Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig
ECLI:NL:RBOVE:2026:879
Op 17 February 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 11925460 \ CV EXPL 25-3258, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:879. De plaats van zitting was Zwolle.
Indicatie
De rechtbank veroordeelt een man om een bedrag aan de gemeente te voldoen vanwege schade verricht aan een parkeergarage door het voertuig van gedaagde.
Uitspraak
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11925460 \ CV EXPL 25-3258
Vonnis van 17 februari 2026
GEMEENTE HARDENBERG,
te Hardenberg,
eisende partij,
hierna te noemen: Gemeente Hardenberg,
gemachtigde: GGN Mastering Credit N.V.,
[gedaagde]
,
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek.
1.2.
[gedaagde] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.1.
Op 29 juni 2023 is schade ontstaan door het voertuig van [gedaagde], een Renault Master met kenteken [kenteken], aan het toegangsportaal van de parkeergarage aan de Gedempte Haven te Hardenberg. De toegebrachte schade bedraagt € 6.750,00 exclusief btw. De schade is veroorzaakt door de schuld en het onrechtmatige handelen van de bestuurder van de Renault. Ten tijde van de gebeurtenis stond de Renault op naam van [gedaagde].
2.2.
Gemeente Hardenberg vordert - samengevat – om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 6.750,00 ter vergoeding van de schade, te vermeerderen met rente en de buitengerechtelijke incassokosten van € 862,13 inclusief btw.
2.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist niet dat de door de gemeente geleden schade vergoed moet worden. Dit is een verzekeringskwestie. Wel stelt hij dat deze schade is veroorzaakt door zijn ex-vrouw en niet door hemzelf. Daarnaast voert hij aan dat hij voor het eerst op 11 september 2025 kennis heeft genomen van het feit dat hij voor deze schade aansprakelijk werd gesteld. Verder stelt [gedaagde] dat eerdere aanmaningen aan een onjuist adres zijn verzonden en hem derhalve niet bereikt hebben. Hierdoor is hij niet tijdig op de hoogte geraakt van de vordering en is hij onnodig geconfronteerd met aanvullende (proces)kosten. Hij wijst er daarbij op dat hij pas negentien dagen na het moment waarop hij bekend werd met de vordering is gedagvaard, hetgeen hij als een zeer korte termijn beschouwt. Ten slotte voert [gedaagde] aan dat hij herhaaldelijk contact heeft gezocht met GGN om de kwestie te bespreken, maar dat deze pogingen zonder reactie zijn gebleven.
2.4.
Bij conclusie van repliek heeft de Gemeente Hardenberg op het verweer van [gedaagde] gereageerd. Dat gedaagde niet zelf, maar zijn ex-vrouw de schade heeft veroorzaakt, maakt niet dat hij niet aansprakelijk is. Op grond van artikel 185 lid 2 van de Wegenverkeerswet is de eigenaar of houder die het motorvoertuig niet zelf bestuurt, aansprakelijk voor de gedragingen van degene door wie hij dat motorrijtuig doet of laat rijden. [gedaagde] geeft aan dat hij op de hoogte was van de schade die veroorzaakt was op 29 juni 2023. Dat hij pas met de brief van 11 september 2025 beseft dat hij daarvoor aansprakelijk is, doet daar volgens de Gemeente Hardenberg niet aan af. Daarnaast voert de Gemeente Hardenberg aan, dat [gedaagde] telkens is aangeschreven op het adres waar hij op dat moment ingeschreven was, of daar waar op dat moment zijn bedrijf gevestigd was, zo blijkt ook uit de gegevens van de Basisregistratie Personen (BRP).
2.5.
[gedaagde] heeft hierop niet meer gereageerd.
2.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Overwegingen
3.1.
Omdat [gedaagde] heeft erkend dat het schadebedrag vergoed moet worden en hij aangeeft dit bij de verzekering te hebben ingediend, zal de kantonrechter het gevorderde bedrag van € 6.750,00 toewijzen.
3.2.
Het enkele feit dat [gedaagde] de omvang van de daadwerkelijk toegebrachte schade wenst te verifiëren en in dat kader heeft verzocht om verstrekking van camerabeelden, doet aan het voorgaande niet af. Vaststaat dat [gedaagde] reeds in juni 2023 bekend was met het bestaan van de schade, welke schade inmiddels is hersteld. Onder deze omstandigheden ziet de kantonrechter geen aanleiding om aan te nemen dat de door de Gemeente Hardenberg opgevoerde schadepost onjuist of onvoldoende onderbouwd is. De kantonrechter gaat derhalve uit van de factuur van 9 oktober 2024, zoals deze door de Gemeente Hardenberg in het geding is gebracht.
3.3.
[gedaagde] stelt dat hij pas op 11 september 2025 heeft vernomen dat de Gemeente Hardenberg hem aansprakelijk hield voor de ontstane schade en dat hij nu wordt opgezadeld met extra kosten. De kantonrechter acht deze stelling niet overtuigend. Uit de stukken blijkt dat de gemeente [gedaagde] meerdere malen heeft aangeschreven op het adres waar hij op dat moment stond ingeschreven, dan wel op het adres waar zijn onderneming was gevestigd. Het is de eigen verantwoordelijkheid van [gedaagde] dat zijn adresgegevens in de BRP juist en actueel zijn, zodat correspondentie hem ook daadwerkelijk kan bereiken.
3.4.
Bovendien staat vast dat [gedaagde] al in juni 2023 bekend was met het bestaan van de schade. Het had dan ook voor de hand gelegen dat hij zelf contact had opgenomen met de gemeente en/of zijn verzekeraar om de schade af te handelen. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] pas op 11 september 2025 op de hoogte is geraakt van de aansprakelijkstelling.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
3.5.
Gemeente Hardenberg vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Gemeente Hardenberg heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 862,13 inclusief btw worden toegewezen.
3.6.
De gevorderde wettelijke rente van € 134,26 (tot 1 oktober 2025) zal worden toegewezen. De verdere wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen vanaf datum dagvaarding tot de dag van volledige betaling.
3.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Hardenberg worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
135,00
Totaal
€
1.544,14
Beslissing
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Gemeente Hardenberg te betalen een bedrag van € 6.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Gemeente Hardenberg te betalen een bedrag van € 862,13 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.544,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026. (jb)