Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOVE:2026:2404

Op 4 May 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 08-013490-25 (ontneming), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:2404. De plaats van zitting was Almelo.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
08-013490-25 (ontneming)
Datum uitspraak:
4 May 2026
Datum publicatie:
6 May 2026

Indicatie

Gedeeltelijke toewijzing vordering ontneming tot een bedrag van 2.544,60 euro, afwijzing voor het overige. Het in de strafzaak tegen de veroordeelde verbeurdverklaarde onder hem inbeslaggenomen geldbedrag is op het te betalen wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering gebracht.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08-013490-25

Datum vonnis: 4 mei 2026

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats],

wonende aan de [woonplaats].

1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 20.450,--.

2
De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 21 april 2026. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.Th.M. Demmer, advocaat in Hengelo (O), is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.

Op de terechtzitting van 21 april 2026 heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd en verzocht om het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag ter hoogte van € 1.495,40 - mits door de rechtbank in de hoofdzaak verbeurdverklaard - op het te betalen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft daarbij verzocht om rekening te houden met het feit dat de veroordeelde het verleden achter zich heeft gelaten en dat het te betalen bedrag geen beletsel voor hem moet zijn om de ingeslagen weg voort te zetten.

Overwegingen

3
De beoordeling van de vordering
3.1

Veroordeling

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 4 mei 2026 veroordeeld, voor zover relevant, voor de volgende strafbare feiten:

feit 1

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 3

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

3.2

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier met daarin het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 17 oktober 2024.

Bij vonnis van 4 mei 2026 is bewezen verklaard dat de veroordeelde in de periode van

1 januari 2023 tot en met 14 februari 2024 heeft gehandeld in hennep, hasjiesj, MDMA en

4-MMC. De rechtbank acht het op basis hiervan en op basis van het bewijsmiddel, zoals weergegeven in de onderstaande bewijsbijlage, aannemelijk dat de veroordeelde door het plegen van deze strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Dit wordt overigens ook niet door de veroordeelde ontkend. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast.

Opbrengsten drugshandel

Ter zitting heeft de veroordeelde verklaard dat hij de opbrengsten (in geld) uit de door hem gevoerde drugshandel geheel afstond aan degene voor wie hij de drugs verkocht. In ruil daarvoor kreeg de veroordeelde van die persoon verschillende soorten drugs voor eigen gebruik om in zijn verslaving te kunnen voorzien. De veroordeelde heeft verklaard dat hij in die periode dagelijks drugs gebruikte. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten om uit te gaan van het door de officier van justitie geschatte voordeel ad € 20.450,--, nu op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de hoeveelheid, de soort en de exacte waarde van de door de veroordeelde ontvangen drugs niet is komen vast te staan. De rechtbank schat, nu wel vaststaat dat de veroordeelde voordeel heeft genoten, die waarde - voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel - in het voordeel van de veroordeelde daarom op € 10,-- per dag.

Periode

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank verder uit van de bewezen verklaarde periode van 1 januari 2023 tot en met 14 februari 2024. In die periode heeft de veroordeelde naar eigen zeggen dagelijks hard- en softdrugs gebruikt. Dit betreft een periode van ongeveer dertien en een halve maand. Ervan uitgaande dat een maand dertig dagen heeft, betreft deze periode 404 dagen.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende berekening:

404 dagen × een waarde van € 10,-- aan drugs per dag = € 4.040,--

Kortom, over de ten laste gelegde periode heeft de veroordeelde als beloning voor de door hem verrichte drugshandel verschillende soorten drugs ontvangen met een totale waarde die de rechtbank schat op € 4.040,--.

Conclusie

Op grond van wettige bewijsmiddelen stelt de rechtbank de (geschatte) omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 4.040,--.

3.3

De vaststelling van de betalingsverplichting

Onder de veroordeelde is een geldbedrag van in totaal € 1.495,40 inbeslaggenomen. Bij vonnis van 4 mei 2026 in de strafzaak tegen de veroordeelde heeft de rechtbank dit inbeslaggenomen geldbedrag verbeurdverklaard. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat eenzelfde bedrag in mindering moet worden gebracht op de initiële betalingsverplichting van € 4.040,--.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 2.544,60.

4
De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5
De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 4.040,--;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 2.544,60 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 25 dagen;

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.K. ten Cate, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en

mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J. ten Brink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat het bewijsmiddel.

1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 april 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik moest de opbrengsten (in geld) uit de drugshandel die ik voerde geheel afstaan aan degene voor wie ik de drugs verkocht. In ruil voor dat geld kreeg ik verschillende soorten drugs voor eigen gebruik om in mijn drugsverslaving te kunnen voorzien. Ik gebruikte dagelijks drugs.