4.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) volgt dat het Openbaar Ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan indienen tegen degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit.
Op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan een ontnemingsmaatregel worden opgelegd met betrekking tot het voordeel dat door de betrokkene is verkregen “door middel van of uit de baten van” het in de hoofdzaak bewezen verklaarde feit of een ander strafbaar feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat dit door de veroordeelde is begaan.
Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan verder plaatsvinden op grond van artikel 36e lid 3 Sr, als – kort gezegd – aannemelijk is dat het misdrijf waarvoor is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Anders dan het tweede lid stelt het derde lid van artikel 36e Sr niet de eis dat die ‘andere strafbare feiten’ door de veroordeelde zijn begaan; voldoende is dat aannemelijk wordt dat de veroordeelde uit die andere strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Zoals volgt uit het vonnis van 12 maart 2026 is onbekend gebleven uit welk gronddelict het geld afkomstig is, waarvan bewezen is verklaard dat veroordeelde dat heeft witgewassen. Op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen voor feit 1 zijn vervat (zoals weergeven in het vonnis in de strafzaak van 12 maart 2026) is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit ‘andere strafbare feiten’, zoals bedoeld in voornoemd artikel 36e lid 3 Sr.
Voor de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank acht geslagen op de zogenoemde eenvoudige kasopstelling zoals die door de FIOD is opgesteld. De FIOD heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel in haar rapport van 14 juli 2022 berekend op € 782.535,--. Daarbij is uitgegaan van de volgende posten:
[[afbeelding]]
Aanpassing totaalbedrag
De rechtbank heeft in het vonnis van de strafzaak van 12 maart 2026 veroordeelde partieel vrijgesproken ten aanzien van het geldbedrag van € 50.000,-- (post 3). Dit bedrag kan dus niet worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel en is ten onrechte als zodanig meegenomen in bovenstaand overzicht.
De rechtbank zal de provisiekosten betaald aan [naam 2] van € 42.195,-- (post 7) op het totaalbedrag in mindering brengen, omdat dit geen voordeel betreft. Gelet op de geanalyseerde geldstromen is sprake geweest betaling van provisie doordat aan [naam 2] 10% werd gelaten van de bedragen die door zijn tussenkomst werden witgewassen. Zo bezien kan de betaalde provisie gelden als een kostenpost van de witwasactiviteiten. Reden voor de rechtbank om dit bedrag in mindering te brengen.
De rechtbank komt tot de conclusie dat uit voornoemde kasopstelling blijkt dat [veroordeelde] in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2021 aanzienlijke contante uitgaven heeft gedaan die niet met zijn legale contante inkomsten kunnen worden verklaard. Uit het feitencomplex van het vonnis van 12 maart 2026 is af te leiden dat onder meer een groot aantal contante stortingen heeft plaatsgevonden op zijn privébankrekening en de bankrekening van [bedrijf] en dat diverse grote girale bedragen vanuit China door [veroordeelde] op die bankrekeningen zijn ontvangen. [veroordeelde] had de beschikking over deze bankrekeningen en geldbedragen en hij heeft deze geldbedragen van deze bankrekeningen vervolgens privé aangewend voor onder meer de aankoop van aandelen van restaurant [restaurant] en de aankoop van sportschool [sportschool] B.V.
Gelet op al het voorgaande is aldus aannemelijk dat ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 36e, derde lid Sr er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 690.340,-- (€ 782.535,-- minus € 50.000,-- minus € 42.195,--).
4.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal hierbij rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Ook voor de ontnemingsvordering geldt dat zij moet worden afgerond binnen de redelijke
termijn van twee jaren. Overschrijding van die termijn kan volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aanleiding zijn om de betalingsverplichting te verminderen.
De redelijke termijn van strafzaak is aangevangen op 18 oktober 2021, zijnde de eerste dag waarop de FIOD de toenmalige advocaat van [veroordeelde] op de hoogte heeft gesteld van de ontnemingsrapportage en in de gelegenheid heeft gesteld zich hierover uit te laten. Daaraan kon [veroordeelde] de verwachting ontlenen dat een ontnemingsvordering zou volgen.
De rechtbank vast dat in dit geval sprake dus sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren en ruim 4 maanden.
Bij overschrijding van niet meer dan 12 maanden gaat de Hoge Raad uit van een vermindering van 10%. Bij overschrijdingen van meer dan 12 maanden dient de rechter naar bevind van zaken te handelen. De vermindering bedraagt echter in beginsel nooit meer dan
€ 5.000,--. (Voetnoot 1) In dit geval ziet de rechtbank aanleiding, mede vanuit praktische overwegingen, een bedrag van € 5.340,-- in mindering te brengen en zal de betalingsverplichting voor de veroordeelde vaststellen op € 685.000,-- (€ 690.340,-- minus € 5.340,--)