RECHTBANK OVERIJSSEL
Strafrecht
raadkamernummer : 23-023817
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager],
geboren op [geboortedatum] 1937 te [geboorteplaats],
wonende op het adres [woonplaats],
hierna te noemen: de klager, tevens beslagene.
1
Het verloop van de procedure
Het klaagschrift is gedateerd 22 september 2023 en is op diezelfde dag op de griffie van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, ontvangen. Het klaagschrift is ingediend door klager.
Het klaagschrift betreft een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op een personenauto van het merk Toyota, type RAV4, chassisnummer [nummer] (hierna: de personenauto). Er wordt geklaagd over het uitblijven van een last tot teruggave aan klager. Het klaagschrift strekt tot teruggave van de voormelde personenauto.
Het klaagschrift is behandeld op de openbare terechtzitting van 1 november 2023. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. K.J.L. de Valk en klager gehoord. Belanghebbende [belanghebbende 1] AG, die tevens een klaagschrift heeft ingediend, en zaakwaarnemer [bedrijf 1], zijn hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Getuige [getuige] van [bedrijf 2] is na rechtsgeldige oproep in raadkamer verschenen.
De raadkamer heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak, naar aanleiding waarvan de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. De raadkamer heeft daarnaast kennis genomen van de door de officier van justitie overgelegde conclusie met betrekking tot de omstandigheden waaronder het beslag heeft plaatsgevonden en het standpunt van het Openbaar Ministerie met betrekking tot het al dan niet handhaven van het beslag.
2
De standpunten van de officier van justitie en de klager
Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en dat de personenauto aan hem moet worden teruggegeven. Volgens klager is hij de rechtmatige eigenaar van de personenauto. Klager heeft de personenauto ter waarde van € 42.250,= gekocht bij [bedrijf 2] voor een bedrag van € 14.250 na aftrek van de inruilwaarde van een aan [getuige] verkochte Toyota Yaris Cross. In zijn klaagschrift en in openbare raadkamer heeft klager aangevoerd dat hij volledig te goeder trouw voornoemde personenauto van [bedrijf 2] heeft gekocht op 24 maart 2023. De auto is op 8 september 2023 in Almelo inbeslaggenomen nadat de auto ter keuring was aangeboden bij de RDW. De auto zou van diefstal afkomstig zijn.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en dat het voertuig teruggegeven dient te worden aan klager. Klager geniet de derdenbescherming van artikel 3:86 lid 3 sub a sub BW nu hij de auto gekocht heeft als natuurlijk persoon bij [bedrijf 2] ‘die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde’. Het revindicatierecht van de in rechten van de bestolen eigenaar getreden verzekeringsmaatschappij [belanghebbende 1] AG moet in dit geval daarom wijken voor het sterkere recht van klager.
Overwegingen
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
Maatstaf
Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De raadkamer dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen dient te worden beschouwd. In dat laatste geval moet het beklag ongegrond worden verklaard.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, ook in een zaak betreffende een ander dan de klager, of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.
De raadkamer stelt hierbij voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagraadkamer vooruit loopt op het in de strafzaak te geven oordeel. De raadkamer tekent hier echter bij aan dat moet worden beslist op grond van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval op het moment van het beoordelen van het beklag. Het summiere karakter van de beklagprocedure leidt er daarom niet toe dat niet kritisch naar deze feiten en omstandigheden zal worden gekeken.
Feiten en omstandigheden
Klager wenst de inbeslaggenomen personenauto terug te krijgen. Klager heeft de personenauto op 24 maart 2023 gekocht bij [bedrijf 2] en beschikt over de aankoopfactuur. [getuige] heeft de personenauto met bijbehorende bescheiden op zijn beurt gekocht op 22 februari 2023 – op een advertentie op mobile.de – gekocht in Keulen in Duitsland van een particulier, genaamd [naam], wonend in Polen, [plaats].
Na onderzoek na de inbeslagneming van de auto op 8 september 2023 is gebleken dat de personenauto op 11 januari 2023 is gestolen in Berlijn. [belanghebbende 1] AG is hierna in rechten getreden van de bestolen eigenaar. Op 19 oktober 2023 heeft [belanghebbende 1] AG met toezending van een ‘Rückerlangung’ te kennen gegeven aanspraak te maken op de auto. [belanghebbende 1] AG heeft [bedrijf 1] genoemd als zaakwaarnemer. Zowel [belanghebbende 1] AG, '[e-mailadres]' als [bedrijf 1] zijn behoorlijk opgeroepen als belanghebbende maar niet verschenen.
Nadat klager de personenauto bij [getuige] had aangekocht, heeft klager een brief ontvangen van de RDW betreffende de intrekking van het kenteken van de auto. De auto is vervolgens op 8 september 2023 te Nijverdal bij de woning van klager in beslag genomen omdat de auto mogelijk van diefstal afkomstig was.
Het beslag is derhalve rechtmatig gelegd in het kader van de waarheidsvinding. Klager heeft daarop op 22 september 2023 een klaagschrift ingediend teneinde de auto terug te krijgen. De officier van justitie heeft op 11 oktober 2023 reeds geconcludeerd dat voortzetting van het beslag niet meer nodig is, omdat het belang van strafvordering niet langer noopt tot het voortduren van het beslag. Inmiddels was duidelijk geworden dat de auto op 11 januari 2023 in Berlijn is gestolen. Klager heeft de auto op 24 maart 2023 tegen betaling van de koopprijs te goeder trouw gekocht van [bedrijf 2] dat de auto te goeder trouw had gekocht in Duitsland op 22 februari 2023 van een Poolse man.
Beoordeling
Nu er volgens de officier van justitie geen strafvorderlijk belang meer is tot handhaving van het beslag en er sprake is van meer dan één rechthebbende, dient de raadkamer bij de beoordeling van de vraag aan wie de auto dient te worden afgegeven zich te laten leiden door de wet en door hetgeen op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is.
Vaststaat dat klager een personenauto heeft gekocht die van diefstal afkomstig is. Voor beoordeling van de onderhavige zaak is artikel 3:86 Burgerlijk Wetboek (hierna BW) van belang. Ondanks onbevoegdheid van de verkoper is een overdracht overeenkomstig de bepalingen van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal, als zijn eigendom opeisen, tenzij, de verkrijger als particulier heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.
Op grond van artikel 3:86 lid 3 BW is het recht van de eigenaar van een goed, indien dat goed door diefstal uit de macht van die eigenaar is geraakt, normaal gesproken sterker dan het recht van de nieuwe verkrijger van dat goed, zelfs als die laatste te goeder trouw is. De enige uitzondering op die regel is wanneer de verkrijger te goeder trouw een natuurlijk persoon is die het goed heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte. In dat laatste geval is het recht van de nieuwe verkrijger die het goed te goeder trouw en anders dan om niet heeft verkregen, sterker dan het recht van de oorspronkelijke eigenaar die het goed door diefstal heeft verloren.
In de onderhavige zaak kan klager aldus aanspraak maken op de bescherming van artikel 3:86 lid 3 sub a BW nu hij als particulier de auto te goeder trouw tegen een marktconforme prijs heeft gekocht bij [bedrijf 2] die van het verhandelen van auto’s zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.
Gelet daarop kan belanghebbende [belanghebbende 1] AG als de na schadeloosstelling van de bestolen eigenaar van de auto in Berlijn in rechten getreden verzekeraar, niet worden aangemerkt als de redelijkerwijs rechthebbende van de auto nu het recht van klager op de auto sterker is doordat klager aanspraak kan maken op de bescherming van artikel 3:86 lid 3 sub a BW.
Gelet op het vorenstaande is de raadkamer van oordeel dat klager redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt, zodat de auto aan hem dient te worden teruggegeven onder gegrondverklaring van het door klager ingediende klaagschrift.