Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOVE:2026:1288

Op 12 March 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 84.270248.21, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:1288. De plaats van zitting was Zwolle.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
84.270248.21
Datum uitspraak:
12 March 2026
Datum publicatie:
12 March 2026

Indicatie

Terzake gewoontewitwassen stelt de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 690.340,--. Eenvoudige kastopstelling. In verband met overschrijding van de redelijke termijn legt de rechtbank de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 685.000,-- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84.270248.21

Datum vonnis: 12 maart 2026

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] ,

volgens eigen opgave wonende in [woonplaats]

1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat op een bedrag van € 782.535,-- en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 777.535,--.

2
De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 7 november 2024, 7 juli 2025 en 12 februari 2026. Het onderzoek ter terechtzitting is formeel gesloten op 12 maart 2026, waarna aansluitend uitspraak is gedaan. De veroordeelde (verder ook te noemen [veroordeelde] ), bijgestaan door zijn raadsman mr. G.N. Weski, advocaat in Rotterdam, is op de terechtzitting van 12 februari 2026 verschenen en op de vordering gehoord. Op die terechtzitting van 12 februari 2026 heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.

3
De standpunten van partijen
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aan haar vordering - kort samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. De officier van justitie heeft haar vordering gebaseerd op het dossier van de FIOD (met nummer 65368 en de naam [medeveroordeelde] ) en het rapport inzake berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, gedateerd 14 juli 2022. De FIOD heeft in de eenvoudige kasopstelling berekend dat [veroordeelde] in de onderzoeksperiode (1 januari 2017 tot en met 1 januari 2021) € 782.535,-- meer contant geld heeft uitgegeven dan op basis van legale contante inkomsten, mogelijk was. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn heeft de officier van justitie opgemerkt dat een korting van € 5.000,-- kan worden toegepast en dat zodoende de betalingsverplichting aan de Staat kan worden vastgesteld op € 777.535,--.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat geen sprake is geweest van witwassen en dus ook niet van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. Ten aanzien van het contante geldbedrag van € 50.000,-- dat is aangetroffen in de kluis op naam van [naam 1] (post 3 in de kasopstelling) is geen betrokkenheid van [veroordeelde] aangetoond. Dit bedrag kan dus niet als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt.

Overwegingen

4
De beoordeling van de vordering
4.1

Veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 12 maart 2026 (onder meer) veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen van geld, gepleegd in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021 (feit 1).

4.2

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Uit artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) volgt dat het Openbaar Ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan indienen tegen degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit.

Op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan een ontnemingsmaatregel worden opgelegd met betrekking tot het voordeel dat door de betrokkene is verkregen “door middel van of uit de baten van” het in de hoofdzaak bewezen verklaarde feit of een ander strafbaar feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat dit door de veroordeelde is begaan.

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan verder plaatsvinden op grond van artikel 36e lid 3 Sr, als – kort gezegd – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de veroordeelde zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de veroordeelde uit die andere strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Zoals volgt uit het vonnis van 12 maart 2026 is onbekend gebleven uit welk gronddelict het geld afkomstig is, waarvan bewezen is verklaard dat veroordeelde dat heeft witgewassen. Op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen voor feit 1 zijn vervat (zoals weergeven in het vonnis in de strafzaak van 12 maart 2026) is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit ‘andere strafbare feiten’, zoals bedoeld in voornoemd artikel 36e lid 3 Sr.

Voor de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank acht geslagen op de zogenoemde eenvoudige kasopstelling zoals die door de FIOD is opgesteld. De FIOD heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel in haar rapport van 14 juli 2022 berekend op € 782.535,--. Daarbij is uitgegaan van de volgende posten:

[[afbeelding]]

Aanpassing totaalbedrag

De rechtbank heeft in het vonnis van de strafzaak van 12 maart 2026 veroordeelde partieel vrijgesproken ten aanzien van het geldbedrag van € 50.000,-- (post 3). Dit bedrag kan dus niet worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel en is ten onrechte als zodanig meegenomen in bovenstaand overzicht.

De rechtbank zal de provisiekosten betaald aan [naam 2] van € 42.195,-- (post 7) op het totaalbedrag in mindering brengen, omdat dit geen voordeel betreft. Gelet op de geanalyseerde geldstromen is sprake geweest betaling van provisie doordat aan [naam 2] 10% werd gelaten van de bedragen die door zijn tussenkomst werden witgewassen. Zo bezien kan de betaalde provisie gelden als een kostenpost van de witwasactiviteiten. Reden voor de rechtbank om dit bedrag in mindering te brengen.

Conclusie

De rechtbank komt tot de conclusie dat uit voornoemde kasopstelling blijkt dat [veroordeelde] in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021 aanzienlijke contante uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale contante inkomsten kunnen worden verklaard. Uit het feitencomplex van het vonnis van 12 maart 2026 is af te leiden dat onder meer een groot aantal contante stortingen heeft plaatsgevonden op zijn privébankrekening en de bankrekening van [bedrijf] en dat diverse grote girale bedragen vanuit China door [veroordeelde] op die bankrekeningen zijn ontvangen. [veroordeelde] had de beschikking over deze bankrekeningen en geldbedragen en hij heeft deze geldbedragen van deze bankrekeningen vervolgens privé aangewend voor onder meer de aankoop van aandelen van restaurant [restaurant] en de aankoop van sportschool [sportschool] B.V.

Gelet op al het voorgaande is aldus aannemelijk dat ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 36e, derde lid Sr er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 690.340,-- (€ 782.535,-- minus € 50.000,-- minus € 42.195,--).

4.3

De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal hierbij rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Ook voor de ontnemingsvordering geldt dat zij moet worden afgerond binnen de redelijke

termijn van twee jaren. Overschrijding van die termijn kan volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aanleiding zijn om de betalingsverplichting te verminderen.

De redelijke termijn van strafzaak is aangevangen op 18 oktober 2021, zijnde de eerste dag waarop de FIOD de toenmalige advocaat van [veroordeelde] op de hoogte heeft gesteld van de ontnemingsrapportage en in de gelegenheid heeft gesteld zich hierover uit te laten. Daaraan kon [veroordeelde] de verwachting ontlenen dat een ontnemingsvordering zou volgen.

De rechtbank vast dat in dit geval sprake dus sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren en ruim 4 maanden.

Bij overschrijding van niet meer dan 12 maanden gaat de Hoge Raad uit van een vermindering van 10%. Bij overschrijdingen van meer dan 12 maanden dient de rechter naar bevind van zaken te handelen. De vermindering bedraagt echter in beginsel nooit meer dan

€ 5.000,--. (Voetnoot 1) In dit geval ziet de rechtbank aanleiding, mede vanuit praktische overwegingen, een bedrag van € 5.340,-- in mindering te brengen en zal de betalingsverplichting voor de veroordeelde vaststellen op € 685.000,-- (€ 690.340,-- minus € 5.340,--)

5
De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

Beslissing

6
De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 690.340,--;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 685.000,-- (zegge: zeshonderd vijfentachtig duizend euro) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1.080 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Ten Boer, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. F.M.A. 't Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.