Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig
ECLI:NL:RBOVE:2026:826
Op 10 February 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 12042804 \ CV EXPL 26-1, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:826. De plaats van zitting was Almelo.
Indicatie
Rolbeslissing. Eisende partij niet ontvankelijk i.v.m. niet voldoen aan bevel omvang dagvaarding terug te brengen naar 30 pagina’s. Processtuk geweigerd.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer : 12042804 \ CV EXPL 26-1
Vonnis van 10 februari 2026
[eiser]
,wonende te [woonplaats 1],
eisende partij, hierna te noemen [eiser],
gemachtigde: mr. N. Boerman-Bove, Juridico
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij, hierna te noemen Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Overwegingen
1.1.
Op 30 juli 2025 heeft [eiser] samen met [naam], wonende te [woonplaats 2], Dexia gedagvaard voor de zitting van 12 augustus 2025. Dexia heeft hierop een splitsingsverzoek gedaan waarop [eiser] (en [naam]) hebben gereageerd.
1.2.
Bij rolbeslissing van 2 december 2025 heeft de kantonrechter de procedure van [eiser] en [naam] gesplitst in twee afzonderlijke procedures en daarnaast is een bevel gegeven om de inleidende dagvaarding met een omvang van 161 pagina’s exclusief producties te vervangen door een processtuk met een maximale omvang van 30 pagina’s.
Het vervangende processtuk moest op de rol van 6 januari 2026 worden ingediend en betekend worden aan de wederpartij, Dexia.
1.3.
Bij e-mail van 5 januari 2026 hebben [eiser] en [naam] aangegeven de rolbeslissing van 2 december 2025 pas daags voor de kerstdagen te hebben ontvangen, en zij verzoeken kort samengevat, om de ingediende dagvaarding alsnog te accepteren. Het is volgens hen onmogelijk om de dagvaarding terug te brengen naar 30 pagina’s. Als er toch een vervangend processtuk opgesteld moet worden dan wensen zij daarvoor uitstel van vier weken.
1.4.
Bij rolbeslissing van 6 januari 2025 is geoordeeld dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om terug te komen op het bevel het inleidende processtuk te vervangen door een processtuk met een maximale omvang van 30 pagina’s en daarbij is aangegeven dat in deze zaak in beginsel wordt doorgeprocedeerd met repliek en dupliek, zoals in deze zaken gebruikelijk is. Het gevraagde uitstel van vier weken is gelet op de omstandigheden verleend, tot de rol van 3 februari 2026, waarna Dexia in staat wordt gesteld te concluderen voor antwoord.
1.5.
Bij e-mail van 3 februari 2026 heeft (de gemachtigde van) [eiser] een vervangend processtuk toegestuurd. De originele dagvaarding van 161 pagina’s is daarbij als productie 35 meegestuurd en in het vervangende processtuk is verwezen naar de originele dagvaarding met de opmerking dat de originele dagvaarding als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd in het vervangende processtuk.
1.6.
De kantonrechter constateert dat het vervangende processtuk niet voldoet aan het bevel gegeven in de rolbeslissing van 2 december 2025 ten aanzien van de gestelde maximale omvang van 30 pagina’s (de omvang van het vervangende processtuk is 89 pagina’s) en het vervangende processtuk is overigens ook niet betekend aan Dexia.
1.7.
De Hoge Raad heeft op 3 juni 2022 onder meer overwogen dat uit de bevoegdheid van de rechter om grenzen te stellen aan de omvang van processtukken voortvloeit dat de rechter bevoegd is om stukken die de gestelde omvang overschrijden te weigeren. Aan de weigering van het te omvangrijke stuk en het vervolgens uitblijven van een stuk dat wel aan de limiet voldoet kan de consequentie verbonden zijn dat het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten overeenkomstig art. 133 lid 4 Rv. (Hoge Raad 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:824). De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval het uitblijven van het vervangende processtuk dat wel aan de limiet voldoet leidt tot verval van het recht om de betreffende proceshandeling te verrichten en dat [eiser] daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing
De kantonrechter
2.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk.
Deze rolbeslissing is gegeven door mr. P.L. Alers, rechter-plaatsvervanger, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.