Rechtbank Overijssel, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBOVE:2026:4106

Op 14 July 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 08.307883.24 (P), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBOVE:2026:4106. De plaats van zitting was Zwolle.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
08.307883.24 (P)
Datum uitspraak:
14 July 2026
Datum publicatie:
14 July 2026

Indicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 217 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, het betalen van een schadevergoeding en legt een contactverbod op met het slachtoffer voor de duur van 5 jaren.

De verdachte is schuldig bevonden aan belaging en opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, meermalen gepleegd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.307883.24 (P)

Datum vonnis: 14 juli 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1968 in [geboorteplaats 1] ,

wonende aan het [woonplaats] .

1
Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 25 maart 2025, 31 maart 2026 en van 30 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de raadsvrouw mr. N.W.A. Dekens, advocaat in Amsterdam, namens verdachte naar voren is gebracht. Verdachte is niet verschenen.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer] door mr. N.T.G. Greven is aangevoerd.

2
De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 31 maart 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 28 december 2022 tot en met 15 januari 2025 [slachtoffer] heeft gestalkt;

feit 2: in de periode van 9 oktober 2024 tot en met 26 november 2024 opzettelijk in strijd met een gedragsaanwijzing heeft gehandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

zij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 december

2022 tot en met 15 januari 2025 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in

Nederland,

stelselmatig en opzettelijk, wederrechtelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] te

dwingen iets te doen, niet te doen te dulden en/of vrees aan te jagen,

door die [slachtoffer] veelvuldig

- via de (werk) telefoon te bellen en/of

- via de mail en (werk)telefoon berichten te sturen en/of

- via de mail afbeeldingen te sturen en/of

- via SMS berichten te sturen en/of

- via Whats-app berichten te sturen,

terwijl die [slachtoffer] haar meermalen en nadrukkelijk te kennen had

gegeven dit als ongewenst te beschouwen en haar had verzocht hier mee

te stoppen;

2.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 oktober

2024 tot en met 26 november 2024, te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans

op één of meer locaties in Nederland,

opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven

krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van

strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing opgemaakt en afgegeven

door de officier van justitie van het arrondissementsparket

Oost-Nederland op 25 september 2024, onder meer inhoudende een

contactverbod met de heer [slachtoffer] ,

door, ook nadat zij, verdachte, bekend was geraakt met het bestaan en

de inhoud van de gedragsaanwijzing in strijd daarmee te handelen, door

die [slachtoffer] (meermalen) te bellen en/of mails/berichten te versturen

aan genoemde [slachtoffer] .

Overwegingen

3
De bewijsmotivering
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de handelswijze van verdachte een wederrechtelijke stelselmatige inbreuk op het privéleven van [slachtoffer] heeft opgeleverd. Verdachte had met de door haar gestuurde berichten tot en met 21 oktober 2024 geen oogmerk om [slachtoffer] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen. Primair dient verdachte dan ook van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat de periode van het onder 1 ten laste gelegde beperkt dient te worden tot de datum van haar aanhouding in oktober 2024. Voor de berichten die na die periode verstuurd zouden zijn, is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat deze berichten door verdachte gestuurd zouden zijn. Hierdoor dient zij ook van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Bovendien kan de uitreiking van de gedragsaanwijzing niet als rechtsgeldig worden aangemerkt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank  (Voetnoot 1)

De redengevende bewijsmiddelen

Op 10 juli 2024 heeft [slachtoffer] aangifte (Voetnoot 2) gedaan tegen verdachte wegens belaging en op 15 juli 2024 heeft hij een klacht ingediend. (Voetnoot 3) Tegenover een intern onderzoeker van het team Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) heeft [slachtoffer] op 12 juni 2024 verklaard dat hij verdachte drie jaar geleden leerde kennen als politievrijwilliger. Vanaf die tijd werd [slachtoffer] door verdachte via de dienstmail en diensttelefoon (Black Berry Messenger, hierna: BBM) overspoeld met e-mails en berichten. De berichten gaven [slachtoffer] het gevoel dat verdachte hem bespiedde. Tevens bevatten ze seksuele toespelingen, waar hij een ongemakkelijk gevoel van kreeg. [slachtoffer] heeft aan verdachte diverse malen te kennen gegeven dat ze moest stoppen met haar gedrag en dat hij er niet van gediend was. Zijn vriendin heeft ook met verdachte gebeld en gezegd dat dit gedrag moest stoppen. [slachtoffer] heeft in 2022 al bij zijn toenmalige teamchef gemeld dat hij veelvuldig e-mails ontving van verdachte en dat hij dat als lastig ervoer. (Voetnoot 4)

In een aanvullend verhoor heeft [slachtoffer] verklaard dat hij op een gegeven moment gestopt is met op haar e-mails te reageren, maar dat verdachte hem desondanks bleef bestoken met e-mails. Daarin stuurde zij onder andere plaatjes van zichzelf en schreef zij dat ze voor elkaar gemaakt waren. Door de inhoud van deze berichten kreeg [slachtoffer] het gevoel dat ze hem overal volgde en dat verdachte controleerde of hij online was.

Nadat verdachte geschorst was en geen werk-e-mail meer had, gebruikte zij een privé-e-mailadres, dat zij steeds veranderde. Wanneer [slachtoffer] e-mails van onbekende e-mailadressen opende, zag hij dat er verwijzingen naar verdachte instonden, bijvoorbeeld een gedeelte van een WhatsApp-gesprek met daarin haar naam of een selfie/afbeelding van verdachte.

Verdachte heeft [slachtoffer] ongeveer een half jaar geleden (de rechtbank begrijpt rond april 2024) gebeld om te vragen of hij echt een klacht tegen haar had ingediend. In dat gesprek heeft [slachtoffer] opnieuw tegen verdachte gezegd dat hij niet wilde dat ze hem zou benaderen op welke dan manier ook. Verdachte heeft hem gezegd dat ze dat niet kon beloven.

Deze situatie maakte [slachtoffer] emotioneel. Hij is ervan geschrokken dat hem dit overkwam en hij schaamde zich er voor dat hij niet bij machte was om het gedrag van verdachte te laten stoppen. Het raakte hem in zijn privéleven en op zijn werk, dat iemand zo over zijn grenzen ging. [slachtoffer] heeft verdachte meermalen via de e-mail of telefoon, en met behulp van de politieleiding, gesommeerd te stoppen. (Voetnoot 5)

Op 6 augustus 2024 is verdachte telefonisch op de hoogte gebracht van het feit dat zij als verdachte ter zake stalking/belaging was aangemerkt en ook toen werd haar door verbalisant [verbalisant] (hierna: de verbalisant) nadrukkelijk verzocht te stoppen contact te zoeken met [slachtoffer] , op welke wijze dan ook. Verdachte gaf aan hiervan te schrikken en zei dat zij geen contact meer ging zoeken met [slachtoffer] . Op 2 september 2024 ontving de verbalisant van [slachtoffer] via de e-mail een viertal e-mailberichten van verdachte aan [slachtoffer] , door hem ontvangen op: 11 augustus 2024, 15 augustus 2024, 27 augustus 2024 en 29 augustus 2024. (Voetnoot 6) Op 4 september 2024 nam de verbalisant telefonisch contact op met verdachte en werd haar opnieuw met nadruk verzocht te stoppen met het stalken/belagen van [slachtoffer] . Na dit laatste stopgesprek ontving de verbalisant echter van [slachtoffer] het bericht dat hij op 5 september 2024, 9 september 2024, 19 september 2024 (twee keer), 22 september 2024 (drie keer) en 25 september 2024 weer e-mailberichten van verdachte had ontvangen. (Voetnoot 7)

Naar aanleiding daarvan werd op 25 september 2024 door het Openbaar Ministerie een gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast (op grond van artikel 509hh Sv) ter uitreiking aan verdachte opgemaakt, inhoudende een contactverbod met aangever voor de duur van 90 dagen. (Voetnoot 8) Deze gedragsaanwijzing werd op 9 oktober 2024 om 16:07 uur aan verdachte, door haar (toenmalig) raadsman mr. Poort, in aanwezigheid van de politie, telefonisch meegedeeld en per e-mail aan haar uitgereikt. (Voetnoot 9)

Voordat deze gedragsaanwijzing aan verdachte werd uitgereikt, ontving de verbalisant van [slachtoffer] op 7 oktober 2024 een drietal e-mails die hij van verdachte op 4 oktober 2024 om 04:44 uur, 13:24 uur en 23:42 uur had ontvangen. De vrouw die afgebeeld stond in de bijlage van de e-mails van 04:44 uur en 13:24 uur herkende de verbalisant ambtshalve als verdachte. In de e-mail van 23:42 uur stond dat de verstuurder van de e-mails vanaf heden geen creatief bedachte emailadressen meer zou gaan gebruiken maar over zou gaan op communiceren via cijfers.

Op 14 oktober 2024, 15:14 uur en 16:47 uur, stuurde [slachtoffer] e-mails door naar de verbalisant die hij eerder die dag van verdachte had ontvangen. Op 16 oktober 2024 om 15:09 uur had [slachtoffer] weer een e-mail van verdachte ontvangen. De verbalisant merkte op dat de vrouw die op de bij deze e-mail gevoegde bijlagen staat afgebeeld, sterke overeenkomsten vertoont met de hem ambtshalve bekende verdachte. (Voetnoot 10)

Op 26 november 2024 verklaarde [slachtoffer] dat hij eerder die dag drie maal door een anoniem telefoonnummer was gebeld en dat hij de laatste oproep van de anonieme beller had beantwoord. Na opnemen bleek dat de beller verdachte was. (Voetnoot 11) Uit onderzoek volgt dat er gebeld is met het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] , dat op naam staat van verdachte en gekoppeld is aan [e-mailadres 1](Voetnoot 12)

Op 15 januari 2025 ontving [slachtoffer] een e-mail met bijlage (waarin het telefoonnummer [telefoonnummer 2] genoteerd stond) vanaf het e-mailadres [e-mailadres 1] , waarvan verdachte verklaard heeft dat dit haar e-mailadres is. (Voetnoot 13) De verbalisant belde het telefoonnummer uit de bijlage (+ [telefoonnummer 2] ), waarna hij hoorde dat er werd opgenomen door een vrouw die zich voorstelde als [verdachte] . De verbalisant herkende haar stem direct. (Voetnoot 14) Van het e-mailadres [e-mailadres 1] werd als Recovery e-mail opgegeven [e-mailadres 2] (waarvan verdachte op 5 december 2024 ook heeft verklaard dat dit adres bij haar in gebruik is (Voetnoot 15)) en werd als Recovery SMS telefoonnummer + [telefoonnummer 1] opgegeven (telefoonnummer op naam van verdachte). (Voetnoot 16)

Uit onderzoek verricht in de telefoon van verdachte volgt dat een WhatsApp-chat is aangetroffen met [slachtoffer] , waarbij vanuit het account van verdachte twee berichten zijn verstuurd. Daarnaast zijn er berichten aangetroffen waarbij vanuit het account van verdachte twaalf berichten naar [slachtoffer] zijn verstuurd. Ook werden twaalf SMS-berichten aangetroffen die verdachte met telefoonnummer + [telefoonnummer 1] naar [slachtoffer] heeft gestuurd. Op al deze berichten is geen antwoord gekomen vanuit [slachtoffer] .

Bij de e-mails leverde de zoekterm ‘ [slachtoffer] ’17 treffers op en ‘ [slachtoffer] ’ 30 treffers. Uiteindelijk zijn acht e-mails aangetroffen die gericht waren aan [slachtoffer] ( [e-mailadres 3] ), maar in de verzonden e-mails aan [slachtoffer] valt op dat deze niet via het e-mailadres [e-mailadres 1] zijn verzonden maar via de e-mailadressen:

[e-mailadres 4] ,

[e-mailadres 5] ,

[e-mailadres 6] ,

[e-mailadres 7] ,

[e-mailadres 8] , en

[e-mailadres 9] .

In het mapje Images stonden meer dan 900 afbeeldingen waarin [slachtoffer] naar voren kwam. Er stonden veelvuldig foto’s op haar privé toestel van het dienstrooster van [slachtoffer] , berichten die zijn verzonden aan [slachtoffer] via SMS, via WhatsApp en via BBM en foto’s van belhistorie waaruit naar voren komt dat er gebeld is met [slachtoffer](Voetnoot 17)

Uit onderzoek verricht in de laptop van verdachte volgt dat, op één e-mail na, alle e-mails die [slachtoffer] ontving van [e-mailadres 1] en die hij heeft overgelegd bij zijn aangifte, zijn aangetroffen op de laptop van verdachte. Ook is op de laptop van verdachte een PDF-document aangetroffen van de gedragsaanwijzing. Verder is een Word-document aangetroffen dat op 16 oktober 2024, vier dagen voor de aanhouding van verdachte, is opgeslagen. Dit betreft een 188 pagina’s tellend document met allerlei berichten, foto’s en illustraties die zijn verzonden aan [slachtoffer](Voetnoot 18)

Verdachte heeft op 22 oktober 2024 verklaard dat ze berichten stuurde naar [slachtoffer] en dat deze niet zakelijk waren. Ze heeft erkend dat het klopt dat [slachtoffer] en ook een vrouw haar hebben gevraagd te stoppen. Ze bleef hem echter berichten sturen omdat ze vond dat iemand er na verloop van tijd anders kon over denken, en ook omdat ze vond dat al haar berichten, met zelfgemaakte afbeeldingen, heel aardig waren en dat vond zij tegenstrijdig met stalking. Nadat haar op 6 augustus 2024 was meegedeeld dat zij met het contact moest stoppen, wilde ze van [slachtoffer] weten of hij daadwerkelijk aangifte had gedaan. Na het stopgesprek stuurde ze berichten naar [slachtoffer] om te weten te komen of het een complot was. (Voetnoot 19) Verder heeft zij verklaard dat zij gebruik maakt van het e-mailadres [e-mailadres 1](Voetnoot 20)

Overwegingen en het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zijn verschillende factoren van belang. Het gaat daarbij om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte heeft erkend dat zij [slachtoffer] meerdere berichten en afbeeldingen heeft gestuurd, dat [slachtoffer] en derden tegen haar zeiden dat ze moest stoppen met contact opnemen en dat zij contact met hem op bleef nemen ook nadat er stop-gesprekken met haar gevoerd waren. De verklaring van verdachte dat zij geen berichten meer stuurde en hem niet belde nadat de gedragsaanwijzing op 9 oktober 2024 aan haar was uitgereikt, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Immers volgt uit de bewijsmiddelen dat zij ook nadien [slachtoffer] meermaals heeft gebeld en e-mails heeft gestuurd. Hoewel [slachtoffer] toen e-mails ontving vanaf verschillende anonieme e-mailadressen, kwam de inhoud van die e-mails overeen met de e-mails die zij daarvoor aan [slachtoffer] stuurde. Ook werd in de e-mails verwezen naar verdachte en was haar telefoonnummer of was [e-mailadres 1] – waarvan zij heeft erkend dat het haar e-mailadres is – aan het bericht gekoppeld. Daarbij komt dat zowel de anonieme telefoontjes als de e-mails zijn opgenomen in het Word-document op de laptop van verdachte.

De rechtbank is gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de vastgestelde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer] – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk door verdachte op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] . Verdachte heeft in de periode van 28 december 2022 tot en met 15 januari 2025 veelvuldig en op verschillende manieren contact opgenomen met [slachtoffer] , door hem te bellen, via de e-mail en (werk)telefoon berichten, afbeeldingen, SMS- en WhatsApp-berichten te sturen. Het was voor verdachte duidelijk dat de inbreuk voor [slachtoffer] niet gewenst was, nu hij meermaals te kennen heeft gegeven dan wel heeft laten meedelen dat deze inbreuk door hem als ongewenst werd ervaren. Dat verdachte het oogmerk had op het door [slachtoffer] moeten dulden van deze inbreuk blijkt uit de structurele, veelvuldige en eenzijdige communicatie richting [slachtoffer] , die ook doorging nadat uitdrukkelijk aan verdachte kenbaar was gemaakt dat zij hiermee moest stoppen. Gelet op de gedragingen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat zij het oogmerk heeft gehad en [slachtoffer] feitelijk heeft gedwongen te dulden dat zij stelselmatig contact met hem zocht, wat een inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] . Hieronder valt zowel zijn privéleven als zijn persoonlijke levenssfeer onder werktijd. Dat de berichten een ‘aardige’ inhoud hadden doet daaraan niet af.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank tot slot van oordeel dat, nu de gedragsaanwijzing telefonisch met verdachte is besproken en het document op haar laptop is aangetroffen, de gedragsaanwijzing voor verdachte kenbaar was en op een correcte manier aan haar is uitgereikt.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op meerdere tijdstippen omstreeks de periode van 28 december 2022 tot en met 15 januari 2025 in Nederland, stelselmatig en opzettelijk, wederrechtelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden, door die [slachtoffer] veelvuldig

- via de (werk)telefoon te bellen en

- via de e-mail en (werk)telefoon berichten te sturen en

- via de e-mail afbeeldingen te sturen en

- via SMS berichten te sturen en

- via WhatsApp berichten te sturen,

terwijl die [slachtoffer] haar meermalen en nadrukkelijk te kennen had gegeven dit als ongewenst te beschouwen en haar had verzocht hier mee te stoppen;

2.

zij in de periode van 9 oktober 2024 tot en met 26 november 2024 in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing opgemaakt en afgegeven door de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland op 25 september 2024, onder meer inhoudende een contactverbod met de heer [slachtoffer] , door, ook nadat zij, verdachte, bekend was geraakt met het bestaan en de inhoud van de gedragsaanwijzing in strijd daarmee te handelen, door die [slachtoffer] meermalen te bellen en/of mails/berichten te versturen aan genoemde [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 184a en 285b Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: belaging;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd.

5
De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

6
De op te leggen straf of maatregel
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die voor de duur gelijk is aan het voorarrest, met aftrek van het voorarrest, en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van drie jaren. Verder heeft de officier van justitie gevorderd de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor het werkadres van [slachtoffer] voor de duur van vijf jaren, met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van een week voor iedere keer dat verdachte zich niet aan de maatregel houdt met een maximum van zes maanden. Tot slot vordert de officier van justitie om de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde voorwaardelijke deel in duur beperkt dient te worden. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om, indien de rechtbank aan verdachte een contactverbod oplegt, eveneens aan [slachtoffer] een contactverbod met verdachte op te leggen omdat dit voor verdachte geruststellend zou zijn. De raadsvrouw heeft verder bepleit rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals haar ontslag bij de politie, haar gezondheidstoestand en het gebrek aan hulpverlening.

6.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft vanaf eind 2022 gedurende een periode van ruim twee jaar haar collega [slachtoffer] gestalkt, die zij leerde kennen in haar hoedanigheid van politievrijwilliger. Hoewel [slachtoffer] op verschillende manieren heeft laten weten geen contact met verdachte te willen, stuurde zij hem vele berichten en afbeeldingen via e-mail, WhatsApp en SMS, en nam zij meermalen telefonisch contact met hem op. Hiermee is verdachte doorgegaan nadat zij door de politie is verzocht te stoppen in zogenoemde STOP-gesprekken. Ook de gedragsaanwijzing van de officier van justitie heeft verdachte meermaals overtreden. Verdachte had kennelijk geen enkele boodschap aan deze duidelijke instructies, terwijl het overtreden van een gedragsaanwijzing een misdrijf op zichzelf is en dit ook aan verdachte is meegedeeld.

Belaging en het overtreden van een gedragsaanwijzing zijn ernstige feiten, omdat het gaat om misdrijven gericht tegen de persoonlijke vrijheid van personen. Slachtoffers ondervinden daardoor in veel gevallen gevoelens van angst, onzekerheid en onveiligheid. Verdachte heeft een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] en is met haar handelen geheel voorbij gegaan aan zijn gevoelens en de gevolgen van haar gedrag voor hem en zijn omgeving (waaronder zijn gezin en collega’s). Zij heeft zich slechts laten leiden door haar eigen gevoelens voor [slachtoffer] . Bovendien heeft zij geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor haar acties, weigerde zij medewerking bij de reclassering en het NIFP en plaatst zij zichzelf in de rol van slachtoffer. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 18 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies over verdachte van 9 februari 2026 van Reclassering Nederland. In dit rapport beschrijft de reclassering dat verdachte van mening is dat haar gedrag geen stalking betreft. Omdat het (delict)gedrag over een lange periode heeft plaatsgevonden spreekt de reclassering van een (delictgerelateerd) gedragspatroon, ondanks dat verdachte een first offender is. Door de ontkennende houding van verdachte kunnen geen delictgerelateerde factoren geduid worden. Verdachte laat veelal wantrouwend gedrag zien jegens politie, Openbaar Ministerie en de reclassering waardoor er geen sprake is van contactopbouw tijdens het schorsingstoezicht. Het lukte verdachte niet zich te conformeren aan afspraken en voorwaarden waardoor er ook niet gesproken kan worden van een constructieve samenwerking. De reclassering spreekt over een (zeer) beperkt tot geen inzicht in eigen (delict)gedrag en de impact die haar (delict)gedrag op aangever en zijn omgeving heeft. Tijdens de reclasseringscontacten bagatelliseerde zij haar gedrag en gaf zij er een andere betekenis aan, die voor de reclassering niet navolgbaar was. Zij weigerde een forensisch ambulante behandeling, waarbij diagnostiek als voorwaarde was opgenomen. De hypothese dat mogelijk sprake is van waanideeën kon niet uitgesloten dan wel vastgesteld worden door de psychiater van het NIFP, aangezien verdachte ook aan dit onderzoek niet wenste mee te werken. Verdachte is niet ontvankelijk gebleken voor gedragsbeïnvloeding of -verandering waardoor de reclassering geen aanknopingspunten ziet voor het inzetten van reclasseringsinterventies. Ook is verdachte weinig gevoelig gebleken voor justitiële druk. Volgens de reclassering is een contact- en locatieverbod dan ook zeer wenselijk.

Straf en maatregel

De rechtbank is van oordeel dat gezien de ernst van de gepleegde feiten niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan het voorarrest, namelijk voor de duur van 97 dagen, met aftrek van het al ondergane voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 120 dagen met een proeftijd van drie jaren. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient ertoe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank acht daarnaast, gelet op het gedrag van verdachte jegens [slachtoffer] en ter voorkoming van toekomstige strafbare feiten, het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr noodzakelijk, namelijk een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor zijn werklocatie. Dit contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele wijze, direct of indirect, contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] gedurende een periode van vijf jaren. Het locatieverbod houdt in dat verdachte zich niet in of bij de werklocatie van [slachtoffer] (politiebureau [plaats 2] ) mag bevinden. Iedere overtreding van dit contactverbod of locatieverbod levert steeds een week vervangende hechtenis op, tot een maximum van zes maanden.

De rechtbank is van oordeel dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich, opnieuw belastend zal gedragen richting [slachtoffer] . Verdachte is, ondanks de duidelijke oproepen van [slachtoffer] en van derden om geen contact met hem op te nemen en de gedragsaanwijzing die haar zelfs verbood om dit te doen, gedurende een lange periode op verschillende manieren contact blijven opnemen met [slachtoffer] .

7
De schade van benadeelde
7.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert, onder verwijzing naar de Rotterdamse schaal, verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde schadevergoeding betreft immateriële schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de immateriële schade niet is onderbouwd. Subsidiair heeft zij verzocht een lager bedrag dan gevorderd toe te wijzen. De raadsvrouw acht een bedrag van

€ 500,00 passend.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

Op grond van artikel 6:106, aanhef en sub b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Degene die zich op deze laatstgenoemde grond beroept zal de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Verdachte heeft [slachtoffer] gedurende een periode van ruim twee jaar belaagd. Als gevolg van de belaging was [slachtoffer] onder andere emotioneel, schaamde hij zich, had hij geen controle over zijn eigen leven, voelde hij zich erg onprettig bij de berichten en had hij het gevoel dat hij overal gevolgd werd. Het deed hem iets met zijn persoon, zowel privé als in zijn werk. Dit blijkt ook uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring en de onderbouwing van zijn vordering.

De in de Rotterdamse Schaal vermelde bedragen zijn gebaseerd op de in de Nederlandse rechtspraak toegewezen smartengeldbedragen en geïndexeerd tot 1 juni 2025. De rechtbank acht gelet hierop, de Rotterdamse Schaal een passend instrument om de hoogte van het smartengeld te bepalen. De rechtbank zoekt in dit geval aansluiting bij de onder belaging genoemde categorie ‘ernstig’, gezien de aard, duur en frequentie van de handelingen en de ernst van de gevolgen.

Gelet op soortgelijke zaken en de Rotterdamse Schaal is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 2.500,00 billijk is. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank zal de benadeelde partij in zijn vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de hij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering deel niet-ontvankelijk is. De vordering kan voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

7.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

Als door verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 25 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8
De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38w en 57 Sr.

Beslissing

9
De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: belaging;

feit 2

het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 217 (tweehonderdzeventien) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 120 (honderdtwintig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als

bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 5 (vijf) jaren;

- beveelt dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze – direct of

indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1971 in [geboorteplaats 2] ;

- beveelt dat verdachte zich gedurende vijf jaren niet in of bij de werklocatie van [slachtoffer] , gelegen aan de [adres] (politiebureau [plaats 2] ) mag bevinden;

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 1 (één) week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;

- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet

worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich

belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] ;

- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

schadevergoeding

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 2.500,00 (bestaande uit immateriële schade);

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] : van een bedrag van € 2.500,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2025);

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.500.00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij, voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 30 juni 2026.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A.J. de Loor en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. van der Hulst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

Buiten staat

Mr. M. ter Riet en mr. R. van der Hulst zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland met nummer ONSDA24011-30 (onderzoek S_DS240105). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Voetnoot 2

Het proces-verbaal van verhoor aangever van 11 juli 2024 (pagina 19).

Voetnoot 3

Het proces-verbaal van ontvangst klacht van 15 juli 2024 (pagina 16).

Voetnoot 4

Het rapport van bevindingen van 17 juni 2024 (pagina’s 23 en 24).

Voetnoot 5

Het rapport van bevindingen van 22 oktober 2024 (pagina’s 172 tot en met 174).

Voetnoot 6

Het proces-verbaal van bevindingen van 4 september 2024 (pagina 95).

Voetnoot 7

Het proces-verbaal van bevindingen van 25 september 2024 (pagina 111).

Voetnoot 8

Gedragsaanwijzing van 25 september 2024 (pagina’s 149 en 150).

Voetnoot 9

Akte van uitreiking (pagina 151).

Voetnoot 10

Het rapport van bevindingen van 22 oktober 2024 (pagina’s 153 en 154).

Voetnoot 11

PL0600-2024565457: Het proces-verbaal van bevindingen van 27 november 2024 (pagina 5 en 6).

Voetnoot 12

PL0600-2025043940: Het proces-verbaal van bevindingen van 30 januari 2025 (pagina 15).

Voetnoot 13

PL0600-2024565457: Het proces-verbaal van bevindingen van 30 januari 2025 (pagina’s 14 en 15).

Voetnoot 14

PL0600-2025043940: Het proces-verbaal van bevindingen van 20 januari 2025 (pagina 12).

Voetnoot 15

PL0600-2024565457: Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 5 december 2024 (pagina 17).

Voetnoot 16

PL0600-2025043940: Het proces-verbaal van bevindingen van 30 januari 2025 (pagina’s 14 en 15).

Voetnoot 17

Het rapport van bevindingen van 20 maart 2025 (pagina’s 251 tot en met 273).

Voetnoot 18

Het rapport van bevindingen van 20 maart 2025 (pagina’s 574 tot en met 580).

Voetnoot 19

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 22 oktober 2024 (pagina’s 221 tot en met 228).

Voetnoot 20

PL0600-2024565457: Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 2 december 2024 (pagina 37).