Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:RBOVE:2026:880

Op 17 February 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 11801449 \ CV EXPL 25-2178, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:880. De plaats van zitting was Zwolle.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
11801449 \ CV EXPL 25-2178
Datum uitspraak:
17 February 2026
Datum publicatie:
20 February 2026

Indicatie

Tussen eiser en Stichting Volkshuis Deventer is in geschil over de vraag of tussen hen een overeenkomst is tot stand gekomen met betrekking tot de aankoop van pin- en kassarollen, dan wel of sprake is van wilsgebreken die vernietiging van de overeenkomst zouden rechtvaardigen. De rechtbank overweegt dat er geen geldige overeenkomst tot stand is gekomen, omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake was van een geldige vertegenwoordiging van Stichting Volkshuis Deventer of dat daarop gerechtvaardigd vertrouwen bestond. De vorderingen van eiser worden daarom afgewezen. Tevens wordt eiser veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op nihil.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 11801449 \ CV EXPL 25-2178

Vonnis van 17 februari 2026

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[eiser] ,

te [vestigingsplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: IP Nederland Incasso & Juristen,

tegen

STICHTING VOLKSHUIS DEVENTER,

te Deventer,

gedaagde partij,

hierna te noemen: ‘Stichting Volkshuis Deventer’ of ‘de stichting’,

procederend in persoon.

1
De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord en het aanvullend antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2
In het kort

Tussen [eiser] en Stichting Volkshuis Deventer is in geschil over de vraag of tussen hen een overeenkomst is tot stand gekomen met betrekking tot de aankoop van pin- en kassarollen, dan wel of sprake is van wilsgebreken die vernietiging van de overeenkomst zouden rechtvaardigen. De rechtbank overweegt dat er geen geldige overeenkomst tot stand is gekomen, omdat [eiser] onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake was van een geldige vertegenwoordiging van Stichting Volkshuis Deventer of dat daarop gerechtvaardigd vertrouwen bestond. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Tevens wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op nihil.

3
De feiten
3.1.

Op 12 mei heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en een medewerker van Stichting Volkshuis Deventer, waarvan het volgende in een transcriptie is vastgelegd:

“00:00:01 Spreker 1

Goedemorgen, Fox Deventer met [naam 1].

00:00:04 Spreker 2

Goedemorgen met [naam 2].

00:00:07 Spreker 1

[naam 3] dag [naam 4] één momentje.

00:00:09 Spreker 1

Is goed.

00:00:11 Spreker 2

Ja ik bel even voor pincasso rollen met de vraag hoeveel jullie nog op voorraad hadden.

00:00:17 Spreker 1

Wat zei je? Sorry?

00:00:18 Spreker 2

Voor de pin rollen en de kassa rollen oké, hoeveel jullie nog hadden liggen?

00:00:24 Spreker 1

Ik ga even kijken is goed?

00:00:35 Spreker 1

We hebben er nog 3 ongeveer liggen rolletjes nog 3 2 van de kleine en een voor de grotere.

00:00:45 Spreker 2

Oh, dan hebben we het over de rolletjes.

00:00:47 Spreker 2

Ja, ja zullen we die dan vast bijvullen? Want Dat is Natuurlijk niet heel veel.

00:00:53 Spreker 1

Oh wacht.

00:00:55 Spreker 1

Hebben nog.

00:00:57 Spreker 1

Het is niet zo, Maar we hebben nog.

00:01:01 Spreker 1

Hoeveel van nog een heel pak van grotere?

00:01:06 Spreker 1

Van de kleine, het pinautomaat.

00:01:10 Spreker 1

Willen we wel graag nieuwe rolletjes?

00:01:14 Spreker 2

Ja en dan gewoon 3 doosjes.

00:01:17 Spreker 1

Ja eigenlijk wat we normaal hebben.

00:01:20 Spreker 2

Ja eigenlijk besteld Iedereen altijd gelijk 3 of.

00:01:22 Spreker 1

3 nou dan is dat prima. Ja sorry, Ik heb dit nog nooit gedaan dus.

00:01:27 Spreker 2

Bent u er wel voor bevoegd?

00:01:30 Spreker 1

Ja zeker wel, ja, ja, Ik ben wel begeleiding.

00:01:33 Spreker 2

OK super.

00:01:34 Spreker 2

Ja en, wat was uw naam ook alweer? Sorry.

00:01:36 Spreker 1

Uh [naam 1], [naam 1]

00:01 :41 Spreker 2

Yup even kijken, dan doen we gewoon lekker 3 om 3 zoals altijd en dan.

00:01:45 Spreker 1

Ja.

00:01:45 Spreker 1

Helemaal.

00:01:46 Spreker 2

Vullen we ze gewoon lekker aan en ze bent één of twee werkdagen.

00:01:49 Spreker 2

Oké, helemaal goed.

00:01:51 Spreker 2

Oké super werk ze nog.

00:01:53 Spreker 1

Ja bedankt hetzelfde, bedankt Doeg dag.”

3.2.

Naar aanleiding van het telefonische gesprek zijn door Mol Pacakaging drie dozen pinrollen (57x40x12) en drie dozen kassarollen (80x80x12) aan Stichting Volkshuis Deventer geleverd.

3.3.

Op 19 maart 2025 heeft [eiser] een factuur voor de pin- en kassarollen aan Stichting Volkshuis Deventer gestuurd.

3.4.

Vervolgens heeft Stichting Volkshuis Deventer op 19 maart 2025 en 20 maart 2025 e-mailberichten aan [eiser] gezonden, waarin zij meedeelt de rollen te willen retourneren en vraagt op welke wijze dit kan gebeuren.

3.5.

Nadat betaling uitbleef, heeft [eiser] op 30 maart 2025 een betalingsherinnering aan Stichting Volkshuis Deventer gestuurd.

3.6.

Hierop heeft Stichting Volkshuis Deventer op 31 maart 2025 opnieuw een e-mailbericht aan [eiser] gestuurd, waarin zij bevestigt dat zij de levering willen retourneren en daarom de factuur niet zullen voldoen.

3.7.

Op 1, 8 en 15 mei 2025 heeft [eiser] Stichting Volkshuis Deventer vervolgens nogmaals gesommeerd om tot betaling over te gaan.

3.8.

In reactie hierop heeft Stichting Volkshuis Deventer op 14 en 15 mei 2025 per e-mail aan [eiser] haar bezwaren tegen de incasso kenbaar gemaakt. Op 19 mei 2025 heeft [eiser] hierop gereageerd, waarbij de transcriptie van het eerder gevoerde gesprek is bijgevoegd en is aangegeven dat [eiser] de vordering handhaaft.

3.9.

Stichting Volkshuis Deventer heeft de factuur van [eiser] vervolgens niet voldaan.

4
Het geschil
4.1.

[eiser] vordert – samengevat – om Stichting Volkshuis Deventer bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen:

een bedrag van € 372,46, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 308,00 vanaf 3 juli 2025, alsmede

de proceskosten, waaronder een bedrag voor het gemachtigdensalaris.

4.2.

[eiser] legt hieraan ten grondslag dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten, op grond waarvan Stichting Volkshuis Deventer gehouden is tot betaling van de factuur. Voor zover Stichting Volkshuis Deventer zich erop beroept dat zij niet werd vertegenwoordigd door een bevoegd persoon, stelt [eiser] dat zij erop mocht vertrouwen dat zij met een daartoe bevoegd persoon sprak. In ieder geval is door een verklaring of het gedrag van de medewerker van Stichting Volkshuis Deventer de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gewekt. Naar aanleiding hiervan is volgens [eiser] een rechtsgeldige overeenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan de vordering dient te worden voldaan.

4.3.

Stichting Volkshuis Deventer voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

4.4.

Stichting Volkshuis Deventer betwist dat sprake is van een geldige overeenkomst omdat de medewerker die de aankoop verrichte niet bevoegd was en er bij haar geen wil tot sluiten van de overeenkomst bestond. Zij voert daarnaast aan dat, voor zover van een overeenkomst sprake is, de overeenkomst onder invloed van dwaling of misleiding tot stand is gekomen, dat [eiser] zich bediende van misleidende handelspraktijken en de wettelijke informatieplicht niet zou zijn nageleefd. Bovendien heeft Stichting Volkshuis Deventer de overeenkomst binnen de bedenktijd proberen te herroepen, aldus de stichting.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

Overwegingen

5
De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

5.1.

De vordering van [eiser] heeft een internationaal karakter, omdat [eiser] in Zwitserland gevestigd is. Daarom moet de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is om de vordering te beoordelen. De kantonrechter beantwoordt die vraag op grond van artikel 2 lid 1 in verbinding met artikel 60 van het in deze zaak toepasselijke Verdrag van Lugano (Voetnoot 1) bevestigend, omdat Stichting Volkshuis Nederland in Nederland gevestigd is.

5.2.

Verder moet beoordeeld worden welk recht van toepassing is. [eiser] heeft haar vordering gebaseerd op een met Stichting Volkshuis Deventer gesloten overeenkomst. Op grond van artikel 3 Rome I-Verordening (Voetnoot 2) wordt een overeenkomst beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. [eiser] heeft haar vordering gebaseerd op Nederlands recht en in haar algemene voorwaarden bepaald dat Nederlands recht van toepassing is. Tegen deze gestelde rechtskeuze heeft Stichting Volkshuis Deventer geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat partijen (impliciet) een rechtskeuze voor Nederlands recht hebben gemaakt. Daarom is Nederlands recht van toepassing.

5.3.

Voor zover het bestaan of de geldigheid van de overeenkomst wordt betwist, geldt op grond van artikel 10 Rome I-Verordening dat deze vragen eveneens worden beheerst door het recht dat krachtens de verordening op de overeenkomst van toepassing zou zijn. Ook in dat verband is derhalve Nederlands recht van toepassing.

Geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid

5.4.

[eiser] baseert haar vordering op een tussen haar en Stichting Volkshuis Deventer gesloten overeenkomst. Partijen twisten echter over de vraag of tussen partijen een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen. In dat kader heeft Stichting Volkshuis Deventer allereerst betoogd dat de persoon die de bestelling heeft aangenomen, niet bevoegd was om een overeenkomst te sluiten. [eiser] stelt daartegenover dat zij erop mocht vertrouwen te hebben gesproken met een bevoegd persoon, nu daar door haar uitdrukkelijk naar is gevraagd.

5.5.

De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eiser] aldus dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat degene die zij namens Stichting Volkshuis Deventer heeft gesproken een volmacht had om namens Stichting Volkshuis Deventer koopovereenkomsten te mogen sluiten, zodat tussen haar en Stichting Volkshuis Deventer een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Hiermee doet [eiser] een beroep op het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel luidt:

“Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.”

5.6.

Concreet betekent dit dat de achterman de schijn moet hebben gewekt dat een toereikende volmacht is verleend. In dat kader geldt dat grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op het ontbreken van een volmacht geen beroep kan worden gedaan als de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op grond van feiten en omstandigheden die voor risico komen van de vertegenwoordigde en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Dit risicobeginsel gaat echter niet zo ver, dat er ook ruimte voor is wanneer het gewekte vertrouwen uitsluitend is gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de onbevoegde persoon zelf. De rechter moet mede feiten of omstandigheden vaststellen die de vertegenwoordigde betreffen en die rechtvaardigen dat deze, in zijn verhouding tot de wederpartij, het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt. (Voetnoot 3)

5.7.

De kantonrechter stelt vast dat [eiser] geen vertrouwen scheppende feiten en omstandigheden heeft gesteld die voor risico van Stichting Volkshuis Deventer komen waaruit vertegenwoordigingsbevoegdheid van de medewerker kan worden afgeleid.

Evenmin baat de stelling van [eiser] dat de werknemer de indruk heeft gewekt tijdens het telefoongesprek bevoegd te zijn de aankoop te verrichten. Immers, het gaat er bij bescherming tegen vertegenwoordigingsonbevoegdheid niet om of de pseudogevolmachtigde verklaart dat hij een volmacht heeft. Het gaat er juist om dat de achterman (in dit geval Stichting Volkshuis Deventer) de schijn heeft gewekt dat zij een volmacht heeft verleend. [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat Stichting Volkshuis Deventer deze schijn heeft gewekt, bijvoorbeeld door te stellen dat Stichting Volkshuis Deventer in het verleden wel facturen heeft betaald voor bestellingen die zijn gedaan door haar werknemers. Ook overigens blijkt uit het dossier niet van voor risico van de stichting komende feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat Stichting Volkshuis Deventer met betrekking tot de onderhavige aankoop de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft gewekt. Nu [eiser] niet gerechtvaardigd op een volmacht mocht vertrouwen, faalt haar beroep op artikel 3:61 lid 2 BW. Gevolg hiervan is dat de medewerker van Stichting Volkshuis Deventer de stichting niet rechtsgeldig heeft kunnen binden, zodat tussen partijen geen rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen.

5.8.

[eiser] heeft evenmin feiten en omstandigheden gesteld die tot toewijzing van haar vorderingen op een andere grondslag kunnen leiden, zodat haar vorderingen zullen worden afgewezen.

Proceskosten

5.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Volkshuis Deventer worden begroot op nihil, omdat zij zich niet door een professionele juridische dienstverlener heeft laten vertegenwoordigen. Evenmin heeft een comparitie plaatsgevonden, zodat Stichting Volkshuis Deventer ook geen aanspraak kan maken op reis- en verletkosten.

Beslissing

6
De beslissing

De kantonrechter

6.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

6.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Stichting Volkshuis Deventer, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 30 oktober 2007, PbEU 2007, L 339/3.

Voetnoot 2

Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).

Voetnoot 3

HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142, NJ 2017/78 ([naam 5]/[naam 6]).