RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. F.T.M. Peters),
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, thans:
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur, verweerder
(gemachtigde: mr. E.A. Verhulp).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een bestuurlijke boete van € 5.000,- die verweerder in het kader van de Wet dieren aan eiseres heeft opgelegd. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de aan eiseres opgelegde bestuurlijke boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht aan eiseres een bestuurlijke boete van € 5.000,- heeft opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. In het rapport van bevindingen van 22 november 2024 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gerapporteerd dat hij/zij zich naar aanleiding van een regulier toezicht op 13 november 2024, omstreeks 13:25 uur bevond op het slachthuis van eiseres. In dat rapport is het volgende beschreven:
“Tijdens mijn controle, in het kader van regulier toezicht, bevond ik mij in de afsnijhal van
[naam eiseres] , bij het ophangen aan haken van varkenshammen bestemd voor humane consumptie. Ik zag dat deze hammen voorzien waren van een EG-merk 'NL 121 EG', waaruit opgemaakt kon worden dat deze hammen door het bedrijf reeds goedgekeurd waren voor humane consumptie.
Tijdens het ophangen van hammen, viel één ham op de vloer. De medewerker pakte het op en hing het aan een haak waar andere hammen hingen die bestemd waren voor humane
consumptie. Volgens bedrijfsprocedure, had de medewerker eerst de gevallen ham op één
eventuele visuele verontreiniging moeten controleren om het op te knappen en daarna te
flamberen en dat is niet gebeurd (zie bijlage 'Procedure opknappen vlees'). Vervolgens
informeerde ik de leidinggevende van de afsnijhal over mijn bevindingen. Deze instrueerde de medewerker en gaf aan dat de hele haak met hammen geflambeerd zullen worden. Ik bleef een paar minuten ter plekke en het flamberen werd nog niet uitgevoerd.
De vloer is een onzichtbaar vervuild oppervlak. Mensen lopen hier met hun schoenen overheen, bakken worden heen en weer geschoven of gereden over de vloer door het hele bedrijf heen.
Ik ging verder voor een kleine ronde door het bedrijf. Later kwam ik terug bij de leidinggevende van de afsnijhal. Hij vertelde dat de hammen in de dolav zijn geplaatst om ze later te laten flamberen. We gingen de betreffende dolav opzoeken en deze was nergens te vinden. Ik vroeg aan de leidinggevende of hij de dolav had geblokkeerd voordat de dolav kwijt was en hij zei dat hij dat niet deed omdat hij nieuw is en nog niet alle regels kent. De procedure bepaalt dat de dolavs geblokkeerd moeten worden en dat is niet gebeurd. De conclusie hiervan is dat de stappen van de eigen procedure niet werden uitgevoerd (zie bijlage 'Procedure opknappen vlees') waardoor de verontreiniging niet in alle stadia van het proces voorkomen werd.
Vervolgens informeerde ik de medewerker van kwaliteitsdienst over de bovengenoemde
bevindingen en het bedrijf besloot om de hele baan met hammen te laten flamberen.”
4.1.
Op basis van het hiervoor genoemde rapport van bevindingen heeft verweerder met het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van € 5.000,- voor het volgende feit: levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan
worden geconsumeerd. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in verbinding met artikel 4, tweede lid, en bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening (EG) 852/2004. Het boetebedrag voor het beboetbare feit is op grond van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren verhoogd, omdat eiseres op 12 april 2024 (boetezaaknummer [zaaknummer] ) eerder beboet is voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar zijn verlopen sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden. De boete is gelijk aan de som van de voor de overtreding op te leggen boete (€ 2.500,-) en de voor die eerdere overtreding opgelegde boete (€ 2.500,-).
4.1.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat in hoofdstuk IX van Verordening (EG) 852/2004 onderscheid wordt gemaakt tussen eisen die worden gesteld aan levensmiddelen en eisen die gelden voor grondstoffen, ingrediënten, halffabricaten en eindproducten. In dit geval gaat het volgens eiseres om een grondstof die het stadium van halffabricaat nog niet heeft bereikt, zodat andere procedures van toepassing zijn dan die voor levensmiddelen. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de toezichthouder te vroeg heeft ingegrepen en dat zij onvoldoende tijd heeft gekregen om de Hazard Analysis and Critical Control Points-procedure (HACCP-procedure) te volgen.
5.1.
Ter zitting heeft eiseres nader toegelicht dat zij niet betwist dat punt 3, hoofdstuk IX, bijlage II, van Verordening (EG) 852/2004 van toepassing is, maar dat de verplichting tot opknappen (onmiddellijk bijsnijden of een handeling met gelijkwaardig effect) pas geldt in de fase van de productie waar mensen aanwezig zijn die kunnen zien als er iets mis dreigt te gaan.
5.2.
Anders dan eiseres heeft gesteld zijn de reeds gestempelde varkenshammen geen grondstoffen of halffabricaten, maar levensmiddelen als bedoeld in punt 3, hoofdstuk IX, bijlage II, van Verordening (EG) 852/2004. Artikel 2, tweede lid, van Verordening (EG) 852/2004 verwijst naar de definitiebepalingen in Verordening (EG) 178/2002. In artikel 2 van Verordening (EG) 178/2002 is levensmiddel als volgt gedefinieerd: alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd. De varkenshammen voldoen aan deze definitie. Het gaat hier om varkenshammen die al zijn gestempeld (voorzien van een EG-merk) en bestemd zijn voor humane consumptie.
5.3.
Gelet op het bepaalde in punt 3, hoofdstuk IX, bijlage II, van Verordening (EG) 852/2004 had eiseres de levensmiddelen moeten beschermen tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie of schadelijk kan worden voor de gezondheid. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat eiseres niet aan deze norm heeft voldaan. Eiseres heeft de ham die op de vloer was gevallen teruggehangen aan de haak waar andere hammen hingen die bestemd waren voor menselijke consumptie. Nadat de toezichthouder de leidinggevende van de afsnijhal had aangesproken, zijn de hammen in een dolav geplaatst om ze later te flamberen, maar eiseres heeft nagelaten deze dolav te blokkeren. Eiseres heeft deze bevindingen niet betwist.
5.4.
De stelling van eiseres dat er nadien nog opknaphandelingen plaatsvinden, heeft er niet toe geleid dat zij het vlees heeft beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie of schadelijk kan worden voor de gezondheid. Met de mogelijkheid om verontreinigd vlees volgens het HACCP-protocol op te knappen wordt een overtreding niet voorkomen. Opknappen kan hoogstens worden beschouwd als een herstelmaatregel achteraf en niet als een procedure binnen het proces ter bescherming van vlees tegen elke vorm van verontreiniging. Dat de toezichthouder volgens eiseres te vroeg heeft ingegrepen waardoor eiseres onvoldoende tijd heeft gekregen om volgens haar protocollen te handelen, verandert niets aan het feit dat zij de op de vloer gevallen varkensham heeft teruggehangen tussen andere varkenshammen die voor menselijke consumptie waren goedgekeurd. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft toegelicht kan vuil dat op de vloer lag op het vlees terecht zijn gekomen. Door de aanwezigheid van dat vuil kan het vlees ongeschikt worden voor menselijke consumptie en schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Door de varkensham terug aan de haak te hangen, zonder dat het vlees was opgeknapt, terwijl het direct had moeten worden weggesneden of geflambeerd, heeft eiseres het vlees niet beschermd tegen elke vorm van verontreiniging. Bovendien heeft eiseres nagelaten de dolav waarin de varkenshammen waren geplaatst om op een later moment te worden geflambeerd, te blokkeren.
5.5.
Op basis van het rapport van bevindingen heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres het voorschrift in punt 3 in hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening (EG) 852/2004 heeft overtreden. Verweerder was daarom bevoegd voor dit feit een bestuurlijke boete op te leggen.
6. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat er reden bestaat om de boete te matigen, omdat de toezichthouder te vroeg heeft ingegrepen, terwijl er nog mogelijkheden waren om het vlees op te knappen.
6.1.
Volgens rechtspraak van het CBb, onder meer de uitspraken van 31 maart 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:134, onder 5.2), 30 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:534, onder 5.1) en 6 juli 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:700, onder 7) brengt artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met zich dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen, waarvan in deze zaak sprake is, vormt artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het kader waarin de op artikel 6 van het EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dit kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Als in een stelsel van bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen niet of nauwelijks wordt gedifferentieerd op basis van feiten en omstandigheden die voor de evenredigheid van het boetebedrag van belang kunnen zijn, kan eerder de noodzaak bestaan om in een concreet geval van dit boetestelsel af te wijken. Het is aan de overtreder om aannemelijk te maken dat zulke feiten en omstandigheden in het concrete geval aan de orde zijn en moeten leiden tot een lagere boete.
6.2.
Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd heeft zij geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om van het gefixeerde boetestelsel af te wijken en die moeten leiden tot een lagere boete. Dat de toezichthouder, nadat hij de leidinggevende van de afsnijhal had geïnformeerd, verder was gegaan voor een korte ronde door het bedrijf betekent, anders dan eiseres heeft gesteld, niet dat eiseres te weinig tijd heeft gekregen voor het volgen van de HACCP-procedures. De leidinggevende van de afsnijhal heeft een medewerker geïnstrueerd om de hele haak met hammen te flamberen, maar dat is niet direct gebeurd. In plaats daarvan zijn de hammen in een dolav gestopt om later te worden geflambeerd, maar eiseres heeft deze dolav niet geblokkeerd en deze dolav is zoekgeraakt. Uit de eigen werkinstructie van eiseres blijkt dat in geval van een calamiteit (bijvoorbeeld een storing) onderdelen in een dolav kunnen worden gedaan om op een later moment te worden opgeknapt, maar uit het rapport van bevindingen blijkt niet dat zich een calamiteit voordeed. Niet valt in te zien waarom eiseres te weinig tijd zou hebben gekregen voor het opknappen van de vleesdelen. Bovendien is van een geringe ernst van de overtreding geen sprake, omdat overtreding van hygiënevoorschriften een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren. Daarom heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb af te wijken van het wettelijk stelsel van gefixeerde boetes.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.