1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties, waaronder een USB-stick met video-bestanden,- de conclusie van antwoord en de aanvulling daarop met producties, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de aanvullende producties van de zijde van [eiser],
- de mondelinge behandeling van 29 mei 2026, waar [eiser], bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemeente (vertegenwoordigd) zijn verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij van de zijde van [eiser] ook gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
1.2
Het vonnis is vandaag bij vervroeging uitgesproken.
3.1
[eiser] is sinds 2018 woonachtig aan de [adres 1]. Hij is sinds 2017 eigenaar van (de kavel van) de woning.
3.2
Direct grenzend aan het perceel van [eiser] is een groenstrook gelegen, waarbij de kantoorruimte die [eiser] later heeft aangebracht zich direct achter de houten panelen aan de rooilijn bevindt. Aan het einde van deze strook is een kleine speeltuin (met toestellen) geplaatst. Onderstaande foto geeft de situatie ter plaatse aan.
[Afbeelding]
3.3
De gemeente is eigenaar en beheerder van de betreffende groenstrook.
3.4
Vanaf omstreeks maart 2024 heeft [eiser] herhaaldelijk de gemeente benaderend omdat hij overlast ondervindt van - kort gezegd - (groepen) kinderen en volwassenen die de groenstrook en de muur van zijn kantoor gebruiken voor intensief spel of sport, in het bijzonder voetbal. Op enig moment heeft de gemeente extra beplanting voor de houten panelen van de woning van [eiser] aangebracht. (Voetnoot 1)
3.5
Bij e-mailbericht van 25 maart 2024 heeft [eiser] de gemeente bedankt voor het aanleggen van de extra beplanting omdat dat substantieel meer rust geeft nu zijn kantoormuur niet meer als voetbal-goal/wand wordt gebruikt. [eiser] vraagt de gemeente (kort gezegd) opnieuw te onderzoeken hoe alsnog onnodig en overbodig overlast te voorkomen is. Het doel van [eiser] is dat wordt voorkomen dat de groenstrook wordt gebruikt als trapveld. Om dat te bereiken doet hij enkele concrete voorstellen.
3.6
Bij e-mailbericht van de heer [naam], medewerker wijkbeheer bij de gemeente (hierna: [naam]), van 16 april 2024 is [eiser] (kort gezegd) meegedeeld dat er al heel veel is gedaan om de groenstrook aan te passen, dat het naast dat het een groenstrook is ook een speelterreintje is en dat dat bij gebruik altijd enige reuring zal geven, waar de gemeente ook niets aan kan doen. [naam] adviseert [eiser] om bij misbruik de politie te bellen. Voor de door [eiser] aangedragen voorstellen zal volgens hem een breed draagvlak moeten ontstaan in de buurt.
3.7
Bij e-mailbericht van 8 mei 2024 heeft [eiser] [naam] (kort gezegd) bericht dat de voetbaldrukte enorm toeneemt en dat er een discussie/confrontatie is ontstaan tussen hem en enkele ouders toen hij hen aansprak met het verzoek om het wat rustiger aan toe doen. De gemeente wordt door [eiser] nogmaals gewezen op enkele betaalbare en snel uitvoerbare oplossingen. Verder geeft [eiser] aan dat hij overweegt om zich juridisch te laten bijstaan. [naam] reageert dezelfde dag per e-mail en schrijft [eiser] dat hij het vervelend vindt dat het zo gaat op dit moment, dat hij zich sterk wil en zal maken voor nog een aanpassing van het veldje, maar dat hij, zoals al eerder gezegd, het niet allemaal voor het zeggen heeft. Verder geeft hij aan dat de afdeling Veiligheid, de afdeling Handhaving en de wijkagent is ingelicht.
3.8
Eind mei en begin juni 2024 heeft [eiser] [naam] opnieuw via e-mail benaderd en melding gemaakt van (toenemende) overlast. [naam] heeft daarop gereageerd en (kort gezegd) meegedeeld dat [eiser] hem mag benaderen met betrekking tot het onderhoud van grond, dat de inrichting van de groenvoorziening naast de woning van [eiser] op dit moment voldoende is en dat er twee bomen te zijner tijd zullen worden vervangen. Daarnaast heeft [naam] [eiser] aangegeven dat hij zijn ervaringen met betrekking tot overlast kan (blijven) melden bij handhaving en/of politie, maar dat dat buiten zijn directe invloed valt. Tot slot wijst [naam] [eiser] (vrijblijvend) op buurtbemiddeling. Nadien heeft [eiser] [naam] nog enkele e-mailberichten geschreven.
3.9
Bij brief van 27 augustus 2024 heeft mr. J.T. Mudde, werkzaam bij DAS, namens [eiser] de gemeente aangeschreven en haar gesommeerd uiterlijk binnen twee maanden, nadere maatregelen te nemen om zowel de (geluids)overlast als de kans op schade aanzienlijk te verminderen. Op 23 september 2024 heeft mr. Mudde een herinnering gestuurd aan de gemeente.
3.10
Bij brief van 9 oktober 2024 heeft de gemeente gereageerd op de brief van 27 augustus 2024. De gemeente deelt mee dat zij geen maatregelen zal nemen zoals verzocht door/namens [eiser]. De gemeente deelt niet de visie dat er sprake is van oneigenlijk gebruik van de groenstrook. De groenstrook is een openbare plaats waarop ook kinderen mogen spelen. Naar aanleiding van de klachten van [eiser] heeft de gemeente met meerdere bewoners uit de buurt gesprekken gevoerd over het gebruik van de groenstrook. Vanuit de buurt bereiken de gemeente verder geen klachten over overlast door spelende kinderen of schade aan woningen. Als er sprake is van overmatige overlast door gebruikers van de groenstrook kan [eiser] zich tot de politie wenden.
3.11
In oktober 2024 heeft [eiser] een aantal e-mailberichten gestuurd over de door hem ondervonden overlast naar de wijkondersteuner en de wijkagent. De wijkondersteuner en de politie hebben daarop gereageerd. In december 2024 hebben [eiser] en de politie ook met elkaar gecorrespondeerd. In zijn e-mailbericht van 9 december 2024 heeft de wijkagent [eiser] bericht dat het geschil dat hij met de gemeente heeft geen politiezaak is, dat de gemeente de groenstrook (vooralsnog) ziet als een plek waar gespeeld mag worden, en dat de politie tegen overtredingen kan optreden, maar dat zij daarbij wel een discretionaire bevoegdheid heeft. Verder wordt erop gewezen dat de politie zich er niet voor laat lenen om buurtconflicten uit te vechten en dat buurtbemiddeling daarin (mogelijk) iets kan betekenen.
3.12
Bij brief van 17 december 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] gereageerd op de brief van 9 oktober 2024. Volgens haar is er wel degelijk sprake van onrechtmatige hinder. Daarnaast is er sprake van wateroverlast nu de groenstrook na regenbuien onder water staat. Voorgesteld wordt om op de groenstrook over de volle lengte een wadi te creëren. Deze oplossing zou zowel het waterprobleem als de ervaren overlast aanzienlijk verminderen.
3.13
Van de zijde van de gemeente is bij e-mailbericht van 20 december 2024 op deze brief gereageerd. Kort gezegd schrijft de gemeente dat nader onderzoek moet worden gedaan naar de door [eiser] ondervonden wateroverlast en dat er (verder) geen aanleiding is om haar standpunt zoals verwoord in haar brief van 9 oktober 2024 te herzien. Bij e-mail-bericht van 15 januari 2025 heeft de gemeente nader gereageerd ter zake de ondervonden wateroverlast. Uit archief-onderzoek is gebleken dat [eiser] de gemeente in 2021 aansprakelijk heeft gesteld voor wateroverlast. Deze claim is namens de gemeente bij brief van 21 december 2021 afgewezen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding vormen om het ingenomen standpunt te heroverwegen. Het voorstel om een wadi te creëren wordt afgewezen.
3.14
Eind februari 2024/begin maart 2025 hebben partijen gecorrespondeerd over kapotte struiken in de aangelegde beplanting voor de houten panelen.
3.15
De gemachtigde van [eiser] heeft de gemeente bij brief van 4 maart 2025 meegedeeld dat het voor [eiser] van cruciaal belang is dat de ernstige geluidsoverlast door het gebruik van de groenstrook wordt beëindigd. Gelet op de duur en aard van de overlast is er sprake van onrechtmatige hinder. Verder wordt erop gewezen dat Olthof al woonachtig was op zijn huidige adres vóór de aanleg van de groenstrook en het oneigenlijke gebruik daarvan. Dat het huidige gebruik van de groenstrook oneigenlijk is en niet is toegestaan blijkt ook uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Er wordt verzocht om binnen vier weken een plan van aanpak te doen toekomen met daarin opgenomen de door de gemeente te treffen maatregelen om de (geluids)overlast voor [eiser] aanzienlijk te beperken en/of uit te sluiten, een en ander voorzien van een tijdpad.
3.16
Op 24 maart 2025 heeft [eiser] melding gemaakt van een vertrapte struik.
3.17
Bij e-mailbericht van 26 maart 2025 heeft de gemeente gereageerd op de brief van 4 maart 2025. Voor zover van belang deelt de gemeente mee dat het perceel naast het perceel van [eiser] is bestemd als “Groen” en dat binnen deze bestemming onder meer speelvoorzieningen zijn toegestaan. [eiser] wist althans behoorde te weten dat hij naast een bestemming “Groen” kwam te wonen. Dat daar pas later feitelijk een groenstrook is aangebracht doet daar niet aan af. Bij het gebruik van openbare ruimte mag verwacht worden dat gebruikers met elkaar rekening houden. Geluiden van spelende kinderen en buurtbewoners kwalificeren als normale leefgeluiden, die buren in beginsel van elkaar te dulden hebben. De APV is niet bedoeld voor dit soort situaties. De gemeente wijst erop dat zij geen klachten van andere bewoners ontvangt over het gebruik van de groenstrook. De gemeente wenst graag in gesprek te gaan met [eiser].
3.18
Bij brief van 7 mei 2025 heeft de gemeente de bewoners van de wijk, waaronder [eiser], uitgenodigd voor een bijeenkomst over het spelen in Almelo, waarbij in het bijzonder de speeltuin/-voorziening aan de [adres 2], de [adres 3] alsmede aan de [adres 1] aan de orde zullen komen.
3.19
Bij brief van 16 mei 2025 is namens [eiser] gereageerd op het e-mailbericht van
26 maart 2025 en de brief van 7 mei 2025. Kort gezegd wordt het standpunt gehandhaafd dat er sprake is van onrechtmatige hinder, dat een bespreking alleen zinvol is als ook gezocht wordt naar oplossingen. Ook wordt, in reactie op de brief van 7 mei 2025, aangegeven dat de huidige speelplaats aan de achterzijde op de groenstrook niet uitgebreid dient te worden.
3.20
Bij e-mailbericht van 20 mei 2025 is namens de gemeente hierop gereageerd en (nogmaals) meegedeeld dat de groenstrook is gelegen in de openbare ruimte. De groen-strook mag door iedereen worden gebruikt, dus ook door kinderen om erop te spelen. Op dit moment doet de gemeente geen toezeggingen over verdere aanpassingen van de groen-strook. Op 21 mei 2025 is een inloopbijeenkomst en eventuele vervolgstappen worden mede gebaseerd op daar ingebrachte reacties. Enkele in de brief van 16 mei 2025 genoemde punten zijn als inspraakreactie van [eiser] doorgegeven. Tot slot wordt meegedeeld dat de gemeente er voor openstaat om een vorm van buurtbemiddeling op te starten.
3.21
Bij brief van 10 juni 2025 is van de zijde van [eiser] aanvullend bewijs gestuurd naar de gemeente en is het standpunt ter zake onrechtmatige hinder gehandhaafd en wordt gesommeerd om binnen drie weken passende maatregelen te treffen ter uitsluiting althans in ieder geval beperking van de hinder van de groenstrook. In reactie op deze brief heeft de gemeente in haar e-mailbericht van 18 juni 2025 meegedeeld dat zij niet op voorhand toezeggingen zal doen en dat zolang overleg wordt afgehouden niet kan worden beoordeeld wat de gemeente in deze kwestie kan betekenen. Daarnaast wijst zij erop dat zij een andere terugkoppeling krijgt op gebeurtenissen rondom de woning van [eiser]. De gemeente stelt dat zij in de onderhavige kwestie geen privaatrechtelijke handelingen verricht. De gemeente is bereid om te bekijken of zij samen met de wijkagent een rol kan spelen bij het verminderen van spanningen in de buurt.
3.22
Bij brief van 25 juni 2025 hebben de bewoners van [plaats] een terug-koppeling ontvangen van de inloopbijeenkomst op 21 mei 2025. In deze brief staat voor zover van belang het volgende:
“(…) In de buurt [plaats] zijn er 3 formele speelplekken, waarbij vooral de plek aan de [adres 1] mogelijkheden biedt voor de oudere jeugd. Qua spreiding liggen ze redelijk gelijkmatig verdeeld in de buurt. (…)
Over de locatie [adres 1] is gevraagd wat het bestemmingsplan hier over zegt. In het bestemmingsplan is de locatie als Groen aangewezen en er staat het volgende:
(…)
Samengevat over aantal en spreiding:
Het aantal speelmogelijkheden is (net) passend in ons beleid. Het is voldoende, maar wel aan de magere kant. Dat beeld verbetert in enige mate als we kijken naar de nabijgelegen speeltuin aan het Nieuwland, rekening houdend met het feit dat deze niet continu open is, en het nabijgelegen [locatie]. De conclusie dat het ‘voldoende hoewel mager’ is blijft overeind. Dat is de reden waarom wij de bestaande voorzieningen in samen-hang bekijken en de inloopbijeenkomst hebben georganiseerd. Een keuze op de ene speelplek hangt samen met de andere plek of opgaven in de buurt. Daarbij is de beschikbare ruimte een blijvend knellend kader. In uw buurt is de openbare ruimte beperkt. Aan deze keuze bij het ontwerp van de buurt is weinig te veranderen.
(…)
Conflictsituatie [adres 1]
Meerdere malen is vanuit uw buurt de zorg uitgesproken rondom conflicten bij de locatie [adres 1]. Voor iedere betrokkene is dit een vervelende situatie. Voor ons als gemeente is dit ook lastig: de wensen vanuit de buurt zijn tegenstrijdig. Wij beslissen op basis van inhoudelijke argumenten en op basis van ons beleid. Dat betekent dus niet dat automatisch de mening van de meerderheid wordt gevolgd of andersom dat het gedrag van een enkele bewoner de keuze bepaalt. Het zijn factoren die van invloed zijn, maar niet beslissend.
Rondom het normoverschrijdend gedrag van buurtbewoners beperken we ons in deze inspraaknota tot de mededeling dat dit de volle aandacht heeft van de gemeente en de wijkagent. Als antwoord op vragen tijdens de bijeenkomst: er zijn geen aangiftes gedaan bij de politie.
In ons beleid staat dat 3% van een buurt gereserveerd wordt voor speelruimte. Het terrein aan de [adres 1] maakt hier onderdeel van uit. Vanuit dit uitgangspunt kiezen we er niet voor om het spelen weg te halen op deze locatie. Omdat deze locatie de meeste ruimte biedt voor collectief spel kiezen we er ook niet voor om dit collectieve spel te ontmoedigen. We gaan wel aan de slag om te kijken of we meer ruimte kunnen creëren om zo de locatie [adres 1] wat te ontlasten. De suggestie om rondom de plek van de moestuinen wat te schuiven hebben we ter harte genomen. De vereniging heeft echter aangegeven ons niet te kunnen helpen. We gaan nog verder onderzoeken of we in de nabijheid extra ruimte kunnen vinden voor collectief spel/rennen e.d., maar die
ruimte is schaars. Herhaaldelijk wordt gevraagd naar voetbalveldjes. Maar we willen ook ruimte geven voor ander spel. Als we al ruimte vinden, kiezen we voor ruimte dat verschillend kan worden gebruikt en niet specifiek voetbal.
De andere genoemde mogelijkheden, zoals langs de [adres 4], zijn niet ons eigendom. Een kleine strook is wel in bezit van de gemeente, maar die vinden we qua ligging niet geschikt om te faciliteren als speelruimte of voetbalveld. Het ligt te dicht bij de singel en gaat langs een perceel van een derde. Formeel is dit ook bestemd voor een mogelijke verbreding van de [adres 4]. (…)
reactie
Antwoord
vervolg
(…)
Benoem/bestem de groenstrook als speelplek. Verbied honden op terrein [adres 1].
Het terrein heeft een bestemming Groen met gemengd gebruik. Dit laten we zo omdat de behoefte ook divers is.
Geen
(…)”
3.23
Bij brief van 18 juli 2025 is van de zijde van [eiser] meegedeeld dat er bereidheid is om met de gemeente en de wijkagent in gesprek te gaan over de situatie rondom de groen-strook. [eiser] zal vanwege gezondheidsredenen niet deelnemen aan het gesprek. Zijn gemachtigde sluit digitaal aan. Op 22 augustus 2025 heeft er een bespreking plaatsgevon-den. Bij brief van 28 november 2025 is van de zijde van [eiser] meegedeeld dat hij geen andere mogelijkheid ziet dan om de zaak voor te leggen aan de rechter.
3.24
In januari 2026 is de gemeente gedagvaard door [eiser].
3.25
Bij brief van 23 april 2026 is van de zijde van [eiser] aan de gemeente meegedeeld dat ondanks de inmiddels lopende procedure, de overlast niet alleen voortduurt, maar de afgelopen tijd aanzienlijk is toegenomen. Aan de gemeente wordt verzocht om binnen twee weken schriftelijk en concreet aan te geven welke stappen worden gezet om schade te voorkomen en overlast terug te dringen. Deze brief is door de gemeente doorgeleid naar de juiste afdeling.
3.26
Op 2 mei en 11 mei 2026 heeft [eiser] melding gemaakt van een klacht bij de gemeente.
4.1
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de gemeente veroordeelt om binnen vier weken na betekening van het vonnis doeltreffende maatregelen te treffen ter voorkoming, althans beperking, van de hinder, waaronder (maar niet uitsluitend):
het aanbrengen van extra beplanting en/of perkjes op de groenstrook ter hoogte van de woning van [eiser], zodanig dat collectief sport en spel wordt ontmoedigd;
het beperken van de toegankelijkheid van de groenstrook voor groepsactiviteiten;
dit op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. de gemeente veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 462,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover;
III. de gemeente veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
4.2
[eiser] baseert het gevorderde hoofdzakelijk op het bepaalde in artikel 5:37 juncto artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens hem is er sprake van structurele, ernstige en langdurige hinder die het normale leefgeluid in een woonwijk ruimschoots overschrijdt. De aard van de overlast bestaat uit het intensieve en veelal dagelijkse gebruik van de in 2021 aangelegde groenstrook voor collectieve sport- en spelactiviteiten, in het bijzonder voetbal, door groepen variërend van acht tot achttien personen, waaronder kinderen, jongeren en volwassenen. Deze activiteiten veroorzaken aanzienlijke geluids-hinder, gekenmerkt door geschreeuw en lawaai en vinden vooral plaats bij gunstige weers-omstandigheden gedurende vier tot acht uur per dag in het voorjaar, zomer en vroege najaar. Ook wordt er incidenteel met quads gereden op de groenstrook. Dit vergroot de geluids-overlast en vormt ook een aantasting van het veiligheidsgevoel van [eiser]. De hinder is disproportioneel, nu [eiser] direct aan de groenstrook woont en zijn kantoorruimte zich pal aan de erfgrens bevindt. Ondanks de aanleg van extra groen is de overlast niet beëindigd.
Het nalaten om verdere effectieve maatregelen te treffen vormt een schending van de zorgplicht en getuigt van een onvoldoende belangenafweging zoals vereist op grond van artikel 6:162 BW. Er is sprake van aantasting van zijn woongenot. Het ontneemt hem zijn avond- en weekendrust en verstoort zijn werkzaamheden overdag, die hij vanuit zijn kantoor aan huis verricht. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van onrechtmatige hinder verwijst [eiser] naar de herhaalde en gedocumenteerde klachten die zijn ingediend bij de gemeente en naar het overgelegde foto- en video-materiaal.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat het huidige gebruik van de groenstrook wezenlijk afwijkt van de gangbare betekenis van een groenstrook. Dat onderstreept dat het huidige gebruik niet strookt met de bestemming “Groen met gemengd gebruik”. De gemeente handelt dan ook in strijd met het bestemmingsplan en de zorgvuldigheidsnorm van artikel 3:4 van de algemene wet bestuursrecht (Awb). Het eenzijdig bestemmen van de gehele groenstrook vormt een onrechtmatige daad jegens hem. Het huidige gebruik is ook in strijd met de APV.
De gemeente heeft als eigenaar en beheerder van de openbare ruimte een zorgplicht tegenover de omwonenden. Bij de inrichting en het beheer van de groenstrook dient de gemeente rekening te houden met de belangen van direct omwonenden. Volgens [eiser] heeft de gemeente, ondanks dat hij herhaalde en concrete voorstellen heeft gedaan, nagelaten om passende maatregelen te treffen. Zijn voorstellen zijn structureel afgewezen, zonder een belangenafweging te maken tussen zijn belang op rustig woongenot en het belang van de wijkbewoners bij collectief spel op deze specifieke locatie. Daarbij komt dat hij, mede door zijn kwetsbare gezondheidssituatie, aan zijn woning is gebonden en geen mogelijkheid heeft om te verhuizen.
4.3
De gemeente heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang nader ingegaan.
Overwegingen
De bestemming van de groenstrook
5.1
De kantonrechter stelt vast dat de groenstrook in het in december 2012 vastgestelde bestemmingsplan Nijrees Noord- Almelo de bestemming “Groen” heeft. In artikel 3 van het bestemmingsplan is deze bestemming als volgt omschreven:
“De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. groenvoorzieningen;
b. voetpaden, fietspaden en fiets/bromfietspaden;
c. speelvoorzieningen;
d. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water;
met daaraan ondergeschikt:
e. openbare nutsvoorzieningen;
f. verkeersvoorzieningen;
g. voorzieningen ten behoeve van de beeldende kunst;
h. bermen, taluds en beplanting;
i. geluidswerende voorzieningen;
met daarbij behorende
j. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en verhardingen.”
5.2
[eiser] stelt dat er in strijd wordt gehandeld met het bestemmingsplan. De gemeente betwist dit en stelt zich op het standpunt dat het huidige gebruik van de groenstrook in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet de conclusie worden getrokken dat de wijze waarop de groenstrook wordt gebruikt in strijd is met het bestemmingsplan. Uit de hiervoor opgenomen omschrijving volgt dat de groenstrook op meerdere manieren en voor meerdere voorzieningen mag worden gebruikt. In die zin heeft de groenstrook een gemengd karakter. Er wordt onder c. expliciet vermeld dat de gronden met deze bestemming ook bestemd zijn voor speelvoorzieningen. Anders dan [eiser] meent omvat dit niet alleen het plaatsen en gebruik van speeltoestellen, maar ook andere spel- en sportactiviteiten. Dit betekent dat er ook gevoetbald mag worden. Voor zover [eiser] naar voren heeft gebracht dat de strook in de praktijk functioneert als een groot speel- en sportterrein waarbij de groenfunctie is verdwenen, overweegt de kantonrechter dat dit niet blijkt uit de overgelegde foto’s. Uit deze foto’s blijkt dat er groenvoorzieningen in de vorm van bomen, beplanting en gras aanwezig zijn.
5.3
Het betoog van [eiser] dat de groenstrook pas is gerealiseerd nadat hij zijn woning heeft betrokken en dat hij niet hoefde te verwachten dat de groenstrook zou uitgroeien tot feitelijke spel- en sportplek omdat de enige kenbare speelvoorziening de speeltuin aan het uiteinde betrof, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de door de gemeente in het geding gebrachte stukken blijkt dat al voordat [eiser] eigenaar werd van de kavel van zijn woning het naastgelegen perceel grond als “Groen” was bestemd. [eiser] wist of kon weten dat de groenstrook ook voor speelvoorzieningen (in de brede zin van het woord) bestemd was. Dat het (huidige) gebruik niet strookt met zijn verwachtingen (van destijds) maakt dit niet anders.
5.4
Een andere vraag is of het door [eiser] aan de gemeente gemaakte verwijt dat zij hem op onrechtmatige wijze hinder toebrengt, terecht is. Dit moet worden beoordeeld op grond van het bepaalde in de artikelen 6:162 en volgende BW (algemene bepalingen over onrechtmatige daad). Dat volgt rechtstreeks uit het bepaalde in artikel 5:37 BW (onrechtmatige (buren)hinder) en geldt voor de vraag naar de onrechtmatigheid van het optreden van de gemeente (de relativiteit daaronder begrepen), maar ook voor kwesties rondom toerekenbaarheid, causaliteit en schade(vergoeding).
5.5
Het voorgaande wil (overigens) niet zeggen dat geen belang toekomt aan de omstandigheid dat de gemeente de groenstrook en de wijze waarop deze wordt gebruikt, namelijk als speelveld (voor onder andere voetbal) wenst te behouden ter uitvoering van haar beleid betreffende speelruimte. Het vertrekpunt wordt echter gevormd door het eigendomsrecht. Het optreden van de gemeente met betrekking tot de groenstrook moet worden gekwalificeerd als feitelijk handelen. Dat geldt zowel voor de aanleg en de inrichting van groenstrook als voor het beheer ervan, waaronder begrepen het onderhoud en de (eventuele) regulering van het gebruik van de groenstrook.
5.6
De gemeente moet als eigenaar van het perceel grond waarop de groenstrook is gerealiseerd ook rekening houden met het verbod om naburen, zoals [eiser], onrechtmatige hinder toe te brengen. Daarbij is van belang dat (geluids)overlast een relatief begrip is. Wat door de een als zeer ernstig en zeer storend wordt ervaren, doet de ander af als onbeduidend en volstrekt acceptabel. Bij de beantwoording van de vraag óf sprake is van onrechtmatige hinder komt vervolgens niet alleen belang toe aan de aard, de ernst en de duur van de hinder en aan de daardoor toegebrachte schade, maar ook aan de verdere omstandigheden van het geval. In dit laatste kader speelt een rol welke belangen met de door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid (mede gelet op de daaraan verbonden kosten) en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. (Voetnoot 2) Daarbij is verder van belang of degene die zich beklaagt over hinder, zich op die plek heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende omstandigheden zijn begonnen. In dat laatste geval zal hij ‘een zekere mate van hinder’ eerder hebben te accepteren. (Voetnoot 3) Bovendien is het enkel bestaan van hinder in de subjectieve beleving van degene die stelt hinder te ervaren, niet voldoende om te concluderen dat er sprake is van onrechtmatige hinder.
5.7
Nu [eiser] het gevorderde instelt tegen de overheid-als-eigenaar moet tevens rekening worden gehouden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 3:14 BW en in artikel 3:1 lid 2 van de Awb. De burgerlijke rechter moet in voorkomende gevallen in volle omvang toetsen aan alle beginselen van behoorlijk bestuur. (Voetnoot 4)
5.8
De stelplicht en bewijslast van de onrechtmatigheid van de hinder rust op [eiser] als degene die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept.
5.9
Gelet op dit juridische kader is hetgeen [eiser] naar voren heeft gebracht naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van onrechtmatige hinder. Dat [eiser] (geluids)overlast ervaart is duidelijk. Uit de stellingen en overgelegde meldingen aan (onder andere) de gemeente en de politie blijkt duidelijk dat [eiser] (geluids)overlast ervaart, maar dat is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat sprake is geweest van onrechtmatige hinder. Deze meldingen bevatten immers op diverse onderdelen geen controleerbare, onpartijdige of objectieve informatie. Overlast en het bijzonder geluidsoverlast is het beste vast te stellen door een (onafhankelijke) deskundige. De kantonrechter stelt vast dat dat niet is gebeurd. Het bewijs kan echter ook op andere manieren worden geleverd, zoals door eigen opnames. [eiser] heeft geluids- en videofragmenten in het geding gebracht. De kantonrechter heeft deze fragmenten bestudeerd en beluisterd en op basis daarvan is zij van oordeel dat niet de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van (geluids)overlast die valt te kwalificeren als ernstige, structurele en objectiveerbare overlast. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat de groenstrook ook bestemd is voor sport en spel en dat de groenstrook is gelegen in een woonwijk. Het gebruik van de groenstrook moet gepaard kunnen gaan met normale stemgeluiden bij sport en spel, zoals lachen, roepen en enthousiast praten en geluiden die voortkomen uit het gebruik maken van sportattributen (zoals een voetbal). Een ander uitgangspunt zou afbreuk doen aan de bestemming van de groenstrook en de leefbaarheid van een woonwijk. Bovendien geldt dat toen [eiser] eigenaar werd van het perceel de groenstrook al was bestemd als “Groen” (zie ook rechtsoverweging 5.1. e.v.).
5.10
Daarnaast is van belang dat de groenstrook als speelvoorziening (waaronder voetballen valt) een nuttige functie vervult. Een woonwijk moet volgens het door de gemeente gevoerde beleid immers speelmogelijkheden bevatten en de groenstrook is één van de drie formele speelplekken in de wijk. De gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de groenstrook de grootste locatie is met speelmogelijkheden. De andere twee plekken zijn voor de jongere kinderen bestemd. De gemeente acht het aantal speelplekken karig maar voldoende. In dat licht bezien kan naar het oordeel van de kantonrechter ook niet worden geconcludeerd dat de gemeente de keuze om de groenstrook (met de daarop liggende bestemming) te behouden, niet heeft kunnen maken. Verder heeft de gemeente ook maatregelen genomen om te voorkomen dat de muur van de kantoorruimte van [eiser] als voetbal-goal/wand wordt gebruikt. [eiser] heeft richting de gemeente kenbaar gemaakt dat dit substantieel meer rust geeft. [eiser] stelt dat er nog meer/andere mogelijkheden zijn om de overlast te beëindigen of te beperken. De door hem in dat kader gedane voorstellen komen er echter in feite op neer dat collectief spel niet meer mogelijk is en daarvoor is de groenstrook nu juist mede aangelegd en ingericht. Uit de brief van 25 juni 2025 blijkt ook dat de gemeente het collectief spel niet wil ontmoedigen. Dat de gemeente collectief spel niet ontmoedigt, wil niet zeggen dat zij het voetballen faciliteert op de groenstrook. Zo staan er geen doeltjes. Ook acht de kantonrechter van belang dat de gemeente ondanks de vraag/het verzoek van (andere) bewoners in de wijk om de groenstrook alleen als speelplek te bestemmen, daarop te kennen heeft gegeven dat zij het gemengde karakter van de groenstrook wenst te behouden. Daarnaast heeft de gemeente onderzocht of er andere/meer plekken zijn waar speelvelden kunnen worden gerealiseerd. Tijdens de mondelinge behandeling is door de gemeente toegelicht dat er buiten de drie locaties weinig (geschikte) grond is waarvan zij eigenaar is om speelmogelijkheden te realiseren.
5.11
De door [eiser] ervaren (geluids)overlast is naar het oordeel van de kantonrechter ook niet op een andere manier in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid. Er zijn door [eiser] geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat sprake is van een situatie die de grens van het maatschappelijke betamelijke overschrijdt. Uit het voorgaande blijkt dat niet kan worden aangenomen dat de door [eiser] ervaren (geluids) overlast als onrechtmatige hinder moet worden aangemerkt.
5.12
Gelet op het voorgaande en alle betrokken belangen afwegende is de kantonrechter van oordeel dat dat wat [eiser] naar voren heeft gebracht onvoldoende is om te oordelen dat zijn belangen zwaarder dienen te wegen dan het (maatschappelijk) belang dat gediend is met de groenstrook en de bestemming die daarop rust. Evenmin kan met inachtneming van het vorenoverwogene worden geconcludeerd dat de handelwijze van de gemeente met betrekking tot aanleg, inrichting en het gebruik van de groenstrook strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of dat zij de daaruit voortvloeiende zorgplicht heeft geschonden.
APV
5.13
Nu de kantonrechter van oordeel is dat er geen sprake is van onrechtmatige hinder vloeit daaruit tevens voort dat geen sprake is van strijdigheid met de APV. Daarbij moet de bestemming van de groenstrook in aanmerking worden genomen.
5.14
De kantonrechter komt dan ook tot de slotsom dat de hoge lat om te kunnen spreken van onrechtmatige hinder niet wordt gehaald en dat aansprakelijkheid van de gemeente niet kan worden aangenomen. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
5.15
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
€
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
217,50