Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOVE:2026:1710

Op 2 April 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 08.195622.24 (P), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:1710. De plaats van zitting was Zwolle.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
08.195622.24 (P)
Datum uitspraak:
2 April 2026
Datum publicatie:
2 April 2026

Indicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden.

De verdachte is schuldig bevonden aan poging tot zware mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.195622.24 (P)

Datum vonnis: 2 april 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] (Sovjet-Unie),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

adres in Belarus: [woonplaats].

domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman, mr. R.P. van der

Graaf te Utrecht.

1
Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door zijn raadsman mr. R.P. van der Graaf, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 19 maart 2026, kort en zakelijk weergegeven op neer dat verdachte drie mannen heeft gestoken met een mes op 15 juni 2024 in Deventer. Dit is primair ten laste gelegd als een poging tot doodslag en subsidiair als een poging tot zware mishandeling.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 15 juni 2024 te Deventer, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] met een (keuken/snij)mes in zijn borst heeft gestoken en/of die [slachtoffer 2] met een (keuken/snij)mes in zijn pols heeft gestoken en/of die [slachtoffer 3] met een (keuken/snij)mes in zijn rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 15 juni 2024 te Deventer, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] met een (keuken/snij)mes in zijn borst heeft gestoken en/of die [slachtoffer 2] met een (keuken/snij)mes in zijn pols heeft gestoken en/of die [slachtoffer 3] met een (keuken/snij)mes in zijn rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Overwegingen

3
De bewijsmotivering
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het subsidiair ten laste gelegde bewezen kan worden, namelijk poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Verdachte dient volledig vrijgesproken te worden van het steken van [slachtoffer 1].

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte volledig vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde, omdat verdachte geen opzet had op het doden van de mannen, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op het terrein van [bedrijf] B.V. in Deventer ontstond op 15 juni 2024 rond 22.30 uur een vechtpartij tussen vrachtwagenchauffeurs. Verdachte dronk die avond met een

collega alcohol in de gemeenschappelijke ruimte van dit terrein. Er vonden op verschillende momenten woordenwisselingen plaats met een of meer andere collega(’s). Op enig moment escaleerde de situatie en werd bij de toiletten geweld gebruikt. De ruzie verplaatste zich naar buiten, waar een vechtpartij ontstond tussen ongeveer vijf mannen. Verdachte liep daarbij naar buiten met een mes en stond met dat mes tussen de mannen in. Hij stond op korte afstand, maximaal 1,5 meter, van [slachtoffer 2]. Verdachte stak [slachtoffer 2] in zijn pols met het mes. [slachtoffer 2] heeft hierdoor aan de buitenzijde van zijn rechterpols letsel opgelopen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat hij [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gestoken met een mes. Uit het dossier volgt dat deze mannen tijdens de vechtpartij letsel hebben opgelopen: [slachtoffer 1] op zijn borst, [slachtoffer 2] in zijn pols en [slachtoffer 3] op zijn rug. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij twee personen met zijn mes heeft geraakt, één in de pols en één in de rug.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel door verdachte is veroorzaakt. Ten aanzien van [slachtoffer 3] geldt dat de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat het letsel is veroorzaakt door een steekbeweging van verdachte (zoals het in de tenlastelegging is verwoord). De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met een mes heeft gestoken. De rechtbank zal verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] in zijn pols heeft gestoken met een mes. Dit levert volgens de rechtbank een poging tot zware mishandeling op.

De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijs is dat verdachte willens en wetens heeft geprobeerd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van vol opzet is daarom geen sprake. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank echter wel bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanvaard, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. Verdachte had een mes vast toen hij naar buiten liep, stond vervolgens met dat mes tussen de andere mannen in, stond daarbij op korte afstand van [slachtoffer 2] en maakte vanaf die plek een voorwaartse beweging met het mes. Verdachte raakte daarbij [slachtoffer 2] in zijn pols. Naar het oordeel van de rechtbank is bij een dergelijke handelswijze sprake van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en kan het ook niet anders dan dat verdachte zich daarvan bewust is geweest en deze kans (door toch zo te handelen) heeft aanvaard.

Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zoals subsidiair ten laste gelegd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 juni 2024 te Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] met een keukenmes in zijn pols heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

subsidiair

het misdrijf: poging tot zware mishandeling.

5
De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6
De op te leggen straf of maatregel
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 149 dagen waarvan 48 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek van de duur van de voorlopige hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt om te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 101 dagen.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Aard en ernst van het strafbare feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, doordat hij tijdens een vechtpartij een man in zijn pols heeft gestoken met een mes. Dit is een ernstig strafbaar feit. Het letsel van het slachtoffer is uiteindelijk beperkt gebleven, maar dat is niet aan verdachte te danken. Het had allemaal heel anders kunnen aflopen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij ervoor heeft gekozen om tijdens de vechtpartij een mes te gebruiken.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 16 februari 2026. Daaruit volgt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Verdachte woont in Wit-Rusland en werkt als internationaal vrachtwagenchauffeur voor een Poolse transportonderneming. Afgezien van het feit dat hij voor zijn werk soms door Nederland rijdt, heeft hij geen binding met Nederland.

Strafoplegging

De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank ziet, gelet op het uitblijven van ander justitie-contact en het feit dat hij geen binding heeft met Nederland, geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel aan verdachte op te leggen.

7
De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen.

8
De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

subsidiair, het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Postma, voorzitter, mr. J. de Ruiter en mr. G.H. Meijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

Bijlage bewijsmiddelen

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024275961. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van 16 juni 2024, pagina 19, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 15 juni 2024 omstreeks 22.30 uur zag ik dat er een ruzie was op het terrein van [bedrijf] B.V. gelegen aan de [adres]. Ik zag dat een man andere mensen aanviel met een mes. Ik zag dat de man een stekende beweging maakte in mijn richting. Ik zag dat het mes mijn huid in de buurt van mijn rechterpols penetreerde. Ik ben met een keukenmes gestoken.

2. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 22 juni 2024, pagina 41, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 15 juni 2024 op het terrein van [bedrijf] B.V. in Deventer. [naam] rende met mij mee naar buiten. [verdachte] en [slachtoffer 1] renden achter ons aan. Toen ik buiten was, zag ik daar [slachtoffer 2] . We stonden daar buiten met zijn vijven. De situatie was gespannen. [verdachte] en [slachtoffer 1] vielen mij aan. Ik heb gezien dat [slachtoffer 2] is gestoken door [verdachte] vlakbij de pols. [verdachte] had het mes in zijn rechterhand vast.

3. het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 29 juni 2024, pagina’s 68, 69, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 15 juni 2025 stonden we buiten met een aantal bij elkaar. Dat waren ik, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Daarna kwam de andere [slachtoffer 1] ook naar buiten en ik zag dat hij een mes in zijn rechterhand vast had. Ik stond op ongeveer één a anderhalve meter vanaf [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] stond tussen ons in. Ik zag dat de andere [slachtoffer 1] met het mes een slaande voorwaartse beweging maakte richting ons. Het had een ieder van ons kunnen raken. Ik zag dat de andere [slachtoffer 1] met het mes [slachtoffer 2] raakte.

4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 3 juli 2024, pagina 224, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het gaat over 15 juni 2024. Ik zat met mijn vriend [verdachte] [slachtoffer 1] alcohol te drinken aan de tafel. Tot laat in de avond. Er waren ook andere mensen aanwezig. We hebben een woordenwisseling gehad en hebben wij een ruzie gekregen. Ik was het eten aan het voorbereiden. Ik had een mes in mijn handen. Ik hoorde op de achtergrond geluiden. Ik begreep dat er een ruzie ontstond. Ik liep naar buiten. Ik zag het allemaal gebeuren. Ik had het mes in mijn rechterhand. Ik stond tussen al die mensen. Ik heb iemand een wond aangedaan. De snee zou dan ergens bij de pols moeten zijn.

5. Een geschrift, een letselrapportage forensische geneeskunde van de GGD Oost-Nederland opgemaakt door een forensisch arts op 19 juni 2024, pagina’s 28 t/m 30, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Naam: [slachtoffer 2]

Datum incident: 15-06-2024

Letselbeschrijving: Aan de buitenzijde van de rechterpols bevindt zich een scherp begrensde huiddoorbreking, lijnvormig van vorm, donkerrood van kleur, en meet circa 2,5 cm bij 1 cm. Er zitten twee hechtingen in de wond.

Gemelde toedracht bij het letsel: geweld met scherprandig voorwerp

Past gemelde toedracht bij letsel: goed (zeer goed, goed, mogelijk, niet goed, niet).