Overwegingen
4.1.
In deze zaak moeten de vragen beantwoord worden of [gedaagde] op basis van een overeenkomst nog een bedrag moet inbrengen in de vennootschap en of [gedaagde] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld door gelden aan de vennootschap te onttrekken. Daarnaast moeten de vragen worden beantwoord of [gedaagde] verplicht is de door [eiser] geleden schade te vergoeden, en zo ja, hoe hoog die schade is.
Inbreng in de vennootschap
4.2.
[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 6.000,- door [gedaagde]. Zij voert daartoe aan dat de aandeelhouders zijn overeengekomen dit bedrag in te brengen in de vennootschap teneinde de liquiditeitspositie te verbeteren. [gedaagde] erkent dat hij dit is overeengekomen en dat hij het bedrag nog aan [eiser] moet betalen. Omdat [gedaagde] dit deel van de vordering erkent, zal de kantonrechter [gedaagde] veroordelen tot betaling van € 6.000,- aan [eiser].
Bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW
4.3.
[eiser] stelt dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en dat hij aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden. Zij voert daartoe aan dat [gedaagde] tijdens de sportevenementen verantwoordelijk was voor de kas en dat hij de aanwezige contante gelden heeft verduisterd. Daarnaast voert [eiser] aan dat [gedaagde] privébetalingen heeft gedaan vanaf de bankrekening van [eiser].
4.4.
De kantonrechter overweegt vooropgesteld dat op grond van artikel 2:9 BW (interne bestuurdersaansprakelijkheid) iedere bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Een bestuurder die in de vervulling van zijn taak is tekortgeschoten is alleen aansprakelijk voor de schade die de door hem bestuurde rechtspersoon als gevolg van de tekortkoming lijdt, als hem ter zake daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4.5.
[gedaagde] erkent dat hij contant geld heeft verduisterd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij daarover verklaard dat hij al het aanwezige contante geld na de sportevenementen mee naar huis heeft genomen en op zijn eigen rekening heeft gestort. Ook erkent hij dat hij de pinpas van [eiser] heeft gebruikt voor privéuitgaven. In de conclusie van antwoord betoogt [gedaagde] – zonder nadere toelichting – dat er sprake was van een rekening-courant verhouding met [eiser]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij daarover verklaard dat er geen rekening-courant verhouding bestond tussen partijen, dat hij zich geld van [eiser] heeft toegeëigend zonder overleg met de andere bestuurders en dat hij wist dat dit ‘fout’ was. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] zijn taak gelet op het voorgaande onbehoorlijk vervuld en kan hem ook een ernstig verwijt gemaakt worden. [gedaagde] wist dat hij onrechtmatig handelde door geld aan de vennootschap te onttrekken en heeft de vennootschap daarmee schade berokkend. Dat is hem aan te rekenen. Omdat [gedaagde] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld en hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is hij gehouden de door [eiser] geleden schade als gevolg van dit handelen te vergoeden.
4.6.
[eiser] stelt dat zij door het handelen van [gedaagde] schade heeft geleden van in totaal € 20.972,47. Die schade bestaat volgens [eiser] ten eerste uit de verduisterde contante gelden van € 10.000,- en de privéuitgaven van [gedaagde] van € 1.360,07. Daarnaast stelt [eiser] dat zij € 6.500,- aan sponsorgelden is misgelopen omdat sponsoren zich door het handelen van [gedaagde] hebben teruggetrokken. Tot slot voert [eiser] aan dat zij gedwongen was om een lening af te sluiten, omdat haar liquiditeitspositie door het handelen van [gedaagde] was verslechterd. Volgens [eiser] moet [gedaagde] daarom een deel van de lening vergoeden en is [gedaagde] ook aansprakelijk voor de volledige rente en afsluitkosten van de lening, gezamenlijk € 3.112,40. De kantonrechter zal de verschillende schadeposten hierna bespreken.
4.7.
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] € 10.000,- aan contante gelden verduisterd en moet [gedaagde] dit bedrag aan schade vergoeden. Omdat niet geadministreerd is hoeveel contant geld er na de verschillende sportevenementen aanwezig was, althans omdat die administratie niet (meer) voorhanden is, kan volgens [eiser] niet exact vastgesteld worden hoeveel geld [gedaagde] verduisterd heeft. [eiser] heeft daarom op basis van de volgende berekening een schatting gemaakt, waarbij zij op een bedrag van € 10.000,- is uitgekomen.
4.8.
[eiser] stelt dat vier sportevenementen hebben plaatsgevonden, drie grotere evenementen en één kleiner evenement. In haar berekening gaat [eiser] daarom uit van 3,5 evenementen. Volgens [eiser] waren er per editie gemiddeld 200 tot 260 deelnemers aanwezig, waarvan ongeveer 25% contant betaalde voor de deelname. [eiser] gaat er daarom vanuit dat 50 deelnemers € 40,- contant hebben betaald, in totaal € 2.000,-. Volgens [eiser] waren er 500 bezoekers die allemaal contant een bedrag van € 10,- hebben betaald, totaal € 5.000,-. Ook voor de merchandise en het eten werd contant betaald, waarvoor [eiser] uitgaat van een bedrag van € 500,-. Dit maakt volgens [eiser] dat er per editie minimaal (€ 2.000,- + € 5000,- + € 500,- =) € 7.500,- in contanten aanwezig is geweest, te vermeerderen met de startkas van € 250,-. Uitgaande van 3,5 edities was er in totaal € 26.500,- aan contant geld aanwezig, waarvan ongeveer de helft is gebruikt om onkosten te voldoen. De resterende helft van € 13.250,- rondt [eiser] naar beneden af naar een bedrag van € 10.000,-. Ter onderbouwing van haar berekening verwijst [eiser] onder andere naar krantenberichten over het aantal deelnemers en verklaringen van sporters dat zij hun inschrijfgeld contant hebben betaald. Ook verwijst zij naar notulen van organisatievergaderingen omtrent de evenementen, waaruit onder andere volgt dat er na de evenementen contanten aanwezig waren.
4.9.
[gedaagde] erkent dat hij het aanwezige contante geld na de sportevenementen mee naar huis heeft genomen en dat hij dit geld vervolgens op zijn eigen rekening heeft gestort om schulden van af te lossen. [gedaagde] betwist echter dat het om een bedrag van € 10.000,- gaat en stelt dat hij € 2.105,- op zijn eigen rekening heeft gestort. [gedaagde] betwist ook de berekening van [eiser] en het uitgangspunt dat er 500 bezoekers waren die (voornamelijk) contant hebben betaald. Volgens [gedaagde] waren er veel minder bezoekers en werd het merendeel van de betalingen giraal gedaan.
4.10.
De kantonrechter volgt [eiser] niet in haar stelling dat [gedaagde] € 10.000,- heeft verduisterd, omdat [eiser] de berekening die zij aan dat bedrag ten grondslag heeft gelegd onvoldoende heeft onderbouwd. In haar berekening gaat [eiser] uit van een geschat aantal deelnemers en bezoekers, terwijl dit aan de hand van deelnemerslijsten, tellingen van bezoekers en bijvoorbeeld notulen van het evenement concreter had kunnen worden gemaakt. [gedaagde] betwist bovendien de door [eiser] genoemde aantallen bezoekers en deelnemers, waardoor niet van die aantallen kan worden uitgegaan. Daar komt bij dat [eiser] er in de berekening ook vanuit gaat dat alle bezoekers contant hebben betaald, terwijl [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat bezoekers ook veel pinbetalingen hebben gedaan. Dat laatste sluit ook aan bij de inhoud van de notulen van de organisatievergaderingen en de verklaringen van [naam 1] en [naam 2], die hebben meegewerkt bij de evenementen. Daarbij komt dat [eiser], zoals zij bij de mondelinge behandeling heeft verklaard, inmiddels weer toegang heeft tot haar Bunq- en Sumup-account, waardoor zij concreter had kunnen en moeten maken wat giraal en wat contant betaald is.
4.11.
De kantonrechter overweegt verder dat uit de notulen van de organisatievergadering van 26 april 2024, waarbij [gedaagde] aanwezig was, volgt dat er een cashreserve van € 7.000,- aanwezig was en deze reserve in een kluis zou worden bewaard. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter dit aan [gedaagde] voorgehouden, waarna [gedaagde] heeft verklaard dat er inderdaad notulen zijn opgemaakt en rondgestuurd maar dat er nooit is gesproken over een bedrag van € 7.000,-. Volgens [gedaagde] heeft hij in totaal niet meer dan € 2.105,- op zijn eigen rekening gestort. De kantonrechter volgt hem daar niet in omdat uit de organisatienotulen, waarvan [gedaagde] een afschrift heeft ontvangen en waarvan hij de onjuistheid nooit heeft aangekaart, volgt dat een bedrag van € 7.000,- aanwezig was en dat dit bedrag in een kluis zou worden bewaard. [gedaagde] heeft er ook geen steekhoudende verklaring voor gegeven waarom de notulen op dit punt onjuist zouden zijn. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij alle aanwezige contanten heeft meegenomen en op zijn eigen rekening heeft gestort. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat niet uit de financiële administratie volgt hoeveel contante gelden aanwezig waren na de evenementen, maar voor zover het ontbreken van een deugdelijke administratie van de contanten tot onzekerheid leidt over de hoogte van het door [gedaagde] onttrokken bedrag, komt dat voor rekening van [gedaagde] omdat hij voor de administratie daarvan verantwoordelijk was. Bovendien heeft [gedaagde] het door hem genoemde bedrag van € 2.105,- niet deugdelijk onderbouwd en heeft hij tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij de contante bedragen die hij mee naar huis heeft genomen ook niet geadministreerd heeft. Gelet op het voorgaande moet daarom worden aangenomen dat een contant bedrag van € 7.000,- aanwezig was na de sportevenementen en dat [gedaagde] dit bedrag op ongeoorloofde wijze aan [eiser] heeft onttrokken. De kantonrechter zal [gedaagde] veroordelen tot betaling van dit bedrag aan [eiser].
4.12.
[eiser] vordert, na vermindering van eis tijdens de mondelinge behandeling (vanwege een dubbeltelling en een al terugbetaald bedrag), een schadevergoeding van € 1.360,07 voor de privéuitgaven die [gedaagde] heeft gedaan vanaf de rekening van [eiser]. Zij stelt daartoe dat [gedaagde] als enige bestuurder de beschikking had over de pinpas van [eiser] en de inloggegevens van het internetbankieren en dat [gedaagde] die positie misbruikt heeft om privéuitgaven te doen met geld van [eiser]. Ter onderbouwing verwijst zij naar een door haar opgesteld overzicht van privébetalingen door [gedaagde] en de bankafschriften waaruit die betalingen volgen.
4.13.
[gedaagde] erkent dat hij privébetalingen heeft gedaan vanaf de bankrekening van [eiser], maar betwist de door [eiser] gestelde hoogte daarvan. Volgens [gedaagde] gaat het in totaal om een bedrag van € 537,92.
4.14.
De kantonrechter oordeelt als volgt. [gedaagde] erkent dat hij de pinpas van [eiser] heeft gebruikt voor privéuitgaven. [eiser] heeft met een verwijzing naar de bankafschriften gemotiveerd gesteld dat [gedaagde] in totaal € 1.360,07 aan privéuitgaven heeft gedaan. [gedaagde] betwist dat het gaat om meer dan € 537,92, maar heeft dat niet onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat een deel van de uitgaven is gebruikt voor de catering tijdens bestuursvergaderingen, maar heeft dat niet nader toegelicht. Ook desgevraagd heeft [gedaagde] niet concreet gemaakt welke bedragen zijn besteed aan (bestuursvergaderingen van) [eiser]. Dat had wel op zijn weg gelegen omdat hij in die periode, zoals [eiser] onbetwist heeft aangevoerd, als enige bestuurder de beschikking had over de bankpas. De kantonrechter zal de gevorderde schadevergoeding van € 1.360,07 daarom toewijzen.
4.15.
[eiser] vordert een schadevergoeding van € 6.500,- voor misgelopen sponsorgelden. [eiser] stelt dat diverse sponsoren zich hebben teruggetrokken door het handelen van [gedaagde]. Volgens [eiser] kwam [gedaagde] zijn afspraken niet na en heeft hij openstaande rekeningen laten ontstaan bij diverse partijen, waarvoor [eiser] later (betalings)regelingen heeft moeten treffen. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar twee verklaringen van sponsoren en de met de diverse (andere) partijen getroffen regelingen.
[gedaagde] betwist dat de sponsoren zich door zijn toedoen hebben teruggetrokken.
4.16.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] de schadepost voor de gemiste sponsorgelden onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft niet toegelicht welke sponsoren aanvankelijk een sponsorbijdrage wilden doen maar daar door [gedaagde] van hebben afgezien. Ook heeft zij niet toegelicht hoe hoog die sponsorbijdrage zou zijn en dat die sponsoren (alleen) vanwege het gedrag van [gedaagde] zijn afgehaakt. Uit de door [eiser] overgelegde stukken is het voorgaande bovendien ook niet af te leiden. Uit de verklaringen van de sponsoren volgt niet dat zij bereid waren een bijdrage te doen en dat zij daar vanwege [gedaagde] van hebben afgezien. De kantonrechter zal de gevorderde schadevergoeding daarom afwijzen.
4.17.
[eiser] vordert, na een vermindering van eis tijdens de mondelinge behandeling, een bedrag van € 3.112,40 ter zake van de Qredits lening. [eiser] voert daartoe aan dat de liquiditeitspositie van de vennootschap als gevolg van het handelen van [gedaagde] erg slecht was en dat zij daarom een lening moest afsluiten. Zij vordert daarom betaling door [gedaagde] van een deel van de lening en de volledige rente en afsluitkosten.
[gedaagde] betwist samengevat dat de slechte liquiditeitspositie van de vennootschap het gevolg was van zijn handelen. Volgens [gedaagde] was de slechte liquiditeitspositie het gevolg van tegenvallende omzetten van evenementen.
4.18.
De kantonrechter oordeelt als volgt. [eiser] stelt dat de noodzaak tot het afsluiten van de lening is gelegen in het onttrekken van gelden aan de vennootschap door [gedaagde], maar dat heeft [eiser], in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft niet toegelicht wat de liquiditeitspositie van de vennootschap was voor het afsluiten van de lening en wat de liquiditeitspositie zou zijn geweest in het (hypothetische) geval de onttrekkingen door [gedaagde] niet zouden hebben plaatsgevonden. Zij heeft ook niet inzichtelijk gemaakt dat [eiser] in dat laatste geval geen lening had hoeven afsluiten. Er kan daarom niet worden aangenomen dat de lening niet of voor een lager bedrag zou zijn afgesloten zonder het gewraakte handelen van [gedaagde]. Daar komt bij dat [eiser] ook de hoogte van de gestelde schade onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door [eiser] overgelegde kredietovereenkomst volgt dat zij een krediet van in totaal € 10.000,- op kan nemen, maar [eiser] heeft niet toegelicht hoeveel zij daadwerkelijk heeft opgenomen en hoe zij tot het door haar gevorderde bedrag is gekomen. Ook heeft zij niet toegelicht wat de omvang van de afsluitkosten en rente is en waar dat uit volgt, waardoor ook om die reden de vordering zal worden afgewezen.
4.19.
[gedaagde] stelt dat hij een tegenvordering op [eiser] heeft van € 2.839,70 die hij kan verrekenen. Volgens [gedaagde] heeft hij voor [eiser] een vliegticket en hotelkosten voorgeschoten voor een journalist die bij een evenement aanwezig was. Ter onderbouwing verwijst hij ten eerste naar een tweetal facturen voor vliegtickets en een hotelovernachting, en naar bankafschriften van twee overschrijvingen vanaf zijn bankrekening die corresponderen met die facturen. De kantonrechter is van oordeel dat de kosten die [gedaagde] heeft gemaakt voor het vliegticket en de hotelovernachting geen verrekenbare tegenvordering opleveren, omdat niet is komen vast te staan dat dit kosten betreffen die door [eiser] betaald moesten worden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegelicht dat de kosten zijn gemaakt voor een journalist die op uitnodiging van [eiser] aanwezig was bij een sportevenement en die vanuit Ibiza was overgevlogen naar Nederland en vervolgens via Lissabon is teruggevlogen naar Brazilië. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij alleen de reiskosten van en naar Ibiza zou vergoeden en dat niet met de journalist is overeengekomen dat [eiser] de (aanzienlijk duurdere) terugvlucht naar Brazilië via Lissabon en de hotelovernachting aldaar zou vergoeden. [eiser] heeft verder verklaard dat zij al in een bestuursvergadering had besloten de kosten voor de terugvlucht naar Brazilië niet te betalen, maar dat [gedaagde] desondanks de terugvlucht en het hotel geboekt en betaald heeft. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] in het licht van deze gemotiveerde betwisting onvoldoende toegelicht waarom de betreffende kosten voor rekening van [eiser] moeten komen.
4.20.
[gedaagde] verwijst daarnaast naar twee bankafschriften van overboekingen vanaf zijn bankrekening ten bedrage van € 1.000,- en € 200,-. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat hij deze bedragen van zijn eigen rekening heeft overgeboekt naar een verkeerde vennootschap, maar dat die bedragen later weer zijn overgeboekt naar [eiser] en dat het geld bestemd was om vliegtickets van te kopen. De kantonrechter overweegt dat [eiser] betwist dat die bedragen daadwerkelijk op haar rekening zijn overgeboekt en dat dit ook niet uit de overgelegde bankafschriften is af te leiden. Bovendien stelt [gedaagde] dat het geld bestemd was om vliegtickets van te kopen, terwijl hij de eerdergenoemde vliegtickets juist via de Klarna Bank betaald heeft en daarvoor afzonderlijke afschriften heeft overgelegd. Voor het geval [gedaagde] zou doelen op andere vliegtickets, heeft hij dat onvoldoende uitgelegd. De vordering van [gedaagde] is daarom onvoldoende komen vast te staan.
4.21.
Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] geen verrekenbare tegenvordering op [eiser] en zal de kantonrechter het beroep op verrekening verwerpen.
4.22.
Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk vervuld en is hem een ernstig verwijt te maken. Hij zal worden veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade van (€ 7.000,- + € 1.360,07 =) € 8.360,07. Vermeerderd het bedrag van € 6.000,- dat [gedaagde] nog moet inbrengen in de vennootschap, moet [gedaagde] een hoofdsom van in totaal € 14.360,07 aan [eiser] betalen.
4.23.
[eiser] vermeldt in randnummer 153 van de dagvaarding dat zij aanspraak maakt op wettelijke rente vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. In de door haar geformuleerde eis (het petitum) is echter geen vordering van wettelijke rente opgenomen. Er kan daarom geen wettelijke rente worden toegewezen. Ook niet als zou worden aangenomen dat het petitum kennelijk zo is bedoeld dat de wettelijke rente die tot de dag van dagvaarding is vervallen deel uitmaakt van het gevorderde bedrag van € 25.000,00. [eiser] heeft namelijk niet gesteld vanaf wanneer [gedaagde] wettelijke rente is verschuldigd en hoeveel wettelijke rente tot aan de dag van dagvaarding vervallen is.
Afwijzing buitengerechtelijke incassokosten
4.24.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.070,95. Deze vordering wordt afgewezen. Er is niet voldaan aan de vereisten uit het bepaalde in artikel 6:96 lid 6 BW. Hoewel [eiser] [gedaagde] bij brief van 29 december 2024 tot betaling binnen veertien dagen na ontvangst van de brief heeft aangemaand, kan uit de stellingen van [eiser] niet worden afgeleid dat [gedaagde] toen in verzuim verkeerde. Bovendien is het in de brief vermelde bedrag aan verschuldigde incassokosten te hoog.
Afwijzing verklaring voor recht
4.25.
[eiser] vordert ook nog een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, maar heeft niet toegelicht welk belang zij bij die vordering heeft naast de vordering tot vergoeding van de door haar geleden schade. De vordering zal daarom worden afgewezen.
4.26.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] in de volledige proceskosten. Zij voert daartoe aan dat [gedaagde] niet tot een minnelijke regeling heeft willen komen, dat hij stellingen alleen bloot heeft betwist en dat hij voorafgaand aan de procedure stukken van [eiser] doelbewust heeft verwijderd om [eiser] te schaden in haar bewijspositie.
4.27.
De kantonrechter overweegt vooropgesteld dat een partij alleen tot betaling van de volledige proceskosten kan worden veroordeeld wanneer er sprake is van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Daarvan is pas sprake als het verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan sprake zijn als de verweerder zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat die geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van dergelijk misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid, gelet op het mede door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. (Voetnoot 1)
4.28.
Van dergelijke buitengewone omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat [gedaagde] misbruik van procesrecht maakt of onrechtmatig handelt, is niet gebleken. Het door [gedaagde] gevoerde verweer heeft geleid tot afwijzing van een deel van de vorderingen van [eiser]. Voor een veroordeling van [gedaagde] in de volledige proceskosten van [eiser] is dan ook geen plaats.
4.29.
Wel is [gedaagde], als grotendeels in het ongelijk gestelde partij, een proceskostenvergoeding verschuldigd conform het liquidatietarief. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
1.504,00
- salaris gemachtigde
€
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.632,21