1
Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de gemachtigd raadsman mr. S. van der Eijk, advocaat in Delft, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevraagde schadevergoedingen.
De verdenking komt er, kort en bondig weergegeven, op neer dat verdachte op 10 juli 2022 in Slagharen openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (primair), dan wel samen met een ander [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld (subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
primair
zij op of omstreeks 10 juli 2022 te Slagharen, gemeente Hardenberg
openlijk, te weten in Attractie- & Vakantiepark Slagharen, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] door
- een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen) en/of
- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of
- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen;
subsidiair
zij op of omstreeks 10 juli 2022 te Slagharen, gemeente Hardenberg
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door
- een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen) en/of
- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of
- die [slachtoffer 1] een of meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen.
7
De schade van benadeelden
7.1
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Hij vordert verdachte te veroordelen om € 2.199,30,-- aan schadevergoeding te betalen, bestaande uit
materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
€ 110,30 wegens zorgkosten in de vorm van eigen risico;
€ 849,-- voor de aanschaf van een nieuwe bril;
€ 240,-- wegens een intake en EMDR-behandeling.
Het gevorderde bedrag in verband met immateriële schade bedraagt € 1.000,--.
7.2
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Zij vordert verdachte te veroordelen om € 990,-- aan schadevergoeding te betalen, bestaande uit € 220,-- materiële schade (wegens een intake en EMDR-behandeling) en € 750,-- voor immateriële schade (smartengeld), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verzochte schadevergoedingen in zijn geheel hoofdelijk toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.4
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat verdachte ten opzichte van haar mededader een kleiner aandeel heeft gehad in het bij benadeelden ontstane letsel en dat zij aldus minder schadevergoeding zou moeten betalen. De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt over de hoogte van het smartengeld. Ten aanzien van de door [slachtoffer 1] opgegeven schadepost van € 849,-- voor de aanschaf van een nieuwe bril, heeft de verdediging verzocht het bedrag wegens afschrijvingskosten te matigen tot maximaal € 500,--. Ten slotte heeft de verdediging verzocht niet de hoofdelijkheidsclausule op te leggen.
7.5
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting vast dat voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde partijen gestelde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadeposten, die overigens door de verdediging onvoldoende zijn betwist, voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd en aannemelijk zijn. De gevorderde materiële schadeposten zijn dus toewijsbaar voor een bedrag van in totaal € 1.199,30.
Op basis van artikel 6:106, aanhef en sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als sprake is van lichamelijk letsel. Daarvan is in dit geval sprake.
[slachtoffer 1] is tijdens de openlijke geweldpleging meerdere keren geslagen en geschopt en liep hierdoor onder meer verwondingen op in zijn gezicht en aan zijn knie. Om die reden kan hij aanspraak maken op smartengeld.
De rechtbank houdt bij het vaststellen van de hoogte van het schadebedrag rekening met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend. De rechtbank is op basis van deze in deze zaak ter beoordeling voorliggende stukken en de onderbouwing daarvan van oordeel dat een bedrag van € 1.000,-- aan smartengeld billijk is.
De rechtbank zal de door [slachtoffer 1] gevorderde schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 2.199,30, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd (10 juli 2022).
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 22 (tweeëntwintig) dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De materiële en immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schadepost van € 240,-- en de immateriële schade van € 750,--, die overigens door de verdediging onvoldoende zijn betwist, naar algemene ervaringsregels voldoende met bewijsstukken zijn onderbouwd en aannemelijk zijn. De gevorderde materiële schadeposten zijn dus toewijsbaar voor een bedrag van in totaal € 240,--.
De rechtbank zal gelet daarop de door [slachtoffer 2] gevorderde schadevergoeding geheel toewijzen tot een bedrag van € 990,--, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf 10 juli 2022.
De schadevergoedingsmaatregel
Verdachte is voor de schade van de benadeelde partijen naar burgerlijk recht met haar mededader hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor het hele bedrag aansprakelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding tot het niet-opleggen van de hoofdelijkheidsclausule.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 10 (tien) dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Beslissing
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair
het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van
€ 2.199,30 (tweeduizend honderdnegenennegentig euro en dertig cent), bestaande uit materiële en immateriële schade;
veroordeelt verdachte tot (hoofdelijke) betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 2.199,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2022, te weten dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zijn bevrijd;
veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ten aanzien van het bewezen verklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.199,30 (tweeduizend honderdnegenennegentig euro en dertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2022, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 22 (tweeëntwintig) dagen kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van
€ 990,-- (negenhonderdnegentig euro), bestaande uit materiële en immateriële schade;
veroordeelt verdachte tot (hoofdelijke) betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 990,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2022, te weten dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zijn bevrijd;
veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
legt de maatregel op dat de verdachte verplicht is ten aanzien van het bewezen verklaarde tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 990,-- (negenhonderdnegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2022, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 10 (tien) dagen kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Buiten staat
Mr. S.H. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoot 4
Het proces-verbaal van bevindingen van 6 januari 2023, pagina’s 49 en 50, met als bijlagen de screenshot van de camerabeelden, pagina 52, en het proces-verbaal van bevindingen van 12 juli 2022, pagina’s 53 tot en met 55, met als bijlagen de screenshots van de camerabeelden, pagina’s 56 tot en met 68.