wonende te [woonplaats 1],2. [eiseres] ,
wonende te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser] c.s. (in mannelijk enkelvoud),
gemachtigde: mr. T.R.H. van Erp Taalman Kip,
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. F. Kolkman.
Overwegingen
5.1.
Zoals al in het tussenvonnis van 28 januari 2025 overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat de vloer niet is opgeleverd en [eiser] c.s. zijn rechten dus niet op grond van artikel 7:758 lid 3 BW is verloren. Voor de motivering van dat oordeel, verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis.
5.2.
Evenzeer is al in het tussenvonnis van 28 januari 2025 overwogen dat de kantonrechter van oordeel is dat het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking niet slaagt. Voor de motivering van dat oordeel, verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis.
5.3.
In het tussenvonnis van 28 januari 2025 is ook al overwogen dat de stelling van [eiser] c.s., dat de voegbreedte/uitlijning van de tegels teveel varieert, onvoldoende is onderbouwd. Ook voor deze motivering verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis.
5.4.
De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagde] op dit gebied niet is tekortgeschoten.
5.5.
Tussen partijen is in geschil welke norm moet worden gehanteerd bij de beoordeling van de hoogteverschillen tussen de tegels. [eiser] c.s. stelt dat de hoogteverschillen tussen de tegels niet aan de NEN 2747-norm voldoen en [gedaagde] verwijst naar URL 35-101.
5.6.
In het rapport van De Bouwexpert staat dat NEN 2747 niet geschikt is als beoordelingskader, omdat tegelwerk niet onder het toepassingsgebied valt. De beoordeling moet volgens De Bouwexpert plaatsvinden op basis van algemene technische maatstaven, visuele inspectie en het beginsel van goed en deugdelijk werk, waarbij URL 35-101 als referentiekader kan dienen. In het rapport van Technoconsult staat bovendien dat (naast de toepasselijkheid van NEN 2747) URL 35-101 kan worden gezien als stand van de techniek. In de reactie op het rapport van Technoconsult schrijft Jabjo ook vanuit URL 35-101 te werken.
5.7.
De kantonrechter overweegt dat alle deskundigen het erover eens zijn dat URL 35-101 als referentiekader kan dienen om te beoordelen of de gelegde tegelvloer voldoet aan hetgeen een consument (in dit geval: [eiser] c.s.) mocht verwachten. De kantonrechter volgt bovendien De Bouwexpert, dat de NEN 2747 daartoe niet geschikt is. Weliswaar heeft [gedaagde] ook de ondervloer geëgaliseerd, maar het gaat er uiteindelijk om dat [eiser] c.s. een tegelvloer heeft die qua vlakheid voldoet aan hetgeen hij mocht verwachten. Dit is te beoordelen met URL 35-101 als referentiekader.
5.8.
[eiser] c.s. voert nog aan dat URL 35-101 pas op 13 april 2018 is vastgesteld, dus nadat de vloer is gelegd en dat in de vorige URL-versie NEN 2747 de norm voor de ondervloer was.
5.9.
De kantonrechter gaat aan deze stelling voorbij. Niet gebleken is dat partijen (formeel) gebonden zijn aan URL 35-101. URL 35-101 geeft alleen de stand van de techniek in die periode weer en dient alleen als referentiekader van wat een consument in die periode van een tegelvloer mocht verwachten. Bovendien zijn de eisen aan de vlakheid van de ondergrond niet gewijzigd ten opzichte van de URL-versie van daarvoor. Ook in het rapport van De Bouwexpert staat dat ten aanzien van maattoleranties en toegestane maatafwijkingen in URL 35-101 uit 2018 geen wijzigingen zijn doorgevoerd die zouden leiden tot een andere beoordeling of uitkomst van het onderzoek ten opzichte van de versie uit 2015.
[eiser] c.s. heeft onvoldoende onderbouwd dat de uitkomst toch anders zou zijn geweest als een eerdere versie van URL 35-101 zou zijn toegepast. Dat NEN 2747 in de eerdere URL-versie wel als norm wordt gehanteerd – zoals [eiser] c.s. stelt – leest de kantonrechter niet in de eerdere versie van URL 35-101 terug.
5.10.
De kantonrechter heeft De Bouwexpert als deskundige benoemd, omdat Jabjo en Technoconsult tot andere conclusies kwamen ten aanzien van de door [gedaagde] gelegde tegelvloer; volgens Jabjo voldoet de vloer aan de daaraan gestelde eisen, terwijl Technoconsult concludeert dat de vlakheid van de vloer buiten de normen valt.
5.11.
De kantonrechter volgt de conclusie van De Bouwexpert dat de vloer in overwegende mate voldoet aan wat een consument redelijkerwijs mag verwachten, en dat de twee geconstateerde hoogteverschillen– die de normen maximaal 1,6 mm overschrijden – niet duiden op ondeugdelijk werk. Volgens het rapport van De Bouwexpert zijn de afwijkingen visueel niet waarneembaar en tijdens normaal gebruik nergens voelbaar. Bij de afwijking die wel visueel zichtbaar was (bij het raamkozijn ter plaatse van de voorgevel) is geen normoverschrijding geconstateerd. Volgens De Bouwexpert is afkeuring op grond van URL 35-101 binnen de branche niet proportioneel. De kantonrechter deelt dat oordeel.
5.12.
[eiser] c.s. brengt naar voren dat De Bouwexpert een meting van 3,4 naar 3 mm en een meting van 4,5 naar 4 mm heeft afgerond, waardoor die metingen door De Bouwexpert als binnen de norm van 3 c.q. 4 mm worden beoordeeld. De door [eiser] c.s. gestelde afronding van 4,5 naar 4 mm ziet de kantonrechter echter niet terug in de meetresultaten.
Ten aanzien van de afronding met 0,4 mm overweegt de kantonrechter dat dit kennelijk voor De Bouwexpert geen reden was om haar eindoordeel over de deugdelijkheid van de vloer te wijzigen. Ook de kantonrechter acht deze mogelijke ‘extra’ overschrijding van 0,4 mm geen reden om anders te oordelen dan hiervoor. De vloer voldoet – op enkele kleine hoogteverschillen na – aan wat [eiser] c.s. van de vloer mocht verwachten.
5.13.
Daarnaast brengt [eiser] c.s. naar voren dat De Bouwexpert niet de maximale afwijking heeft opgezocht. De kantonrechter gaat aan dat verweer voorbij, aangezien uit het rapport blijkt dat [eiser] c.s. de gelegenheid heeft gehad plekken aan te wijzen om te meten.
5.14.
Bovendien stelt [eiser] c.s. dat tijdens de schouw een hoogteverschil van 14 en 18 mm is gemeten, maar dat dit niet in (de meetresultaten van) het deskundigenrapport is opgenomen. [eiser] c.s. heeft echter niet onderbouwd op welke locatie die hoogteverschillen zouden zijn gemeten, en of die op de manier zijn gemeten conform de juiste beoordelingsmethodiek. De kantonrechter oordeelt dan ook dat [eiser] hiertoe onvoldoende (onderbouwd) heeft gesteld.
5.15.
De Bouwexpert heeft daarnaast voldoende toegelicht waarom op grotere afstonden meten in dit geval niet noodzakelijk was; onder meer omdat de toegepaste meetmethode (2-meter rei) conform URL 35-101 is en geen visueel storende of functioneel hinderlijke afwijkingen waren geconstateerd.
5.16.
De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat [gedaagde] op dit vlak niet tekort is geschoten.
5.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een lichtere voegkleur dan overeengekomen. Zij verschillen alleen van mening over de oorzaak van het kleurverschil.
5.18.
De kantonrechter acht het meest aannemelijk dat de voegen lichter zijn geworden dan overeengekomen, doordat de vloer te snel na het leggen/voegen door [eiser] c.s. is afgedekt. Alle deskundigen constateren dat dit een oorzaak zou kunnen zijn voor het lichter uitvallen van de voegkleur.
5.19.
In het rapport van Jabjo lijkt te staan dat door het te laat reinigen van de vloer, het zou kunnen dat er cementsluier in de voegen terecht is gekomen en dat de voegen ook daardoor lichter kunnen zijn geworden. De kantonrechter volgt echter De Bouwexpert dat het niet aannemelijk is dat cementsluier in de voegen terecht is gekomen, onder meer omdat De Bouwexpert op basis van de foto’s uit 2018 concludeert dat sprake was van een cementsluiervrije oplevering en de cementsluier bovendien dezelfde pigmentering als de voegen had. De kantonrechter acht het daarom niet aannemelijk dat de voeg lichter is geworden door het te laat reinigen.
5.20.
Volgens De Bouwexpert zouden latere verkleuringen wel nog toegerekend kunnen worden aan herhaald gebruik van groene zeep. In dit geval gaat het echter niet om de verkleuringen die later zijn ontstaan en na herhaaldelijk gebruik van groene zeep, maar over het lichter zijn van de voegen, vlak nadat de vloer door [gedaagde] was gelegd. [eiser] c.s. stelt – en zoals ook in een opmerking van [eiser] c.s. in het deskundigenrapport van De Bouwexpert staat – dat hij de groene zeep slechts enkele keren heeft gebruik, en pas nadat de klachten (op 4 april 2024) gemeld zijn. Bovendien staat in het rapport van De Bouwexpert dat bij (herhaald) gebruik van groene zeep de voegen een grauwe of gelige tint kunnen krijgen; in het onderhavige geval gaat het echter over het lichter worden van de voegen. Bovendien stelt [eiser] c.s. dat de voegen nog altijd lichter zijn van kleur en constateert De Bouwexpert dat het niet aannemelijk is dat gebruik van groene zeep in 2018 thans nog steeds verkleuring veroorzaakt. De kantonrechter gaat dan ook aan het verweer van [gedaagde] – dat de vloer door [eiser] c.s. met groene zeep is gereinigd en dat de oorzaak is van de lichtere voeg – voorbij.
5.21.
Aangezien het meest aannemelijk is dat de lichtere kleur van de voegen is veroorzaakt door het te vroeg afdekken van de vloer, is het vervolgens de vraag voor wiens rekening dit dan behoort te komen.
5.22.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] op de dag dat hij klaar was met het voegen van de tegels tegen [eiser] c.s. heeft gezegd dat hij de vloer niet mocht afdekken; dit heeft [eiser] c.s. ter zitting erkent. [eiser] c.s. stelt daarbij echter dat de maandag erna een door [gedaagde] ingeschakelde tegelzetter tegen [eiser] c.s. had gezegd dat de vloer nu wel afgedekt mocht worden. Dit wordt door [gedaagde] betwist; dit zou een tegelzetter volgens hem nooit zeggen.
5.23.
Aangezien [eiser] c.s. zich beroept op de gevolgen van hetgeen de ingeschakelde tegelzetter zou hebben gezegd, is het aan [eiser] c.s. om hiertoe voldoende (onderbouwd) te stellen. De kantonrechter acht de stelling van [eiser] c.s. – mede gezien de betwisting van [gedaagde] – echter onvoldoende onderbouwd. Het is het woord van [eiser] c.s. tegen het woord van [gedaagde]. [eiser] c.s. heeft niet gesteld dat er iemand anders dan hij en de tegelzetter bij waren toen de tegelzetter dat zei, en de kantonrechter heeft begrepen dat de tegelzetter inmiddels is overleden. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen.
5.24.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat het te vroeg afdekken voor rekening van [eiser] c.s. komt. De gevorderde schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.
5.25.
Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat [gedaagde] niet tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [eiser] c.s., zodat de door [eiser] c.s. gevorderde schadevergoeding moet worden afgewezen. Voor een aanvullende rapportage van de deskundige bestaat geen noodzaak.
5.26.
Aangezien de gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen, worden ook de nevenvorderingen (wettelijke rente, kosten voor opslagruimte/verhuisbedrijf, expertisekosten en buitengerechtelijke incassokosten) afgewezen.
5.27.
[eiser] c.s. heeft het voorschot voor De Bouwexpert betaald. Aangezien [eiser] c.s. in het ongelijk wordt gesteld, blijven ook deze kosten voor rekening van [eiser] c.s.
5.28.
[eiser] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
138,89
- griffierecht
€
706,00
- salaris gemachtigde
€
1.731,00
(3 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.719,89
5.29.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.