed in het pleeggezin en om die reden kan de vader zich erin vinden als [minderjarige] in het pleeggezin blijft wonen. [minderjarige] ontwikkelt zich goed en heeft omgang met beide ouders. Gelet hierop, heeft de vader onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [minderjarige] in haar ontwikkeling wordt bedreigd en de voogd haar taken niet op een verantwoorde wijze zou uitoefenen. Gelet op de gronden van artikel 1:328 BW, zal de rechtbank het verzoek van de vader afwijzen. De rechtbank gaat er echter van uit dat de voogd zich zal (blijven) inspannen om de vader een rol te laten spelen in het leven van [minderjarige] en zijn taken uitvoert in het belang van [minderjarige] .
De uitvoerbaarheid bij voorraad
4.35.
De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van de omgangsregeling en de informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
4.36.
Dit betekent dat deze beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de
belanghebbenden hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de
rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De kosten van deze procedure
4.37.
De rechtbank zal beslissen dat iedere belanghebbende de eigen proceskosten betaalt, omdat dit het uitgangspunt is in familiezaken.
4.38.
De beslissing(en) die hiervoor door de rechtbank zijn genomen, worden hierna
opgesomd. De rechtbank gebruikt de begrippen uit de wet.