3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 4 mei 2026 veroordeeld, voor zover relevant, voor de volgende strafbare feiten:
feit 1
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier met daarin het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 17 oktober 2024.
Bij vonnis van 4 mei 2026 is bewezen verklaard dat de veroordeelde in de periode van
1 januari 2023 tot en met 14 februari 2024 heeft gehandeld in hennep, hasjiesj, MDMA en
4-MMC. De rechtbank acht het op basis hiervan en op basis van het bewijsmiddel, zoals weergegeven in de onderstaande bewijsbijlage, aannemelijk dat de veroordeelde door het plegen van deze strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Dit wordt overigens ook niet door de veroordeelde ontkend. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast.
Ter zitting heeft de veroordeelde verklaard dat hij de opbrengsten (in geld) uit de door hem gevoerde drugshandel geheel afstond aan degene voor wie hij de drugs verkocht. In ruil daarvoor kreeg de veroordeelde van die persoon verschillende soorten drugs voor eigen gebruik om in zijn verslaving te kunnen voorzien. De veroordeelde heeft verklaard dat hij in die periode dagelijks drugs gebruikte. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten om uit te gaan van het door de officier van justitie geschatte voordeel ad € 20.450,--, nu op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de hoeveelheid, de soort en de exacte waarde van de door de veroordeelde ontvangen drugs niet is komen vast te staan. De rechtbank schat, nu wel vaststaat dat de veroordeelde voordeel heeft genoten, die waarde - voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel - in het voordeel van de veroordeelde daarom op € 10,-- per dag.
Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank verder uit van de bewezen verklaarde periode van 1 januari 2023 tot en met 14 februari 2024. In die periode heeft de veroordeelde naar eigen zeggen dagelijks hard- en softdrugs gebruikt. Dit betreft een periode van ongeveer dertien en een halve maand. Ervan uitgaande dat een maand dertig dagen heeft, betreft deze periode 404 dagen.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende berekening:
404 dagen × een waarde van € 10,-- aan drugs per dag = € 4.040,--
Kortom, over de ten laste gelegde periode heeft de veroordeelde als beloning voor de door hem verrichte drugshandel verschillende soorten drugs ontvangen met een totale waarde die de rechtbank schat op € 4.040,--.
Op grond van wettige bewijsmiddelen stelt de rechtbank de (geschatte) omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 4.040,--.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
Onder de veroordeelde is een geldbedrag van in totaal € 1.495,40 inbeslaggenomen. Bij vonnis van 4 mei 2026 in de strafzaak tegen de veroordeelde heeft de rechtbank dit inbeslaggenomen geldbedrag verbeurdverklaard. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat eenzelfde bedrag in mindering moet worden gebracht op de initiële betalingsverplichting van € 4.040,--.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 2.544,60.