Rechtbank Rotterdam, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBROT:2026:2224

Op 26 February 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ROT 25/2170, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBROT:2026:2224. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
ROT 25/2170
Datum uitspraak:
26 February 2026
Datum publicatie:
4 March 2026

Indicatie

De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om compensatie voor het jaar 2012 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Er bestond over het jaar 2012 evident geen recht want er was geen kinderopvang.

Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/2170

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen [naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van den Ende),

en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).

Samenvatting

1. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2014 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

Procesverloop

2. Met een besluit van 16 februari 2023 ( [kenmerk] ) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2011 tot en met 2014 afgewezen.

2.1.

Met het bestreden besluit van 3 februari 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 16 februari 2023 ongegrond verklaard.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 2002 en [geboortedatum 2] 2005. Op 16 april 2021 heeft eiseres zich bij de Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.

4. De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van de Wht. Over de jaren 2011 en 2014 is er niet vooringenomen gehandeld en was er geen sprake van hardheid in de toepassing van het wettelijk systeem. In de jaren 2012 en 2013 is er sprake geweest van vooringenomen handelen. Er bestond echter over deze jaren evident geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat er geen opvang geregistreerd stond in de kinderopvanginstelling (KOI)-viewer. Over 2013 had eiseres bij de aanvraag om compensatie bovendien verklaard dat ze in dat jaar inderdaad geen kinderopvang had genoten.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

5. Eiseres voert aan dat zij in het jaar 2012 een re-integratietraject volgde en geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen. De Dienst Toeslagen heeft zich te sterk laten leiden door de gegevens uit de KOI-viewer, zonder deze bij de aanvrager te verifiëren. Volgens eiseres zijn de gegevens van de kinderopvanginstelling niet betrouwbaar, temeer omdat deze instelling later bij een fraudeonderzoek van het Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) van de Dienst Toeslagen betrokken is geweest. Het beroep dat eiseres tegen de afwijzing van de compensatie voor het jaar 2013 had ingesteld, is op de zitting niet langer gehandhaafd.

6. Bij de aanvraag om herbeoordeling heeft eiseres verklaard dat ze een

re-integratietraject met baangarantie volgde, maar dat ze dit traject door de problemen met de Belastingdienst niet kon afmaken. Toen ze, door het oplopen van schulden, geen gebruik meer kon maken van de kinderopvang, moest ze op zoek naar vervangende opvang bij familie, vrienden en kennissen waarvoor ze ook een bijdrage moest betalen, hetgeen uiteindelijk niet meer lukte. De zoon van eiseres is in het jaar 2012 uit huis geplaatst. Op de zitting heeft eiseres verklaard dat ze in het jaar 2011 met een re-integratietraject is gestart voor de duur van 14 maanden. Op de zitting heeft eiseres eerst verklaard dat ze in het jaar 2012 met het traject was gestopt. Na een schorsing voor overleg met haar advocaat heeft eiseres verklaard dat ze het re-integratietraject heeft gevolgd tot einde van het jaar 2012. Eiseres heeft om aanhouding van haar zaak gevraagd om gegevens bij het UWV op te vragen met betrekking tot het re-integratietraject.

7. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat ten aanzien van eiseres bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in het jaar 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wht, volgt echter dat compensatie niet wordt toegekend indien de door eiseres geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat hieronder ook de situatie valt waarin evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, omdat er geen opvang is genoten. (Voetnoot 1)

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht vastgesteld dat voor het jaar 2012 sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan eiseres toerekenbaar is. Het is aannemelijk dat geen kinderopvang is genoten in dat jaar. Uit de KOI-viewer blijkt dat de kinderopvang in 2011 is geëindigd op 30 juni 2011. Dat de betreffende kinderopvanginstelling in 2017 bij een CAF-onderzoek is betrokken, is op zichzelf onvoldoende om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de administratie van die instelling in 2011 en 2012. Eiseres heeft wisselend verklaard over de periode waarin het re-integratietraject zou hebben plaatsgevonden en kinderopvang zou zijn genoten: pas op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres het betoog dat ook in 2013 kinderopvang zou zijn genoten, ingetrokken, naar aanleiding van de verklaring van eiseres op de zitting dat in 2013 (toch) geen kinderopvang was genoten. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om gegevens over het re-integratietraject van het UWV af te wachten, omdat het volgen van een re-integratietraject niet noodzakelijkerwijs betekent dat er geregistreerde kinderopvang heeft plaatsgevonden.

9. Omdat eiseres over het jaar 2012 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang, bestond er evident geen recht op kinderopvangtoeslag over die periode. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht compensatie op grond van de Wht voor het jaar 2012 afgewezen.

Overschrijding redelijke termijn

10. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.

11. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaarschrift ontvangen op 24 maart 2023. Op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn met afgerond 11 maanden overschreden. Eiseres heeft recht op een schadevergoeding van € 1.000,-. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 3 februari 2025, afgerond een jaar en 10 maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn is dus geheel aan de Dienst Toeslagen toe te rekenen. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiseres moet betalen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

13. Eiseres heeft recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiseres;

veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr.J. Nieuwstraten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, p. 72.