De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 31 maart 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: in de periode van 28 december 2022 tot en met 15 januari 2025 [slachtoffer] heeft gestalkt;
feit 2: in de periode van 9 oktober 2024 tot en met 26 november 2024 opzettelijk in strijd met een gedragsaanwijzing heeft gehandeld.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
zij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 december
2022 tot en met 15 januari 2025 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in
Nederland,
stelselmatig en opzettelijk, wederrechtelijk inbreuk heeft gemaakt op de
persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] te
dwingen iets te doen, niet te doen te dulden en/of vrees aan te jagen,
door die [slachtoffer] veelvuldig
- via de (werk) telefoon te bellen en/of
- via de mail en (werk)telefoon berichten te sturen en/of
- via de mail afbeeldingen te sturen en/of
- via SMS berichten te sturen en/of
- via Whats-app berichten te sturen,
terwijl die [slachtoffer] haar meermalen en nadrukkelijk te kennen had
gegeven dit als ongewenst te beschouwen en haar had verzocht hier mee
te stoppen;
2.
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 oktober
2024 tot en met 26 november 2024, te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans
op één of meer locaties in Nederland,
opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven
krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van
strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing opgemaakt en afgegeven
door de officier van justitie van het arrondissementsparket
Oost-Nederland op 25 september 2024, onder meer inhoudende een
contactverbod met de heer [slachtoffer] ,
door, ook nadat zij, verdachte, bekend was geraakt met het bestaan en
de inhoud van de gedragsaanwijzing in strijd daarmee te handelen, door
die [slachtoffer] (meermalen) te bellen en/of mails/berichten te versturen
aan genoemde [slachtoffer] .
Beslissing
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: belaging;
feit 2
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 217 (tweehonderdzeventien) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 120 (honderdtwintig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 5 (vijf) jaren;
- beveelt dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1971 in [geboorteplaats 2] ;
- beveelt dat verdachte zich gedurende vijf jaren niet in of bij de werklocatie van [slachtoffer] , gelegen aan de [adres] (politiebureau [plaats 2] ) mag bevinden;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 1 (één) week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich
belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] ;
- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 2.500,00 (bestaande uit immateriële schade);
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] : van een bedrag van € 2.500,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2025);
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.500.00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij, voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
opheffing bevel voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 30 juni 2026.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A.J. de Loor en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. van der Hulst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
Buiten staat
Mr. M. ter Riet en mr. R. van der Hulst zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.