1
[eiser 1], handelend onder de naam
[bedrijf 1],
wonende en zaakdoende te [woonplaats 1] (Polen),
hierna te noemen: [eiser 1],2. [eiser 2], handelend onder de naam [bedrijf 2],
wonende en zaakdoende te [woonplaats 2] (Polen),
hierna te noemen [eiser 2],3. [eiser 3], handelend onder de naam [bedrijf 3],
wonende en zaakdoende te [woonplaats 3] (Polen),
hierna te noemen: [eiser 3],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
gemachtigde: [gemachtigde],
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf 4],
wonende en zaakdoende te [woonplaats 4],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
Overwegingen
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1
Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat [eisers] in Polen zijn gevestigd en [gedaagde] in Nederland. De kantonrechter moet daarom ambtshalve beoordelen of zij internationaal bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen en welk recht op de zaak van toepassing is. Omdat [gedaagde] in Nederland is gevestigd, is de Nederlandse rechter bevoegd om van deze zaak kennis te nemen. De kantonrechter volgt [eisers] in hun stelling dat het Nederlandse recht van toepassing is, nu [gedaagde] in Nederland is gevestigd en de overeengekomen werkzaamheden door [eisers] in Nederland zijn verricht. Er is niet gesteld of gebleken dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt.
4.2
[gedaagde] is in de procedure niet verschenen. De wettelijk voorgeschreven formaliteiten zijn in acht genomen, zodat tegen hem verstek wordt verleend. Dat betekent dat de vorderingen worden toegewezen, tenzij deze de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen
4.3
Het spoedeisend belang is ter zitting nader toegelicht. [eisers] hebben onweersproken gesteld dat zij en hun gezinnen in Polen financieel afhankelijk zijn van de betaling van de vorderingen en dat er aanwijzingen zijn dat door verdere vertraging hun verhaalsmogelijkheden zullen verslechteren.
4.4
Het gaat hier om geldvorderingen. De kantonrechter stelt voorop dat terughoudendheid is geboden bij toewijzing van een geldvordering in kort geding. Het bestaan en de omvang van de vorderingen moeten dan in hoge mate aannemelijk zijn. Verder moet het risico van onmogelijkheid van terugbetaling (het restitutierisico) bij afweging van de belangen van partijen aan toewijzing niet in de weg staan.
4.5
Hoewel deze zaak zich daarom niet zonder meer leent voor behandeling in kort geding, is uiteindelijk na hetgeen uitvoerig ter zitting naar voren is gebracht voldoende aannemelijk geworden dat de vorderingen in een bodemprocedure, althans gedeeltelijk, zullen worden toegewezen. De overgelegde stukken en de schuldbekentenissen onderbouwen de stelling van [eisers] dat [gedaagde] de vorderingen heeft erkend. Dat betekent ook dat het in hoge mate aannemelijk is dat er geen restitutierisico is, omdat het risico bij een erkende vordering niet speelt althans dat bij de belangenafweging dan aan het restitutierisico minder gewicht hoeft te worden toegekend.
4.6
De geldvorderingen van [eiser 1] en [eiser 3] komen de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig over en zullen worden toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] verklaard hun eis van [eiser 2] te verminderen naar € 7.725,- zodat deze vordering in overeenstemming is met de tussen [eiser 2] en [gedaagde] gesloten schuldbekentenis. De vordering na eisvermindering komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal eveneens worden toegewezen.
4.7
[eisers] vorderen de tot aan de dagvaarding verschenen rente. Deze vorderingen zullen worden afgewezen, omdat [eisers] niet hebben onderbouwd vanaf welke datum er verzuim is ingetreden. De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsommen vanaf de dag van de dagvaarding.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.8
[eisers] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan.
4.9
De hoogte van de vergoeding is op grond van het Besluit alleen gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom. Met betrekking tot de vordering van [eiser 1] zal op basis van de verschuldigde hoofdsom een bedrag van € 814,33 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Voor de vordering van [eiser 3] zal op basis van de verschuldigde hoofdsom een bedrag van € 954,39 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Nu de vordering van [eiser 2] is verminderd zal een bedrag van € 921,11 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
4.11
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
151,94
- griffierecht
€
753,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.913,94
4.12
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Beslissing
5.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 6.774,33 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de hoofdsom van € 5.960,00, met ingang van 11 mei 2026, tot de dag van volledige betaling,
5.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 8.646,11 , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de hoofdsom van € 7.725,00, met ingang van 11 mei 2026, tot aan de dag van volledige betaling,
5.3
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 3] te betalen een bedrag van € 9.229,39 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de hoofdsom van € 8.275,00, met ingang van 11 mei 2026, tot aan de dag van volledige betaling,
5.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.913,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.